Die Delfgaauwse Weye
In mijn jeugd logeerde ik vaak bij mijn tante en oom in het Heilige Land. Die fraaie naam hoorde bij een vooroorlogse katholieke arbeidersbuurt ten oosten van het historische centrum van Delft. Vlak achter de buurt, aan de overkant van wat toen het Vondelparkje en inmiddels het Heilige Landpark heet, doemt een torenflat met tien etages op. Aangezien we zelf in een torenflat in een ander deel van de stad woonden, kwam dit gebouw me destijds niet als bijzonder voor. Nu weet ik dat de flat het hart was van een experimentele buurt met sociale woningbouw. De flat wordt wel de oudste torenflat van Delft genoemd. Frappant is dat hij om deze titel ‘wedijvert’ met de flat waarin ik toen woonde.
De buurt waaraan het Heilige Land grensde heette Die Delfgaauwse Weye en was ontworpen door Samuel van Embden (1904-2000), in opdracht van de op socialistische leest geschoeide Algemene Woningbouwvereniging Volkshuisvesting. Van Embden was stedenbouwkundig adviseur van Delft in de wederopbouwperiode en oprichter van wat tegenwoordig architectenbureau OD205 is. De buurt (genoemd naar het oude ‘voetpat na Delfgaauwse Weyde’, het weiland van Delfgauw) werd gebouwd in de periode 1955-1959 en startte als huisvesting voor ouderen.
Van Embden maakte in 1952 met het bestuur van Volkshuisvesting en een aantal architecten een studiereis naar Kopenhagen, waar al bejaardenflats waren gebouwd. Ze waren enthousiast over wat ze zagen, met name de combinatie met kleuterscholen konden ze waarderen. Grappig om te lezen is hoe Van Embden jaren later, in een interview in de Delftsche Courant uit 1994, vertelde wat hem gemotiveerd had om een ‘kindercrèche’ (in feite kleuterschool De Kleuterweye) bij het bejaardentehuis te bouwen:
Gewoon, omdat dat zo goed bij elkaar past: een kind dat speelt op straat en een bejaarde die hier naar kijkt.
Van Embden ontwierp een nieuwe buurt waarin alle levensfasen samenkwamen. Bejaarden moesten niet in een isolement terechtkomen, maar nog volop deelnemen aan het gemeenschapsleven, was de gedachte. Het resultaat was ‘opzienbarend’ volgens Ingrid van der Vlis, die een mooie geschiedenis van Die Delfgaauwse Weye schreef.1 Eerst kwamen er kleine portieketagewoningen, grotere eengezinswoningen en aanleunwoningen voor oudere echtparen. De torenflat kwam gereed in 1959. Hier kwam plek voor 70 ouderen in de verzorging, 42 appartementen voor gezinnen en 21 voor alleenstaanden. Deze laatste waren specifiek bestemd voor werkende vrouwen, zeven voor één persoon en veertien voor twee personen. Behalve de woningen en de kleuterschool bood de torenflat ook een eet- en recreatiezaal, een centrale keuken en een knutselruimte, die ook toegankelijk waren voor de andere buurtbewoners. De flat had liften gekregen, hoewel een bestuurslid van de woningbouwvereniging erop aandrong dat er ook een trap zou komen omdat ‘de oudjes toch wel wat beweging moesten hebben’.
Bijzonder was verder dat niet alleen in de flat maar ook in de omliggende woningen centrale verwarming werd aangelegd, tot dan op dergelijke schaal ongekend voor sociale woningbouw. De portiekflats kregen voorzieningen als vuilstortkokers en boodschappenliften en in de souterrains gemeenschappelijke was- en droogruimtes, terwijl er in de torenflat een strijkinrichting kwam.

De eengezinswoningen in de buurt zijn in de loop der jaren gemoderniseerd en een deel ervan heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouw, waaronder ook koopwoningen. Ook de torenflat is verschillende malen grondig gerenoveerd en geherstructureerd. Zo waren er tot 1972 slechts drie toiletten op elke achttien bewoners! Cultuurhistorisch opmerkelijk is de renovatie die plaatsvond in 2017, want toen is de torenflat opnieuw geschilderd in de ‘kleuren van weleer’, de oorspronkelijke kleuren uit 1959. Het is een gebouw met een modernistische uitstraling, overwegend wit met rode bakstenen strips langs de inpandige balkons en blauwe accenten op andere plaatsen.
Tegenwoordig biedt de flat onder meer appartementen waar mensen met een licht verstandelijke beperking zelfstandig kunnen wonen. Voor de flat staat nog altijd De Gemeenschap uit 1960, een beeldengroep in geboetseerd beton van de Haagse beeldhouwer Rudi Rooijackers (1920-1998). Een ontroerende kolos tussen figuratie en abstractie in, met een grote zeggingskracht.
De Kuyperwijk
In de Kuyperwijk, in het noordwesten van Delft, waren tussen 1956 en 1958 drie identieke galerijflats met tien etages gereedgekomen. Wij woonden in de laatste, de achterste, met uitzicht op de tuinbouwkassen van het Westland. Anders dan ik vroeger dacht, was onze flat geen willekeurig bouwsel, lukraak neergegooid in de ruimte, maar onderdeel van een wederopbouwwijk van hoge stedenbouwkundige kwaliteit, geprezen vanwege onder meer zijn ‘gevarieerde blokopbouw met zorgvuldig geplaatste hoogbouw’.
De Kuyperwijk maakte deel uit van het stedenbouwkundig structuurplan van Samuel van Embden, en was opgezet ‘volgens zijn principe van de “organische stad”: een combinatie van de wijkgedachte (de wijk als een ruimtelijk zelfstandige eenheid met eigen voorzieningen) en een organische aansluiting van elke nieuwe wijk op de bestaande stad’.2

De wijkgedachte moet niet alleen wat betreft de ruimtelijke structuur, maar ook in sociale zin een leidraad zijn geweest bij Van Embdens stedelijk ontwerp van de Kuyperwijk. Ik denk dat een wijkgedachte light vanzelf gestalte kreeg in veel nieuwbouwbuurten van de wederopbouw. De wijk als lokale eenheid was geen gesloten gemeenschap, maar de plek waar mensen van de verschillende zuilen met elkaar samenleefden en op elkaar betrokken waren. Geen egalitaire idylle, maar een praktische gemeenschap van bewoners van een zekere verscheidenheid, die elkaar tegenkwamen op straat en in de winkels, op school, in de kerk, de openbare bibliotheek, het park met zijn sportvelden, de speeltuin. ‘Een veilige buurt met veel ruimte en brede stoepen waar je geweldig kon buitenspelen,’ herinnert een klasgenoot zich.
De vaders waren veelal in dienst bij de grote werkgevers van de stad. Dit was op de eerste plaats de Delftsche Nijverheid, zoals de verzamelnaam luidde van de bedrijven die in de negentiende eeuw waren opgericht door de sociaal bewogen industrieel Jacques van Marken: de Gist- en Spiritusfabriek, Calvé, de Lijm- en Gelatinefabriek – die met elkaar wedijverden in het verspreiden van de meest penetrante stank – en Drukkerij Van Marken. Ook werkten er vaders bij de Kabelfabriek en aan de Technische Hogeschool. Zij werkten als fabrieksarbeider of kantoorpersoneel en een enkeling als ingenieur. Tot de grotere welvaart in de loop van de jaren zestig was sprake van een wijkgemeenschap zonder grote uitschieters in economische positie.
Flats met kamer en suite

…een grote eenheid in schaal en ritme, omwille van een rustige en gezonde verschijning, gespeend van vluchtige grapjes.3
De draagconstructie van de flatgebouwen bestaat uit gewapend beton, bekleed met baksteen. Iedere verdieping telt zes appartementen. Destijds had de flat een piepkleine lift die maar tot de negende verdieping ging, waardoor de tiende verdieping een wat geheimzinnig aura had, alsof daar vreemde wezens woonden. Terwijl de maisonnettes en portiekwoningen in de buurt nog kolenkachels en -kelders hadden, was er in onze flat oliegestookte blokverwarming aangelegd. Centraal Woningbeheer, het gemeentelijk woningbedrijf, had daarmee de controle over de verwarmingsinstallatie en besliste dat mensen het prima konden overleven als de verwarming alleen aan zou zijn tussen 1 oktober en 30 april. In sommige jaren smachtten we naar die eerste oktober, het was vaak niet te harden van de kou. In de slaapkamers waren bovendien geen radiatoren. Pas bij een grootscheepse renovatie in 1994 hebben de torenflats individuele centrale gasverwarming gekregen. Ook zijn er meer liften geïnstalleerd en zijn balkons tot loggia’s getransformeerd.
De woonkamer was een moderne variant van de kamer en suite: hij was door een brede schuifdeur verbonden met wat wij de ‘achterkamer’ noemden, zodat de bewoners indien gewenst over twee woonvertrekken konden beschikken. Onze benedenbuurman, met wiens kinderen mijn broertje en ik bevriend waren, was amateurgoochelaar en op verjaarspartijtjes voerde hij letterlijk tussen de schuifdeuren een schitterende show op met kaarttrucs en met confettiregens die uit zijn hoge hoed spoten. Bij ons sliepen mijn ouders in de achterkamer.

Als ik eerlijk ben, vond ik het niet alleen maar leuk om in een torenflat te wonen. Dicht bij de hemel wonen en de horizon kunnen afkijken was bijzonder. Maar daarnaast was er praktisch ongemak: ik werd naar beneden gestuurd om de post en de krant uit de brievenbus in de hal te halen, of om de plasticzakjes drinkwater op te halen die werden gedistribueerd in tijden dat het uit de Maas bij Rotterdam afkomstige kraanwater weer eens te vervuild was voor consumptie.
Ook niet fijn was de loeisteile trap waarover je je fiets naar de duistere kelderboxen moest leiden. Het vervelendst was het gevoel van isolement dat het flatleven hoog in de lucht soms veroorzaakte, vooral in de winter. Behalve onze onderbuurkinderen herinner ik me weinig andere kinderen uit de toren. Beneden in de straat was het allemaal te doen – dáár speelden de kinderen, belden bij elkaars huizen aan, liepen moeiteloos bij elkaar naar binnen. Wij moesten altijd eerst met die lift.
Mijn broertje van vijf werd ternauwernood van de afgrond gered toen hij een keer bovenop de reling van de galerij was geklommen. Ik las dat volgens de wijkgedachte de vroeg-naoorlogse hoogbouw, dat wil zeggen gebouwen van zes verdiepingen of meer, ook niet bedoeld was voor gezinnen met kinderen. Die hoogbouw werd geschikt geacht voor alleenstaanden en gezinnen zonder kinderen, de laagbouw voor gezinnen met kinderen en bejaarden. Portiekflats en maisonnettes waren voor kleine gezinnen, terwijl grotere gezinnen het beste ondergebracht konden worden in laagbouw oftewel eengezinswoningen. Eigenlijk meer zoals het was georganiseerd in Die Delfgaauwse Weye.

Menselijke maat
Door nieuwe bouwtechnieken was de bouw van flats in de jaren zestig geëxplodeerd, met wijken als de Bijlmermeer in Amsterdam, Voorhof in Delft en groeikern Zoetermeer als uitkomst. Halverwege de jaren zeventig kwam er een vrij abrupt einde aan de bouw van flats. Decennialang werd er weinig hoogbouw voor woningen gebouwd. Mensen wilden liever een doorzonwoning met een tuintje. In de eenentwintigste eeuw is de woningnood een dominant maatschappelijk probleem. Stapelen van woningen is opnieuw een oplossing geworden. Naast lagere appartementencomplexen klimmen de woongebouwen op sommige plaatsen hoger dan ooit. De hoogste van meer dan 150 meter staan in Rotterdam, maar ook in de Delftse Kuyperwijk is in 2007 de 75 meter hoge Vermeertoren opgeleverd.

Gebouwen van hooguit acht verdiepingen bieden een menselijker maat, vooral als ze rond groene straten en pleinen gegroepeerd zijn en goed bereikbaar zijn. Het gaat niet om de hoogste toren, zegt Zandbelt, ‘maar om het fijnste straatleven’, om een fijne woonplek met een diversiteit aan voorzieningen waar je gewoon naartoe kan lopen via prettige publieke plekken met water, vegetatie en mensen.4
Natuurlijk zijn de torenflats uit de jarenvijftigbuurten geen een-op-een spiegel voor die nieuwe middelhoge woongebouwen in de steden. Toch denk ik dat ze, vanwege de menselijke maat en de samenhang van wonen en de wijdere omgeving, echo’s uit het verleden zijn die de toekomst kunnen inspireren.
2 – Gemeente Delft, Bestemmingsplan Noordwest, deelgebied 3 (Hof van Delft/Voordijkshoorn), 2011, hoofdstuk 8 ‘Cultuurhistorie’.
3 – David Keuning, Piet Tauber (1927). Bouwen naar opdracht. Rotterdam: Stichting BONAS, 2012.
4 – Gesprek met Daan Zandbelt over hoogbouw als emotie. Podcast Architectenweb, 11 november 2024.
De wederopbouw van de Lage Landen
In 1982 werd de vijf miljoenste woning van Nederland opgeleverd
Volksvijand nummer één: de strijd tegen de naoorlogse woningnood
De gloriejaren van de doorzonwoning
Het Industriegebouw in Rotterdam