Irma Weinberg, een bijzondere neuroloog in Het Apeldoornsche Bosch

14 minuten leestijd

In Het Apeldoornsche Bosch, de Joods Psychiatrische inrichting die door de bezetter op 22 januari 1943 op beestachtige wijze werd ontruimd, werkte vanaf 1934 een bijzondere neurologe, zij het onder invloed van de omstandigheden geheel op de achtergrond.

Deze Irma Regina Weinberg was op 14 februari 1891 in Frankfurt am Main geboren. Zij was de dochter van dr. Phil. Gustav Weinberg (1866-1910) en Recha Stern (1863-1948).1

Irma Weinberg
De enige foto die van Irma Weinberg bewaard is gebleven
Irma bezocht een middelbare school voor meisjes, gevolgd door een jaar aan een gemeentelijke handelsschool en colleges aan de Academie voor Sociale en Commerciële Wetenschappen in Frankfurt am Main. Ze volgde privélessen ter voorbereiding op het Abitur (eindexamen voor de universiteit). Zij werkte vervolgens acht en een half jaar in een commercieel beroep bij de Metallgesellschaft AG voordat ze in Frankfurt am Main – met een semester in Berlijn – medicijnen ging studeren.2 Mogelijk had dit te maken met de financiële situatie van het gezin na het overlijden van haar vader in 1910.

Weinberg slaagde in 1920 voor het staatsexamen en voor het artsexamen in december 1922. Vervolgens promoveerde ze in 1924 aan de Universiteit van Berlijn met een proefschrift over ‘Prepsychotische persoonlijkheid bij Dementia Praecox’.3 Voor haar praktijkopleiding werkte ze in ziekenhuizen in Chemnitz en Berlijn, waaronder het gemeentelijk psychiatrisch ziekenhuis in Buch, nabij Berlijn.4,5 Haar specialisatie was neurologie. In 1924 werkte ze in Sanatorium Waldhaus, Nikolassee bij Berlijn.

In 1927 verrichtte Weinberg onderzoek op de genealogische afdeling van het Duitse Onderzoeksinstituut voor Psychiatrie, Kaiser-Wilhelm-Institut in München van Ernst Rüdin. Van 1916 tot 1927 publiceerden Ernst Rüdin en zijn collega’s bij dit Duitse onderzoeksinstituut artikelen over het risico op dementia praecox (DP)6 bij broers en zussen (Rüdin, 1916), kinderen (Hoffmann, 1919) en neven en nichten (Schulz, 1926). De vierde studie in deze reeks is geschreven door Irma Weinberg. Hierin werden wederom neven en nichten van DP-patiënten onderzocht (Weinberg, 1928). Weinberg maakte, net als de auteurs van de andere artikelen in deze reeks, gebruik van destijds geavanceerde statistische methoden om het risico op ziekte bij DP te bepalen in unieke en informatieve groepen familieleden.

Deze studies waren baanbrekend voor methoden die ook vandaag de dag nog cruciaal zijn voor de psychiatrische genetica. Weinberg stelde zich twee doelen voor haar onderzoek. Het eerste was de beantwoording van een wetenschappelijke vraag: hebben neven en nichten, als een relatief verre verwantengroep van een schizofreniepatiënt, ook een aanzienlijk verhoogd risico op de ziekte, zoals eerder was vastgesteld voor broers en zussen, kinderen, neven en nichten? Het tweede doel was om aanbevelingen te doen over de implicaties van deze bevindingen voor ‘huwelijksadvies’.

Weinberg bestudeerde DP-gerelateerde persoonlijkheidskenmerken en toonde een familiaire link aan tussen deze kenmerken en het risico op DP. Uit de studie bleek dat het risico op DP bij broers en zussen veel hoger lag dan bij neven en nichten van DP-patiënten. Ze liet zien dat het risico op DP bij neven en nichten aanzienlijk werd beïnvloed door de aanwezigheid van psychose en persoonlijkheidsstoornissen bij voorouders.7 Irma was van mening dat binnen het onderzoeksveld van erfelijke prognostische psychosen de families van schizofrenen aandacht verdienden gezien de frequentie en het ongunstige verloop van deze ziekte.

In de tijd waarin Weinberg aan haar project werkte, bekleedde Rüdin een functie aan de Universiteit van Basel in zijn geboorteland Zwitserland. Het is niet bekend in hoeverre ze contact met hem had, noch in welke mate hij bij haar project betrokken was.

Ernst Rüdin in 1944
Ernst Rüdin in 1944
Na de opkomst van Hitler in Duitsland raakten Rüdin en zijn instituut (in 1927 werd het Kaiser Wilhelm Instituut voor Antropologie, Menselijke Erfelijkheid en Eugenetica (KWI-A) in Berlijn-Dahlem opgericht) betrokken bij het eugenetische beleid van de nazi’s, wat vragen opriep over mogelijk politiek misbruik van wetenschappelijke bevindingen in het algemeen en die uit het vakgebied van de psychiatrische genetica in het bijzonder.8 Diezelfde Ernst Rüdin werd ook een van de bedenkers van het eugenetica-programma van de nazi’s en het brein achter de gedwongen sterilisaties.

Rüdin werd een fervente voorstander van de theorie dat het Duitse ras al te ‘gedomesticeerd’ aan het worden was en daardoor degenereerde in hogere aantallen geestesziekten en andere aandoeningen. De angst voor degeneratie was destijds internationaal enigszins gebruikelijk, maar de mate waarin Rüdin zich hierin vastbeet was wellicht uniek; vanaf het allereerste begin van zijn carrière spande hij zich voortdurend in om zijn onderzoek te vertalen in politieke actie. Ook vestigde hij herhaaldelijk de aandacht op de financiële last voor de maatschappij van zieke en gehandicapte mensen.9

Na haar onderzoek op de genealogische afdeling van het Duitse Onderzoeksinstituut voor Psychiatrie, Kaiser-Wilhelm-Institut in München werkte Irma Weinberg in een privépraktijk in Berlijn, Chemnitz en Frankfurt. In de Altstadt van Frankfurt had zij samen met haar broer een praktijk voor veelal armen.10 Haar broer Frederick Julius Weinberg (1893 Frankfurt am Main-1951 Manhattan, New York) was ook zenuwarts.11

Toen de nationaalsocialistische regering in 1933 aan de macht kwam, legde deze draconische beperkingen op aan Joodse artsen. Irma was lid van de Vereniging van Socialistische artsen, die al in maart werd verboden.12 Zij was ook lid van ‘Verband Deutscher Medizinalpraktikanten’, een organisatie die opkwam voor de belangen van jonge en nog niet gevestigde artsen in en na de Eerste Wereldoorlog. Hun toekomst was zonder perspectief. Mogelijk is zij vanwege haar socialistische sympathieën, de beroepsmatige perspectiefloosheid en het feit dat zij vanaf april 1933 als Jood te boek stond en daarom lastig kon werken, geëmigreerd naar Nederland.

Paedagogium Achisomog
Paedagogium Achisomog, ca. 1936, met op de achtergrond het woonhuis van de directeur Fuldauer, waar thans het Herinneringscentrum Het Apeldoornsche Bosch is gevestigd (CODA).

Zij kwam op 31 mei 1934 naar Nederland. Als reden voor haar verblijf in Nederland is genoteerd dat zij als zenuwarts haar praktijk in Duitsland niet meer mocht uitoefenen en dat zij zich in Nederland heeft gevestigd ‘ter verkrijging van andere bestaansmiddelen’. Ze staat geregistreerd als kinderverzorgster.13 Zij werkte vanaf 20-9-1934 in Het Apeldoornsche Bosch, een Joods Psychiatrische inrichting, als psychologe in de kinderafdeling Paedagogium Achisomog voor kinderen met een verstandelijke beperking, eerst als volontair en later kreeg zij een toelage.

Weinberg mocht niet als arts in Nederland werken als gevolg van wetgeving met betrekking tot immigranten. Het Departement van Volksgezondheid was tegen de aanstelling van buitenlandse artsen omdat dit de belangen van Nederlandse artsen zou schaden. Irma zette naast haar arbeid in Achisomog de systematisering van het materiaal van het erfelijkheidsonderzoek van Jacques Lobstein voort.14

SAA 1066 466
SAA 1066 466

Lobstein, psychiater en vanaf 1936 geneesheer-directeur in Het Apeldoornsche Bosch, maakte mede onder invloed van de artikelen van Ernst Rüdin een studie van de erfelijkheidsleer in de Joodse gemeenschap.15 Lobstein had hiervoor de klinische én genealogische gegevens van alle Joodse psychiatrische patiënten in Nederland uit de archieven van Het Apeldoornsche Bosch en alle Nederlandse psychiatrische klinieken, sanatoria voor zenuwzieken en krankzinnigengestichten geïnventariseerd. Voor de bewerking hiervan kon hij de hulp van Irma Weinberg goed gebruiken, zodat zij uiteindelijk beschikten over de geneeskundig-genealogische documentatie ‘omtrent al wie in het Nederlandsche Jodendom sinds 1843 zenuw- of geestesziek geweest is’.16 Dat lijkt min of meer een logisch vervolg van haar onderzoek naar erfelijke prognostische psychosen in München en zal Irma zeer hebben aangesproken. Tenslotte was dementia praecox (DP) een vaak voorkomende aandoening in het algemeen en in het bijzonder binnen de Joodse gemeenschap.

Jacques Lobstein
Jacques Lobstein (CODA)
Weinberg werd betaald uit het Fonds voor wetenschappelijk werk en kreeg aanvankelijk kost en inwoning. Zij kreeg f 300 per jaar en van particuliere zijde nog eens f 300.17 Dr. Kat vond dat de honorering niet in verhouding stond tot de hoeveelheid werk. De voorzitter van de regenten, Godfried Parser, meende dat er ook Nederlandse artsen waren die dit werk zouden willen doen. Hoe groter de beloning voor deze Duitse vluchtelingen hoe onbillijker hij het ten opzichte van Nederlandse artsen vond. De regenten van Het Apeldoornsche Bosch, dr. Joseph Bernhard Rosenberg Polak en dr. Jacques Louis Gompertz waren dit niet met hem eens, omdat niemand bereid zou zijn onder de gestelde condities werkzaam te zijn. Toch kreeg zij een toelage van f 150 per jaar.18 In 1940 had zij uiteindelijk een belastbaar inkomen van f 950 per jaar.19 Een gediplomeerde verpleegkundige verdiende beduidend meer.

In 1937 publiceerde ze samen met Lobstein een artikel over de genetica van manisch-depressieve ziekten, waarin specifiek de methoden van de Münchense school werden gevolgd. Vervolgens publiceerden zij in 1943 een tweede artikel over erfelijkheid en schizofrenie.20

In 1939 vertrok haar moeder Recha Stern met haar zoon Frederick Julius (Fritz) Weinberg, via België naar New York.21 Maar niet nadat ze Irma hadden bezocht in Apeldoorn. In december 1938 kregen zij hiervoor toestemming.22

weinberg

Irma stond financieel garant voor de komst van haar moeder door bemiddeling van het Comité voor Joodse Vluchtelingen.23 Irma moet zich op haar plek hebben gevoeld in Apeldoorn, want anders had zij de gelegenheid te baat genomen met haar broer en moeder mee te gaan. Haar zus Rosa Weinberg (1889 -Haifa 1986) was gehuwd met een neef Friedrich Geis (1888-1962) en vertrokken naar Palestina.24

Op haar personeelskaart van de inrichting stond haar broer als contactpersoon vermeld: dr. F.J. Weinberg, Fichardstraat 44a Frankfurt am Main. Op een personeelskaart specifiek van Achisomog staat een ander adres van hem in Frankfurt. Later werd dit adres vervangen door een adres in New York. Ook wordt een correspondentieadres in Amsterdam van een ‘Nosbaum’ in de Schubertstraat 62 vermeld. Op dat adres woonde Sally (Salomon) Nossbaum (1879-1945), gehuwd met Elise Halle (1882-1945) en hun gezin. Elise Halle was een gezamenlijke kennis van Irma en haar broer uit Frankfurt. Het gezin woonde in Frankfurt am Main, waar Salomon Nossbaum een ​​groothandel in textiel en stoffen runde. In 1930 opende Salomon Nossbaum vestigingen in Straatsburg en Amsterdam. Toen het naziregime Nossbaum onder druk zette om zijn bedrijf in Frankfurt op te geven, besloten de Nossbaums te emigreren naar Amsterdam in Nederland.

irma weinberg personeelskaart
SAA 1066 466

Irma schreef 14 oktober 1942 broer Fritz in New York via het Rode Kruis: ‘Ich selbst sowie Elise [Elise Nossbaum-Halle uit Amsterdam] und Familie gesund und alles bei uns beim alten. Sehr erfreut dass Du Arbeit im alten Beruf hast. Kuss Irma.’ Fritz schreef 16-3-1943 terug: ‘I have a good position in a private mental hospital. Mama and I are healthy, Rose [zus] and husband are well. They write regularly, much love Fritz, Mama.’25

Irma kende in ieder geval de familie Nossbaum en zal regelmatig in Amsterdam hebben vertoefd. In het vooroorlogse Joodse Amsterdam zal zij op een of andere manier een kennissenkring hebben opgebouwd waarin zij op enig moment Arthur Mendel, haar echtgenoot, heeft ontmoet. Hoe Arthur Mendel en Irma Weinberg elkaar hebben ontmoet is niet duidelijk.

Arthur Mendel (14-5-1901 geboren in Halle An Der Saale, bibliothecaris en genealoog), was de oudste zoon van Max Mendel (1871-1944) en van Toni Herzfeld (1875-1901). Zijn moeder stierf kort na zijn geboorte. Zijn vader hertrouwde met Rosi Mühlfelder, die overleed in 1929. Zij kregen samen de kinderen Karola (Lola) Mendel (1907- 2002) en Hans Hermann Mendel (1905-1987).

Na een korte leertijd bij de handelsfirma A. Huth & Co, die Arthur niet prettig vond, kwam hij terecht bij een boekhandel in Hamm, Westfalen, waar hij zich als bibliofiel kon uitleven. Arthur werd – vlak na de Kristallnacht – vastgezet in Buchenwald op 2 december 1938.26 Op 16 januari 1939 werd hij vrijgelaten. Hij had op dat moment de keus naar Shanghai te vertrekken of naar Nederland. Zijn halfbroer Hans (1905-1987) woonde sinds eind 1938 in Amsterdam en adviseerde hem naar Nederland te komen vanwege het goede klimaat. Arthur had geen goede gezondheid. Hans heeft zich zijn hele latere leven schuldig gevoeld over dit advies, gezien de afloop van de gebeurtenissen.27

Arthur werd door de Gestapo over de landsgrens naar Nederland gebracht en kwam aanvankelijk terecht in de Quarantainestraat 1 in Rotterdam en woonde vanaf februari 1939 in de Quarantainebarakken aan de Zeeburgerdijk 321 in Amsterdam.28 Arthur deed in april 1939 en juni 1940 een vergeefse emigratiepoging naar de USA. In november 1940 probeerde hij ook tevergeefs naar Chili te gaan, waar een oom woonde. Hij moest 27 februari 1940 naar Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork, dat toen nog onder beheer viel van het departement van Binnenlandse zaken. Nadat Westerbork een doorgangskamp voor Nederlandse Joden werd en was overgedragen aan de Duitse bezetter, behoorde Arthur Mendel tot het ‘Stammlager’ (de eerste buitenlandse vluchtelingen in Westerbork).

Arthur Mendel
Arthur Mendel (privé bezit Max Mendel documents)
Op 16 juli 1942 leek Arthur, als Duitse Jood, aan de beurt te zijn voor deportatie naar de werkkampen in ‘het Oosten’, omdat er te weinig Nederlandse Joden in Westerbork waren. Toen hij in zijn barak de rugzak moesten pakken is hij door het raam geklommen en heeft hij zich met hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, diarree en zwakte in de ziekenbarak gemeld.29 Dat redde hem.

De groep van het Stammlager kon lange tijd zonder bezwaar uit Westerbork naar Amsterdam reizen.30 Arthur kon zich verplaatsen naar Amsterdam en kan mogelijk bij de bezoeken aan zijn broer in Amsterdam op een of andere wijze kennis hebben gemaakt met Irma. Uit naoorlogse brieven blijkt dat Irma bij de familie Mendel over de vloer kwam wellicht al voor de Duitse inval. Hans Mendel realiseerde zich in 1945…

…de liefde moet echter vooraf groot zijn geweest, want toen Irma nog vrij was en ze bij ons op bezoek kwam, wilde ze van ons weten, of we Arthur geen aardig mens vonden en met deze goedkeuring wilde ze haar eigen neiging bevestigen, een soort huwelijksinstemming. Het werd mij pas later duidelijk.31

Bij de beestachtige ontruiming van Het Apeldoornsche Bosch door de Duitse bezetter, waarbij ruim 1.100 patiënten en personeelsleden op transport werden gesteld naar Auschwitz en vermoord, is Irma met de andere personeelsleden 22 januari 1943 naar Westerbork gebracht. Waar Arthur op dat moment was, in Apeldoorn, Amsterdam of Westerbork is niet helder. Zij moeten al net voor de ontruiming trouwplannen hebben gehad want hun huwelijk is nog in Apeldoorn afgekondigd. Op 6 februari 1943 kwam het bericht dat de afkondiging van het huwelijk in Apeldoorn zonder stuiting had plaatsgevonden. Zij trouwden in Westerbork op 17 februari 1943. Getuigen waren Heinz Umrath (1905, Berlijn)32, in 1936 naar Nederland gevlucht, links georiënteerd. Hij was secretaris van de Joodse Raad, afdeling Westerbork. Hij overleefde in Westerbork de oorlog. De andere getuige was Walter Vogel (1907, Mainz) jurist; deze overleefde transport naar Bergen Belsen in 1944 en naar Biberach.

De familie Mendel hoorde onder andere van Hans Schloss, dat Arthur velen in het kamp mentaal ondersteunde door zijn ‘rustige en nuchtere manier van doen, zijn oneindige bereidheid om te helpen en zijn ontroerende ondersteuning van werk als bibliothecaris’. Irma was blijkbaar net zo bescheiden als Arthur.33 In Westerbork zou Irma gewerkt hebben als arts in het ziekenhuis, maar dat stond haar niet aan, omdat de patiënten toch op transport gingen. Ze vond meer bevrediging in het werken op de afdeling waar de nieuwe Joden binnenkwamen en onderzocht moesten worden op besmettelijke ziekten.34

Weinberg en Mendel moesten aanvankelijk 1 februari 1944 naar Bergen-Belsen.35 Arthur liep echter een herniabreuk op tijdens het verslepen van de bagage met hun vele boeken naar de trein in Westerbork. Irma heeft hem uit de trein gehaald en gevochten als een leeuwin toen men hem wilde wegsturen, waardoor hij achter kon blijven met Irma. Arthur werd direct geopereerd op 1 februari 1944. Nadien was hij erg mager, maar kwam weer op gewicht.36 Birnbaum van de Joodse Invalide (instelling voor verpleging van Joodse bejaarden en gehandicapten in Amsterdam) die veel met Arthur optrok, vertelde de familie Mendel dat Irma Arthur op roerende wijze heeft verzorgd en verwend na zijn operatie. Hans Mendel wist zeker dat het niet alleen een verstandshuwelijk is geweest. Dat zou je kunnen denken omdat Arthur als ‘alter Lager Insassen’ (tijdelijk) bescherming tegen deportatie bezat.37

NA NRK 2.19.296
NA NRK 2.19.296

Op 2 september 1944 meldde kampcommandant Albert Konrad Gemmeker dat het kamp drastisch ingekrompen moest worden.38 Er moest worden geëvacueerd; alleen een kleine groep mocht blijven om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. Mendel en Weinberg zijn op 4 september 1944 samen gedeporteerd naar Theresienstadt.39

NA NRK 2.19.296
NA NRK 2.19.296

Op 15 september 1944 schreef Arthur Mendel vanuit Theresienstadt aan oom Simon Mühlfelder (familie van zijn stiefmoeder Rosi Mühlfelder) in Waidmanslust-Berlin, dat hij een keer per acht weken mag schrijven en een pakketje ontvangen via de Reichsvereiniging der Juden Deutschland in Berlijn. Uit de brief blijkt dat de oom Irma nog niet kent. Hans kreeg een brief van Arthur en Irma uit Theresienstadt, daarna hadden ze geen contact meer.40

Van een mevrouw Schutz, die met Irma in Westerbork en Theresienstadt verbleef, hoorde Hans Mendel dat Irma er niet op had gerekend in Westerbork te kunnen blijven. In Theresienstadt moesten de mannen op 29 september 1944 verder trekken naar Auschwitz. De echtgenotes konden vrijwillig meegaan. Dat wilde Irma.

NA NRK 2.19.296
NA NRK 2.19.296

Op het laatste ogenblik konden de vrouwen niet mee, maar zouden in een apart transport volgen. Op 1 oktober 1944 moest Irma ook naar Auschwitz. Het was de vraag voor Hans of ze ooit nog zijn samengekomen. Hij heeft overal geïnformeerd, maar ieder spoor ontbrak. Hans Mendel bleek een breed netwerk te hebben van teruggekeerde informanten, tot in Theresienstadt. Hans Mendel onderhield ook na de oorlog contact met de moeder, die in 1948 overleed en de broer (die in 1951 overleed) van Irma.

Hans Mendel vernam in 1957 van het Nederlandse Rode Kruis (NRK) dat broer Arthur ‘gilt als spätestens am 21.1.1945 in der Umgebung von Auschwitz verstorben’ en zijn Irma ‘gilt als am 3.10.1944 verstorben’.41 De getuige van hun huwelijk, Walter Vogel, vroeg in 1959 een in het Duits gestelde verklaring van overlijden. Waarschijnlijk op verzoek van broer Hans Mendel.42

De Commissie tot het doen van aangifte van overlijden van vermiste personen heeft hun overlijden niet laten publiceren in de Staatscourant, zodat voor geen van beiden ooit een akte van overlijden is opgesteld.

Naschrift:

Max Mendel documents: bij het onderzoek naar Het Apeldoornsche Bosch kwam ik in aanraking met een bijzonder archief dat privébezit is. De Joodse familie Mendel, verspreid over vrijwel alle werelddelen, heeft voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog driftig met elkaar gecorrespondeerd. Een flink aantal was tijdig gevlucht. Het is dan ook sociologisch interessant. Het archief is al deels geïnventariseerd, waardoor ik er gebruik van kon en mocht maken. De familie wil het archief graag onderbrengen op een verantwoorde plek die toegankelijk is.

Noten

1 – https://www.geni.com/people/Irma-Weinberg/6000000000061327715
2 – Prive bezit: Mendel documents B 296A en B111
3 – Berlin, Diss. Med. v. 1924. Bijdrage aan de pre psychotische persoonlijkheid bij dementia praecox (Weinberg, 1924).
4 – Buch staat bekend omdat vanaf eind maart 1940 de eerste lichamelijk en geestelijk zieke patiënten uit Buch naar de euthanasiecentra van Bernburg en Brandenburg werden vervoerd.
5 – https://geschichte.charite.de/aeik/biografie.php?ID=AEIK00853
6 – Dementia praecox (“vroegtijdige dementie” of “vroegtijdige waanzin” is een verouderde psychiatrische diagnose die oorspronkelijk een chronische, progressieve psychotische stoornis aanduidde, gekenmerkt door een snelle cognitieve achteruitgang, meestal beginnend in de late tienerjaren of vroege volwassenheid. In de loop der jaren werd de term dementia praecox geleidelijk vervangen door de term schizofrenie. De aandoening kan gepaard gaan met hallucinaties (het horen van stemmen), paranoia, wanen en denkstoornissen.
7 – https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1002/ajmg.b.32937 Irma Weinberg’s 1928 paper “on the problem of the determination of heredity prognosis: The risk in the cousins of schizophrenics”
8 – https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1002/ajmg.b.32937
9 – https://en.wikipedia.org/wiki/Ernst_R%C3%BCdin
10 – Max Mendel documents B296A
11 – https://www.wikitree.com/wiki/Weinberg-160
12 – https://berlingeschichte.de/bms/bmstxt96/9605prod.htm
13 – CODA 193 Gemeentepolitie Apeldoorn 193 inv. 434
14 – SAA 1066 46 p 71 notulen g 26-2-1936
15 – Lobstein mocht dan gecharmeerd zijn van de onderzoeksmethoden van Rüdin en zijn instituut, maar was dat uiteraard niet van het latere politieke misbruik van wetenschappelijke bevindingen.
16 – Lieburg, M.J. van, Genealogie en geneeskunde in Nederland Een historische verkenning en praktische handreiking Jaarboek CBG 2006
17 – SAA 1066 48 p 11 notulen 12-1-1938
18 – SAA 1066 46 p 116 en 117 notulen 22-4-1936
19 – CODA 193 Gemeentepolitie Apeldoorn 193 inv. 434
20 – Weinberg, I., and Lobstein, J. Inheritance in schizophrenia. Acta Psychiatrica et Neurologica
Scandinavica, 93-140, 1943. En in: Afkomst en toekomst; driemaandelijks tijdschrift voor anthropobiologie en eugenetika, tevens orgaan van de Eugenetische Vereeniging in Nederlandsch-Indië, jrg 3, 1937
21 – https://www.wikitree.com/wiki/Stern-815#_note-12
22 – CODA 193 Gemeentepolitie Apeldoorn 193 inv. 448
23 – CODA 193 Gemeentepolitie Apeldoorn 193 inv. 448
24 – https://www.geni.com/people/Irma-Weinberg/6000000000061327715
25 – SAA 1066 CIK 162 9/10
26 – http://www.gedenkbuch.halle.de/gbdatensatz.php?num=187
27 – Interview Bruno Mendel (1956-2025) 15-4-2024 LB.
28 – Max Mendel documents B546A
29 – Max Mendel documents B 152A
30 – Dankzij een verzoek van de Joodse Raad 15-6-1942
31 – Max Mendel documents B296A: Hans Mendel in een brief aan zijn zus Lola in New York 29-10-1945.
32 – Schreef over Nederland: ‘Neu Beginnen in Holland; Krieg, Verfolgung und Befreiung 1936 – 1949’ (aanwezig bij NIOD).
33 – Max Mendel documents B296B
34 – Interview Bruno Mendel (1956-2025) 15-4-2024 LB.
35 – 1-2-1944 naar BB zie 2.19.296
36 – Max Mendel documents B296B
37 – Max Mendel documents B296B
38 – NIOD 2501 inv 510 Ottenstein p58
39 – 4-9-1944 Th 2.19.296 inv 651 p 29
40 – Max Mendel documents B198A april 1946
41 – Max Mendel documents B 468
42 – NA NRK toegangsnummer 2.19.288, inv.nr. 84179, dossiernummer 95966

×