De Spaanse Burgeroorlog

17 juli 1936 tot 1 april 1939 – Een samenvatting

De Spaans Burgeroorlog kan moeilijk gezien worden als een strijd tussen fascisme en communisme. Het Italiaanse en Duitse fascisme, ontstaan in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw, bestonden nauwelijks in Spanje. Ook de communisten, verenigd in de PCE (Partido Communista de España), hadden destijds maar weinig aanhang. Arbeiders voelden zich veel meer aangetrokken tot het anarchisme en het gedachtegoed van de revolutionaire vleugel van de socialistische partij PSOE (Partido Socialista Obrero Español). In de kern was de Spaanse Burgeroorlog een botsing tussen enerzijds zeer traditionele opvattingen van monarchisten en militairen en anderzijds links-revolutionaire krachten die met het verleden wilden afrekenen.

Het begin van de Burgeroorlog: Badajoz en Toledo

Emilio Mola
Emilio Mola
Nadat het linkse Volksfront in februari 1936 de verkiezingen had gewonnen en er een regering was geformeerd van links-republikeinen, namen binnen het leger ideeën voor een opstand steeds vastere vormen aan. Op de avond van 16 juli 1936 gaf de geestelijk vader van de opstand, generaal Emilio Mola Vidal, het startsein voor de militaire opstand. De rebellen wisten zich meester te maken van Marokko, terwijl op het schiereiland een brede strook vanaf het midden en noorden van het land in hun handen viel. In de belangrijkste steden, zoals Barcelona en Madrid mislukte de opstand.

In de nacht van 18 op 19 juli benoemde president Manuel Azaña de links-republikein José Giral Pereira tot minister-president. Giral besloot om wapens uit te delen aan het volk en de Spaanse Burgeroorlog brak uit. Azaña, die gruwde van de wandaden van de militaire opstandelingen en ook niets moest hebben van het geweld van revolutionair links, was op dat moment zeer aangeslagen en overwoog serieus om af te treden. De weigering van Frankrijk en Groot-Brittannië om te interveniëren of om wapens te leveren aan de republiek, beschouwde hij als een dolkstoot in de rug van de Spaanse republiek.

Franco

Francisco Franco arriveerde op 19 juli in Marokko, waar hij zich voor het probleem gesteld zag om het Marokkaanse leger, dat de opstand steunde, over te brengen naar Spanje. Hij vroeg hulp aan Italië en Duitsland en de eerste luchtbrug in de militaire geschiedenis nam een aanvang. In korte tijd slaagde Franco erin enkele duizenden manschappen te transporteren naar het moederland. Zijn bedoeling was om snel het zuidwestelijk deel van het land te veroveren en verbinding te maken met het gebied in het noorden dat in handen was van de opstandelingen, doorgaans aangeduid als de nationalisten. De opmars naar het noorden die Franco onder bevel van kolonel Yagüe had geplaatst, verliep razendsnel. Op 10 augustus waren zijn troepen al driehonderd kilometer opgerukt. Na de gemakkelijke inname van de stad Mérida begon de strijd om Badajoz. Legereenheden van Franco slaagden erin de stad binnen te komen en via man-tot-man gevechten te veroveren. Elke inwoner, militair of burger, die een wapen droeg, werd geëxecuteerd. Maar dat er in de arena van Badajoz enkele duizenden aanhangers van links zouden zijn vermoord door Yagüe, behoort tot de linkse mythes van de Burgeroorlog.

- advertentie -
Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van juli 1936
Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van juli 1936

Direct na het uitbreken van de opstand besloot kolonel José Moscardó de verdediging van de Militaire Academie, gevestigd in het Alcázar van Toledo, op zich te nemen. Hij verschanste zich met ongeveer duizend militairen en hun gezinnen in het enorme gebouw dat al snel door linkse troepen werd omsingeld. Franco, die beloofd had het Alcázar te ontzetten, hield zich aan zijn woord, wat betekende dat de aanval op Madrid werd uitgesteld, een van de meest betwiste beslissingen die Franco heeft genomen. Begin september waren de troepen van Yagüe Madrid al op ongeveer honderd kilometer genaderd, maar tot zijn verbazing en verbittering kreeg Yagüe de opdracht op te trekken richting Toledo. Zijn verzet tegen dit bevel moest hij duur bekopen, want zijn oude vriend Franco aarzelde niet hem te ontslaan als bevelhebber en generaal José Varela met de opdracht te belasten. Waarschijnlijk is dat Franco gewoon zijn belofte aan Moscardó wilde nakomen en de tactiek om veroverd gebied te zuiveren van tegenstanders boven die van de snelle aanval stelde. Franco was nu eenmaal een voorzichtig – zij het rücksichtslos – man die er niet van hield onnodige verliezen te lijden.

De strijd om Madrid

Largo Caballero
Largo Caballero
In september was de socialistische premier Largo Caballero erin geslaagd een revolutionair bewind te vormen, bestaande uit leden van het Volksfront dat op 16 februari 1936 een verkiezingsoverwinning had weten te behalen. Deze regering nam de belangrijke beslissing om het ongeorganiseerde Spaanse leger om te smeden tot een troepenmacht naar model van het Russische Rode leger. Ook werd onder het bewind van Largo Caballero – met als verantwoordelijke minister van Financiën, Juan Negrín – overgegaan tot de aankoop van aanzienlijke hoeveelheden wapens uit de Sovjet Unie. Daarvoor werd de destijds aanwezige goudvoorraad ingezet. Deze wapens begonnen in de loop van oktober binnen te stromen, tegelijk met de eerste Internationale Brigades.

Begin november werd de situatie in Madrid zo nijpend, dat de regering besloot de stad te verlaten en naar Valencia te vluchten, Madrid achterlatend in handen van de Junta de Defensa de Madrid die als opdracht kreeg ‘verzet te bieden zonder een duimbreed te wijken’. De Junta de Defensa was samengesteld uit vertegenwoordigers van alle partijen die de regering vormden en stond onder leiding van generaal José Miaja.

Op 6 november bereikten de nationalisten de hoofdstad. Generaal Mola, die het bevel over de operatie voerde, zou in vier colonnes oprukken en rekende op de hulp van de ‘Vijfde Colonne’, van in de stad opgesloten nationalisten. Van dat laatste kwam echter niets terecht. Meer dan tweeduizend van hen zijn daags voor de aanval van Mola door linkse milities geëxecuteerd, waarschijnlijk op instigatie van de communisten. Op diezelfde dag vonden republikeinse militairen een kopie van de complete aanvalsplannen van de nationalisten op het lichaam van een vijandige tankcommandant, waardoor Miaja en generaal Vicente Rojo, in de gelegenheid gesteld werden de verdediging goed te organiseren. In de vroege ochtend van 8 november begon de aanval door een leger van 20.000 man, waarvan 10.000 elitetroepen. Zij vonden ongeveer het dubbele aantal verdedigers zonder enige gevechtservaring tegenover zich. Pas op 19 november slaagden de nationalisten er onder bescherming van hevig artillerievuur in om een opening naar de universiteitsstad te forceren. Om elke meter, elk gebouw, elk lokaal werd gevochten en er werden zelfs barricaden opgeworpen van waardevolle wetenschappelijke boeken. Maar Madrid hield stand.

Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van november 1936
Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van november 1936

De verovering van Málaga

Mario Roatta
Mario Roatta
In januari 1937 kwam het tot een aanval op Málaga. Franco riep daarbij de hulp in van generaal Mario Roatta, leider van het Italiaanse vrijwilligerskorps de CTV (Corpe di Truppe Volontarie). Ook de luchtbrigade van het Duitse Condorlegioen onder bevel van Wolfram Freiherr von Richthofen – een Duitse oorlogsvlieger – werd ingezet. De verdedigingskracht van Málaga was pover en op 8 februari werd de stad ingenomen. Voor de inwoners van Málaga betekende de nationalistische overwinning een gruwelijke nachtmerrie. Talloze inwoners van de stad probeerden te vluchten langs de weg naar Almería, de enige verbinding met republikeins gebied, maar enkele duizenden werden neergemaaid op de vlucht, terwijl anderen in de stad standrechtelijk werden geëxecuteerd.

De veldslagen bij Jarama en Guadalajara

Nadat de pogingen om vanuit noordwestelijke richting Madrid te omsingelen waren mislukt, waagde Franco door middel van een gecombineerd offensief een nieuwe poging. Vanuit het zuidoosten zouden de nationalisten oprukken over de rivier de Jarama. Tegelijkertijd zou vanuit de nationalistische zone in het noorden het vrijwilligerskorps van de Italianen oprukken richting Guadalajara. Uiteindelijk doel van deze tangbeweging was een ontmoeting van beide strijdmachten waardoor Madrid vrijwel volledig omsingeld zou zijn. Franco legde het opperbevel van deze actie in handen van generaal Mola. Op 5 februari gaf hij het bevel tot de aanval en na drie dagen strijd hadden de nationalistische troepen de westoever van de rivier Jarama onder controle. De republikeinen wisten zich echter te herstellen. Het kwam tot een tegenaanval waarbij de robuuste T-26 tanks van de Sovjets een belangrijke rol speelden. Aanval en tegenaanval duurden voort tot de laatste dagen van februari toen beide partijen finaal aan hun eind waren. De verliezen waren groot, naar schatting 6.000 doden en gewonden aan beide kanten. De legers groeven zich in de druilerige olijfgaarden in en wachtten af.

Op 8 maart begon de aanval op Guadalajara vanuit het noorden. De Italianen blaakten van zelfvertrouwen na het gemakkelijke succes in Málaga en braken eenvoudig door de republikeinse linies heen. Maar de zeer slechte weersomstandigheden speelde hen parten en het offensief stokte. Nadat het weer een beetje was opgeklaard begonnen de gevechten opnieuw. Er speelde zich een bizarre episode af in de Burgeroorlog: Italiaanse troepen vechtend aan nationalistische zijde raakten slaags met landgenoten van de 12e Internationale Brigade, een Italiaanse burgeroorlog op Spaanse bodem. In de dagen daarop zetten de republikeinen een offensief in dat succes had. In de slag bij Guadalajara verloren de Italianen ruim 5.000 man terwijl de Spaanse eenheden nauwelijks verliezen hadden geleden. Dit maakte Mussolini woedend. Hij voelde zich vernederd omdat de nationalisten deze nederlaag afdeden als zijnde een Italiaans aangelegenheid waarvoor zij niet verantwoordelijk waren. Voor Franco betekende deze nederlaag het einde van zijn droom om Madrid snel in te nemen. Mede op aandringen van zijn militaire adviseurs wendde hij zich naar het noorden, naar de Baskische provincies en Asturië met hun grondstoffen en voor de oorlog zo belangrijke industrieën.

Politieke ontwikkelingen in het Nationalistische kamp

Op 21 september 1936 vond in een hangar nabij Salamanca een bijeenkomst plaats van de nationalistische top tijdens welke het besluit werd genomen Franco te benoemen als opperbevelhebber van alle strijdkrachten met de titel Generalísimo. In feite was er geen keuze. Mola was duidelijk de mindere gebleken van Franco en andere serieuze kandidaten ontbraken. Tot verbijstering van de militairen en grote irritatie van Mola werd in de persverklaring gesteld dat Franco benoemd was als staatshoofd en daarmee dus ook alle politieke macht aan zich getrokken had. Macht die hij niet meer zou afgeven. Het was in feite een staatsgreep binnen de staatsgreep. Op 1 oktober werd Franco in Burgos formeel tot staatshoofd geïnaugureerd. Franco profileerde zich nadrukkelijk als Caudillo (leider) een titel waarmee legeraanvoerders uit het verleden zich tooiden. De slogan ‘Una Patria, Un Estado, Un Caudillo’ ontstond, naar analogie van het Duitse ‘Ein Volk, ein Reich, ein Führer’.

De Falange, de fascistische beweging in Spanje beweging onder leiding van José Antonio Primo de Rivera, was voor het uitbreken van de burgeroorlog van bescheiden omvang, maar nadat de opstand van de militairen was uitgebroken en de nationalisten terrein wisten te veroveren, speelden de falangistische milities een groeiende rol bij de bloedige zuivering van de burgerbevolking. De rechtse en ultra rooms-katholieke carlisten vormden destijds een krachtige beweging, die beschikte over een eigen militie, de Requeté. De carlisten sloten zich aan bij de opstand van de militairen. In Franco’s ogen gingen de carlisten te ver in hun poging tot zelfstandig opereren toen zij eind 1936 een Koninklijke Militaire Academie wilden oprichten om onder eigen regime officieren op te leiden. De Caudillo verklaarde dit als een handeling die inging tegen het nationalistische gezag en maakte er een eind aan.

In het voorjaar van 1937 werd Franco zich ervan bewust dat de toenemende kracht van de falangisten en carlisten een bedreiging vormde voor de eenheid en voor zijn positie. Bij decreet werden alle rechtse groeperingen ondergebracht in een nieuwe eenheidspartij: de FET y de las Jons (Falange Española Tradicionalista y de las Juntas de Ofensiva Nacional Sindicalista). Hiermee had Franco zijn machtspositie geconsolideerd. Zijn enig mogelijke concurrent, generaal Mola, overleed op 3 juni 1937 als gevolg van een vliegtuigongeluk.

Ontwikkelingen bij de Republikeinen

President Manuel Azaña realiseerde zich dat er een poging gedaan zou moeten worden om op centraal niveau eenheid te smeden tussen de zo verschillend denkende linkse groeperingen. Deze waren ruwweg te onderscheiden in revolutionairen pur sang en de centralisten die erop uit waren om via een democratisch gekozen regering Spanje om te vormen tot een staat naar marxistisch model. Tot de revolutionairen behoorden de anarchisten, met de vakorganisatie CNT (Confederación Nacional del Trabajo) als voornaamste machtsfactor, de POUM (Partido Obrero de Unificación Marxista, een Trotskistische beweging) en de revolutionaire vleugel van de socialistische PSOE. De communistische PCE (Partido Comunista Española), de gematigde vleugel van de PSOE en de republikeinen vormden het centralistische blok.

Bij velen heerste de mening dan er slechts één politicus was die deze ver uiteenlopende bewegingen tot elkaar zou kunnen brengen en dat was Francisco Largo Caballero, vooraanstaand lid van de PSOE en leider van de socialistische vakbond UGT (Unión General de Trabajadores). Hij slaagde erin een regering te vormen met socialisten, links-republikeinen en communisten. Largo begon aan een reorganisatie van het leger, waarbij die van het Russische Rode Leger als model werd gebruikt, maar probeerde de invloed van de communisten zoveel mogelijk te beperken, wat hem met hen in een ernstig conflict bracht.

Julio Álvarez del Vayo
Julio Álvarez del Vayo
Eind 1936 begon de reorganisatie van het republikeinse leger gestalte te krijgen. Opmerkelijk element daarin was de aanstelling van commissarissen die als taak hadden te waken over het welzijn van de troepen en om commandanten in de gaten te houden. De toenmalige minister van Buitenlandse zaken, Julio Álvarez del Vayo, lid van de PSOE, maar een medestander van de communisten, wist Largo Caballero ertoe te bewegen hem als commissaris-generaal te benoemen en kreeg daardoor de gelegenheid om de benoeming van communisten op belangrijke legerposten te bevorderen.

Overal waar de opstandelingen in de zomer van 1936 het onderspit delfden, zoals in Madrid, Aragón en Catalonië, werd het lokale bestuur vervangen door revolutionaire comités geïnitieerd door de vakbonden: de socialistische UGT en de anarchistische CNT. Deze comités namen alle bestuurlijke activiteiten over van de bestaande organen. Voor de centrale regering in Valencia betekenden deze revolutionaire acties een enorme complicatie in de strijd tegen de opstandelingen, vooral omdat in diverse regio’s de organisatie van een eigen legermacht ter hand werd genomen.

Burgeroorlog binnen de Burgeroorlog en de val van Largo Caballero

Buenaventura Durruti
Buenaventura Durruti
Nadat de nationalistische opstandelingen in juli 1936 door het linkse verzet in Barcelona waren verslagen, heerste in feite de CNT onder aanvoering van de toen nog in leven zijnde Buenaventura Durruti over de stad. Bijna een jaar later besloot de regering de macht terug te nemen. Overal in de stad braken gevechten uit toen de oproerpolitie zich probeerde meester te maken van gebouwen in handen van de anarchisten. Uiteindelijk wisten de leiders van de CNT – bang voor het ontstaan van een chaos – de arbeiders zover te krijgen dat zij hun wapens neerlegden en weer aan het werk gingen. CNT en POUM verloren hiermee hun sinds juli 1936 opgebouwde machtspositie en het was afgelopen met het anarchistische beheer van de regio. De communisten grepen hun kans om de anarchisten en vooral de POUM zwart te maken. Op instigatie van Moskou verzocht een van de PCE ministers in de republikeinse regering aan Largo de POUM op te heffen en zijn leiders te arresteren. Deze weigerde, waarmee de breuk tussen Largo Caballero en de communisten een feit was. Op 17 mei 1937 trad Largo Caballero onder druk van de omstandigheden af en werd opgevolgd als premier door zijn bij Moskou goed liggende partijgenoot Juan Negrín. Negrín bleef premier tot vlak voor het einde van de Burgeroorlog.

De slag om het noorden

Parallel aan de kust van de golf van Biskaje loopt het Cantabrisch gebergte, dat na de opstand van de militairen in juli 1936 de grens vormde tussen het nationalistisch gebied aan de zuidkant en de smalle republikeinse zone in het noorden. Toen in maart 1937 Franco besloot de aanval op het noorden in te zetten, realiseerde hij zich dat de beste kans om het gebied binnen te vallen langs de oostkant zou zijn, elders vormde het gebergte een voor de republikeinen goed te verdedigen natuurlijke barrière.

Requetés
Requetés
Onder het opperbevel van generaal Mola begonnen de nationalisten, vooral bestaande uit eenheden van de carlistische Requeté, hun aanval op de Baskische gebieden op 31 maart 1937. Een bizarre situatie, waarin de rooms-katholieke requetés – onder het uitroepen van de kreet ‘Viva Cristo Rey’ – het opnamen tegen hun Baskische geloofsgenoten. Het was vanaf het begin een ongelijke strijd. Weliswaar waren de grondtroepen tegen elkaar opgewassen, maar de Basken ontbeerden elk verweer tegen de massale luchtacties van het Condorlegioen. Als het aan Von Richthofen had gelegen was Bilbao gebombardeerd, maar de nationalisten waren terughoudend in het bombarderen van civiele doelen, waarbij veel rooms-katholieke burgers zouden kunnen omkomen. Zij vreesden de afkeuring van het Vaticaan. Wel werd tot ontzetting van de hele wereld het stadje Durango gebombardeerd en Guernica met de grond gelijk gemaakt.

Uiteraard was het de republikeinse regering heel wat waard om te voorkomen dat de noordelijke provincies door Franco veroverd zouden worden. De nationalisten zouden daarmee de belangrijke industrieën in handen krijgen. In mei werd besloten om door een snelle actie het nabij Madrid gelegen Segovia in te nemen en de druk op het noordelijk front te verminderen. Op 30 mei begon de aanval die bekend zou worden als de slag bij La Granja de San Ildefonso, een plaatsje op ongeveer tien kilometer ten westen van Segovia. De actie mislukte omdat de republikeinen de reactiesnelheid van de nationalisten onderschat hadden en hun luchtstrijdkrachten niet waren opgewassen tegen die van hun tegenstanders. Tegen de achtergrond van deze strijd bij La Granja situeerde Ernest Hemingway zijn beroemd geworden boek ‘For whom the bell tolls’. Een tweede poging om de aandacht van de nationalisten voor de strijd in het noorden af te leiden bestond uit een aanval op de stad Huesca, gelegen aan de zuidkant van de Pyreneeën, op ruim 300 km afstand van Bilbao. Het offensief begon op 12 juni, maar net als bij La Granja werden de republikeinen teruggedreven en gedwongen hun actie te staken.

Bombardement op Guernica
Bombardement op Guernica

Beide offensieven hadden nauwelijks een vertragend effect op de nationalistische aanval in het noorden. Bilbao was hun belangrijkste doelwit. Een enorme stroom vluchtelingen kwam op gang richting Santander die een gemakkelijk prooi vormde voor de jagers van het Condorlegioen. De Basken verdedigden de stad met hand en tand, maar na dagenlange felle gevechten werd Bilbao op 5 juli 1937 ingenomen.

De slag bij Brunete

Brunete, juli 1937
Brunete, juli 1937
De aanval op Brunete, een dorpje ten westen van de hoofdstad, was bedoeld om via een snel offensief de nationalistische belegeraars van Madrid af te snijden van hun medestrijders in het westen. Een eerste aanval vond plaats op 6 juli, maar stuitte op hevig verzet. Een tweede aanvalsgolf slaagde en Brunete werd veroverd. De commandant te velde, Enrique Líster, stootte echter niet door. Hij groef zich in op aanraden van zijn Russische adviseur. Dat bleek een fatale vergissing die de nationalisten tijd gaf om versterkingen te laten overkomen. Op 18 juli – de verjaardag van de militaire opstand – sloegen de nationalisten toe en in de loop van enkele dagen werden de republikeinse troepen teruggedrongen. De slag om Brunete was voor het republikeinse leger rampzalig. Ten koste van 50.000 doden en gewonden en het verlies van enorme hoeveelheid materieel werd een gebied veroverd van nog geen 50 vierkante kilometer.

Medio augustus gaf Franco het sein om het offensief in het noorden te hervatten. Het oponthoud had de volledig uitgeputte republikeinse troepen de gelegenheid gegeven zich enigszins te herstellen, maar er was geen houden meer aan. Eind augustus brak er paniek uit onder de republikeinen en met name in de stad Santander, waar tallozen probeerden te vluchten overzee. Een deel van de republikeinse troepen trok zich terug in de bergen van Asturië en de stad bleef weerloos achter. Er werden 60.000 krijgsgevangenen gemaakt en de repressie op de burgerbevolking was hevig. Een taaie strijd in de ontoegankelijke bergen van Asturië volgde en het zou tot oktober 1937 duren voordat het republikeinse verzet in het noorden definitief was gebroken.

De slag bij Belchite

Terwijl op 24 augustus de nationalisten Santander binnentrokken, startte het republikeinse offensief aan het front van Aragón met als doel Zaragoza te veroveren. Maar net als in de slag om Brunete faalden de republikeinse legerleiders als het ging om het nemen van de juiste strategische beslissingen. Dat maakte de verovering van Zaragoza vrijwel onmogelijk en in plaats daarvan verschoof de aanval in de richting het plaatsje Belchite, waar weinig nationalistische troepen gelegerd waren. De aanval op Belchite begon op 1 september en binnen een week was er van de plaats niets over dan een rokende puinhoop. Uiteindelijk hadden de republikeinen gedurende dit offensief aan het Aragónese front net als bij Brunete een zeer geringe terreinwinst geboekt ten koste van een groot verlies aan manschappen en materieel.

De slag om Teruel

Om een nieuwe nationalistische aanval op Madrid te voorkomen, besloten de republikeinen tot een preventief offensief op de provinciehoofdplaats Teruel. Dit was een onvoorzichtige beslissing en getuigde er niet van dat de door communisten gedomineerde legerleiding veel geleerd had van de rampzalige afloop van de slagen bij Brunete en Belchite. Op 15 december 1937, het was toen hartje winter met temperaturen dalend tot ver onder nul en voortdurende sneeuwval, zette generaal Rojo de aanval in op Teruel. Maar Franco sloeg onmiddellijk terug. Verlies van grondgebied, hoe onbetekenend dan ook, accepteerde hij niet en tot ontsteltenis van zijn naaste medewerkers zag hij af van een aanval op het Guadalajarafront bij Madrid om Teruel te kunnen ontzetten, precies zoals hij dat in 1936 deed met het Alcázar van Toledo. De omstandigheden waren vreselijk, met loopgraven die volsneeuwden en een vorst bij nacht van -20° C. Begin februari vielen de nationalisten onder betere weersomstandigheden massaal aan en met behulp van Italiaanse luchtsteun werden de republikeinen onder de voet gelopen. Voor de republikeinen waren de gevolgen van de strijd om Teruel desastreus. Er waren 60.000 doden en gewonden en het verlies aan materieel – vooral van vliegtuigen – was enorm. Ook de nationalistische verliezen waren groot: ongeveer 40.000.

Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van oktober 1937
Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van oktober 1937

De republikeinse zone doorbroken

Op 9 maart 1938 begonnen de nationalisten met hun vernietigend offensief aan het noord-zuid lopende front in Aragón. De aanval startte met hevige bombardementen door de vliegtuigen van het Condorlegioen en Italiaanse bommenwerpers, waardoor de republikeinse linies in totale ontreddering raakten, zeker toen dat gevolgd werd door hevige tankaanvallen. In tien dagen rukten de nationalisten op over de volle breedte van het front en bezetten zij vrijwel geheel Aragón. Op 15 april bereikten de requetés het plaatsje Vinaroz aan de kust van de Middellandse Zee. De republikeinse zone was in tweeën gespleten en op 19 april had Franco zestig kilometer kust in handen.

De slag bij de Ebro

Een snelle verovering van Barcelona zou het einde van de Burgeroorlog hebben betekend zonder dat Franco alle republikeinse gebieden onder controle had. In dat geval zou hij er wellicht toe zijn gedwongen vredesonderhandelingen te voeren en dat wilde Franco nu juist vermijden. Hij was uit op een totale overwinning. Vandaar dat hij op 25 april het sein gaf tot een opmars langs de kust richting Valencia, maar die verliep stroef, deels vanwege de hevige regens, maar ook omdat het front breed was en de republikeinen een sterke verdedigingslinie hadden opgebouwd. De republikeinen hielden stand en in vergelijking met de verliezen aan nationalistische kant – 20.000 doden en gewonden – vielen die aan republikeinse kant mee.

Pontonbrug in de Ebro juli 1938
Pontonbrug in de Ebro juli 1938
Het mag opmerkelijk worden genoemd dat na de debacles van de aanvallen bij Brunete, Belchite en Teruel, de republikeinen nog steeds geen lering trokken uit deze gebeurtenissen en niet overstapten op een veel effectievere verdedigingsstrategie zoals die bij het Levantoffensief. In plaats daarvan werd weer gekozen voor de aanval: het Ebro-offensief, een misrekening die voor de republikeinen het definitieve einde zou inluiden. Het offensief bij de Ebro had ten doel om de doorgang die de nationalisten hadden gecreëerd naar de zee te heroveren om zo de verbinding te herstellen tussen de gebieden die nog in republikeinse handen waren. Op 25 juli 1938 staken legereenheden van de republikeinen de Ebro over, deels in boten, maar hoofdzakelijk over pontonbruggen op een aantal plaatsen ongeveer 70 kilometer ten zuidwesten van de stad Lérida.

De pontonverbindingen over de Ebro bleken een kwetsbaar punt voor de republikeinen. Franco gaf opdracht de stuwdammen stroomopwaarts in de Pyreneeën te openen, wat een enorme vloedgolf veroorzaakte die de pontons wegsloeg. De republikeinen werden ingeklemd tussen de oprukkende troepen van Franco en de rivier. Er ontstond een groot gebrek aan voedsel en vooral drinkwater wat het voor de wanhopig vechtende republikeinse troepen in de verzengende hitte – de temperatuur kon oplopen tot boven de 50° C – tot een hel maakte. De aanval die de nationalisten daarop inzette luidde het einde in van de strijd die uiteindelijk nog tot 16 november zou duren. Beide partijen leden onvoorstelbare verliezen. De nationalisten telden 60.000 doden en gewonden en de republikeinen 75.000. Het gevolg van deze voor de republikeinen zinloze actie was dat zij door hun reserves heen waren en de weg naar Barcelona voor de nationalisten open lag.

Vluchtelingen uit Barcelona januari 1939
Vluchtelingen uit Barcelona januari 1939

De val van Barcelona

Op 23 december 1938 begon de aanval op Barcelona, ondanks een verzoek van de paus om een kerstbestand in acht te nemen. Het enorme leger van Franco telde 340.000 man en vele honderden vliegtuigen, tanks en kanonnen. Tegenover deze goed geoliede gevechtseenheden konden de republikeinen niet meer dan 220.000 man inzetten die nauwelijks over wapens beschikten. De nationalisten rukten op richting Barcelona en op 22 januari gaf premier Negrín het bevel aan regering en ministeries de stad te verlaten. Er kwam een enorme vluchtelingenstroom op gang richting Franse grens wat de Fransen in verlegenheid bracht. Eigenlijk wilden zij alleen burgers toelaten, maar de eveneens vluchtende republikeinse troepen met geweld tegenhouden was natuurlijk geen optie. Vanaf 28 januari staken meer dan een half miljoen vluchtelingen, burgers en militairen, de grens over. Met de val van Barcelona was de Spaanse republiek ten dode opgeschreven.

Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van november 1938
Front van de Spaanse Burgeroorlog, kaart van november 1938

Spaanse Burgeroorlog – Politieke ontwikkelingen

Juan Negrin
Juan Negrin
Op 17 mei 1937 trad onder druk van de communisten premier Francisco Largo Caballero af en vormde de socialist Juan Negrín een nieuwe republikeinse regering in Valencia, waarin zijn partijgenoot Indalecio Prieto minister van Defensie werd. Deze twee vooraanstaande leden van de PSOE vonden samenwerking met de communisten essentieel, vooral omdat de republiek afhankelijk was van Moskou voor wapenleveranties. Maar al spoedig namen de spanningen tussen de gematigde Prieto en de communisten toe. Prieto was bevreesd dat de communistische invloed op het leger al te groot zou worden. Ook omdat hij openlijk bekende dat hij de oorlog voor de republikeinen verloren achtte, raakte hij in een kwetsbare positie ten opzichte van zowel de communisten als Negrín die de strijd tegen Franco in geen geval wilden opgeven. Negrín onthief hem op 28 maart 1938 van zijn post als minister van Defensie en Prieto ging in ballingschap. President Azaña deelde de mening van Prieto, maar zou pas aftreden in februari 1939 toen hij vernomen had dat de Britse en Franse regering het nationalistische bewind hadden erkend.

Vanaf het begin van de opstand werd de nationalistische zone bestuurd door een militaire Junta, die op 1 oktober 1936, toen Franco tot staatshoofd werd benoemd, werd afgelost door de meer civiele Junta Técnica. Dit bestuursorgaan werd op zijn beurt op 30 januari 1938 vervangen door het eerste echte kabinet. Franco vervulde de rol als staatshoofd waaraan formeel de functie van regeringshoofd was verbonden. Alle republikeinse wetgeving met betrekking tot de verhouding tussen kerk en staat uit de jaren voor het begin van de Burgeroorlog werd ingetrokken. Kerkelijke gezagdragers kregen weer de volledige controle over het onderwijs. Op 18 juli werd Franco ter gelegenheid van de tweede verjaardag van de opstand door zijn kabinet in Burgos benoemd tot Capitán General (deze staat boven de generaals en admiraals) van het leger, de meest eervolle titel in Spanje, die tot dan toe uitsluitend werd toegekend aan koningen.

Opnieuw een Burgeroorlog binnen de Burgeroorlog

Eind 1938 begon er in Madrid verzet te groeien tegen het optreden van Negrín en de communisten. Zij formeerden op 5 maart 1939 een Nationale Defensieraad en twee dagen later werd via de radio bekendgemaakt dat de militairen de macht in het republikeinse zone hadden overgenomen. Het leger werd gezuiverd van communisten, anderen werden ontslagen uit belangrijke burgerfuncties en het partijblad van de PCE werd opgeheven. Daarmee was de macht van de communisten in de republiek gebroken, zij het dat onder leiding van de communistische commandanten op het laatste moment gepoogd werd de Nationale Defensieraad omver te werpen, wat mislukte.

Overgave

Op 28 maart 1939 marcheerden Franco’s troepen Madrid binnen. De Nationale Defensieraad viel uiteen en de volgende dag volgde de formele overgave van de republikeinen. Op de avond van 1 april deelde Radio Nacional mee:

‘Heden hebben de nationalistische troepen, na het Rode Leger gevangen genomen en ontwapend te hebben, hun laatste militaire doelen bereikt. De oorlog is ten einde.’

Het aantal doden dat tijdens de Burgeroorlog en erna is gevallen was enorm. Beide legers verloren ongeveer 70.000 mensen en door repressie van beide partijen tijdens de oorlog lieten nog eens 120.000 het leven. Na de oorlog kwamen door ziekte en honger (vooral vlak na de oorlog) 200.000 mensen om en werden ongeveer 30.000 aanhangers van links geëxecuteerd. In totaal dus ongeveer 490.000 dodelijke slachtoffers. Daarnaast sloegen nog eens zo’n 160.000 mensen op de vlucht.

Grote winnaar was natuurlijk Generalísimo Francisco Franco. Na de Burgeroorlog was hij niet alleen staatshoofd, maar ook premier, chef van de enig toegestane partij die hij zelf had gecreëerd en kapitein-generaal van de strijdkrachten. Hij had net zoveel macht als Mussolini of Hitler en bijna net zoveel als de Spaanse koningen uit de vijftiende en zestiende eeuw. Een tweede overwinnaar die niet onvermeld mag blijven was de rooms-katholieke kerk. Bedreigd door links tijdens de Tweede Republiek hervond zij onder Franco weer de status die zij eeuwen had bezeten. Het felicitatietelegram van het Vaticaan na Franco’s zege getuigde van diepe dankbaarheid jegens de man die menig keer gezegd had dat de Burgeroorlog geen oorlog was, maar een kruistocht.

~ Willem Peeters

Meer artikelen over de Spaanse geschiedenis
Boek: De strijd om Spanje – Antony Beevor

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier