Jacob van Heemskerck (1567-1607), de eerste echte Nederlandse zeeheld
Jacob van Heemskerck was de eerste gesneuvelde admiraal die een grafmonument op staatskosten kreeg. Zonder twijfel kan hij daarom de eerste echte Nederlandse zeeheld worden genoemd. Hij was als zoon van een Amsterdamse zeilmaker van betrekkelijk eenvoudige afkomst. Bekend was hij al voor zijn dood dankzij de legendarische expeditie met Willem Barentsz. naar Nova Zembla tussen 1596 en 1597, waarvan het oorspronkelijke doel was de doorvaart te vinden naar China en Japan, benoorden Azië om. Het journaal van deze reis vol ontberingen, geschreven door Gerrit de Veer, wordt tot op de dag van vandaag herdrukt.
Van Heemskerck raakte ook bekend door twee reizen naar Azië enkele jaren later. Tijdens de tweede reis veroverde hij in 1604 een grote Portugese kraak met een lading zijde en kraakporselein aan boord die op een waarde van 40 tot 70 ton goud werd geschat. Hij kreeg daar van de Staten-Generaal een beloning voor van 31.000 gulden en een gouden kop met inscriptie ter waarde van 500 gulden.

Begin 1607 benoemden de Staten-Generaal Van Heemskerck tot admiraal over een grote vloot, die naar de Spaanse kust voer. In de baai van Gibraltar viel hij daarmee de verenigde Spaanse vloot aan. Hij sneuvelde bij het tweede Spaanse schot en sprak daarbij laatste woorden uit waarin hij zijn bemanning aanmoedigde de strijd voort te zetten. Verbeten vechtend wreekten de Nederlanders daarna Van Heemskercks dood door een grote overwinning op de Spanjaarden te behalen. Geen enkel Nederlands schip ging verloren, terwijl zes Spaanse galjoenen ten onder gingen en ook de Spaanse admiraal sneuvelde.
Nadat de heldhaftige wijze waarop Van Heemskerck was gesneuveld in de Republiek bekend was geworden, werd de overledene op een nooit eerder vertoonde wijze geëerd. Deze verering stond model voor al het latere eerbetoon dat zeehelden in de zeventiende eeuw ten deel zou vallen. Er verschenen portretten op prenten en penningen in flinke oplages, pamfletten met beschrijving van zijn heldendaden en gedichten waarin hij werd bewierookt.

Voor het eerst was er sprake van een cultus rond een zeeheld die een man van gewone komaf was geweest. Eerder was alleen prins Willem van Oranje in de Republiek op dergelijke wijze geëerd. Uniek was verder met name dat Van Heemskerck een staatsbegrafenis kreeg op 5 juni 1607 in de Oude Kerk te Amsterdam, de parochiekerk van de Amsterdamse admiraliteit. Van tevoren werd bepaald dat zijn graf zou worden gemarkeerd door een ‘swaeren sarcksteen’ of een ‘matige tombe’, die op last van de Staten-Generaal als teken van dankbaarheid zou worden opgericht. Op de steen of tombe zou ook een afbeelding van de slag bij Gibraltar worden gebeiteld, die bedoeld was om als inspiratiebron voor toekomstige generaties te dienen.
Meer dan achthonderd officiële genodigden vormden de begrafenisstoet. Vele belangstellenden keken toe. Van Heemskercks teraardebestelling was de eerste staatsbegrafenis sinds die van Willem van Oranje in 1584. Voor het eerst kreeg een admiraal ook een grafmonument op staatskosten. Van Heemskercks nagedachtenis werd geëerd door een epitaaf met naast de afbeelding van de zeeslag, een verheerlijkend opschrift in het Latijn en een memorabel gedicht van P.C. Hooft, dat luidde:
Het monument werd vervaardigd door Hendrick de Keyser en kwam tot stand onder toezicht van de admiraliteit van Amsterdam en de Staten-Generaal. Kennelijk ontbrak het aan de financiën voor het oprichten van een werkelijke graftombe. Die zou Piet Hein, die in 1629 sneuvelde, als eerste krijgen, in de Oude Kerk in Delft. Al ging er toen negen jaar overheen voordat er voldoende geld was om een groot grafmonument met Piet Heins levensgrote liggende gestalte (‘gisant’) te realiseren. Beeldhouwer was niet Pieter de Keyser, zoals lang is gedacht, maar de relatief onbekende Pieter Adriaensz. ’t Hooft. Het praalgraf van Willem van Oranje door Hendrick de Keyser in de Nieuwe Kerk in Delft moet het voorbeeld zijn geweest. Na Piet Hein zouden de grote grafmonumenten voor de belangrijkste zeehelden van zo’n ‘gisant’ worden voorzien.
Van de slag bij Gibraltar zouden in de volgende jaren diverse grote schilderijen door vooraanstaande kunstenaars worden vervaardigd. Het beroemdst is een enorm schilderij van bijna twee bij vijf meter door Cornelis Claesz. van Wieringen, dat de admiraliteit van Amsterdam voor 2400 gulden voor het stadhouderlijk kwartier van prins Maurits aan het Binnenhof in Den Haag liet vervaardigen (nu in het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam). Hendrick Cornelisz. Vroom, die eerder een aantal grote schilderijen van zeeslagen en schermutselingen had gemaakt, werd voor deze opdracht gepasseerd omdat hij er maar liefst 6000 gulden voor vroeg.

De wapenrusting, de helm en het zwaard van Van Heemskerck, oorspronkelijk bij zijn graf opgesteld, bleven door de eeuwen heen als kostbare relieken bewaard. Ook de kogel die Van Heemskerck dodelijk had getroffen is lang bewaard gebleven. Blijkens een zeventiende-eeuws gedicht werd hij – o ironie – gebruikt om mosterd mee te malen.
De begrafenis op staatskosten en de grafepitaaf waren revolutionaire vernieuwingen in de verering van een gesneuvelde vlagofficier, vandaar dat Van Heemskerck zonder twijfel de eerste Nederlandse zeeheld kan worden genoemd. Tot op dat moment was de beloning voor een zeeofficier die zich had onderscheiden door het verrichten van een dappere daad een gouden medaille aan een dito keten, een fraaie zilveren beker of een zilveren schaal. Kapiteins die hadden uitgemunt kregen tot aan het begin van de zeventiende eeuw een gouden of zilveren sifflet (fluitje), maar deze verering raakte daarna in onbruik.
Een meer algemene beloning was de toekenning van een som gelds, soms in de vorm van een aandeel in behaalde buit. Al deze beloningen voor uitstekend optreden werden in de regel niet vooraf toegezegd, maar achteraf verleend. De belangrijkste werden door de Staten-Generaal uitgereikt, de minder belangrijke door de desbetreffende admiraliteit. De waarde van de eremedailles en -ketens varieerde naar gelang de rang van de bevelhebber voor wie ze bestemd waren. Vlootvoogden mochten hun eremedailles openlijk dragen…
…ter eere van het Land en tot gedachtenis van hunne vroomheid en manhaftigheid.
Alle onderscheidingen waren persoonlijk en gingen niet op afstammelingen over. Hoewel verondersteld mag worden dat veel stukken door nazaten te gelde zijn gemaakt en omgesmolten, blijkt uit het feit dat er een aantal bewaard is gebleven dat menigeen ze op hoge prijs stelde als aandenken aan een beroemde voorvader.

Een begrafenis op ’s lands kosten en de oprichting van een gedenkteken bij het graf werden vanaf 1607 de ultieme eerbewijzen voor een gesneuvelde zeeheld. Ze zouden maar een beperkt aantal malen worden verleend en na de begrafenis van Michiel de Ruyter en de oprichting van diens grote graftombe door Rombout Verhulst in de Nieuwe Kerk in Amsterdam weer in onbruik raken. De Staten-Generaal stelden zich op het standpunt dat dergelijke onderscheidingen iets speciaals moesten blijven en derhalve alleen aan zeeofficieren te beurt zouden vallen die waren gesneuveld na een uitmuntende carrière. Buitengewone plichtsbetrachting diende uitzonderlijk te worden beloond.
Het lijkt er sterk op dat de eerbewijzen zeeofficieren extra hebben aangemoedigd hun best te doen. Niet voor niets zullen velen hun onderscheidingen trots hebben bewaard en hebben generaties na hen de kostbare stukken in ere gehouden. Voor een mens uit de eenentwintigste eeuw is het moeilijk goed aan te voelen, maar ook van de belofte van een staatsbegrafenis en een grafmonument op staatskosten ging een grote aantrekkingskracht uit. Sneuvelen op zee betekende voor een groot zeeofficier voortaan een eervol einde van een prachtige loopbaan, een teraardebestelling op staatskosten en een marmeren praalgraf in een van Nederlands voornaamste kerken. Voor wie aan land stierf was dit niet weggelegd en restte de vergetelheid. Zo bezien was de keuze niet moeilijk. Commandeur Jan van Galen liet zich omstreeks 1650 in een gesprek ontvallen dat het een troost was zich voor te stellen…
…dat in dienst comende te sterven, een tombe soude tot sijn memory opgerech[t] werden.
Zoals we later nog zullen zien, zou die eer Van Galen daadwerkelijk te beurt vallen.

De populariteit van tientallen zeventiende-eeuwse zeeofficieren als zeehelden valt het beste af te meten aan de hoeveelheid portretten in prentvorm die aan elk van hen is gewijd. Op grond daarvan stelde ik in 2005 een top 40 van Nederlandse zeehelden uit de zeventiende eeuw samen:
Top 40 van Nederlandse zeehelden uit
de zeventiende eeuw *
- Michiel de Ruyter (1607-1676)
- Maerten Tromp (1598-1653)
- Cornelis Tromp (1629-1691)
- Piet Hein (1577-1629)
- Witte de With (1599-1658)
- Jacob van Wassenaer van Obdam (1610-1665)
- Jan van Galen (1604-1653)
- Johan Evertsen de Oude (1600-1666)
- Jacob van Heemskerck (1567-1607)
- Pieter Florisz. (ca. 1610-1658)
- Aert van Nes (1626-1693)
- Adriaen Banckert (ca. 1615-1684)
- Cornelis Evertsen de Oude (1610-1666)
- Willem Joseph van Ghent (1626-1672)
- Egbert Kortenaer (ca. 1604-1665)
- Abraham van der Hulst (1619-1666)
- Hendrick Lonck (1568-1634)
- Tjerk Hiddesz. de Vries (1622-1666)
- Isaac Sweers (1622-1673)
- Gerard Callenburgh (1642-1722)
- Gilles Schey (1644-1703)
- Auke Stellingwerf (1635-1665)
- Jan Meppel (1609-1669)
- Cornelis Jansz. de Haen (1580-1633)
- Cornelis Evertsen de Jongste (1642-1706)
- David Vlugh (1623-1673)
- Joost Banckert (ca. 1599-1647)
- Philips van Dorp (1587-1652)
- Cornelis Evertsen de Jonge (1628-1679)
- Geleyn Evertsen (1655-1721)
- Joos de Moor (1548-1618)
- Philips van Almonde (1644-1711)
- Willem van der Zaen (1624-1669)
- Jan van Brakel (ca. 1625-1690)
- Johan de Liefde (ca. 1619-1673)
- Willem Bastiaensz. Schepers (1619-1704)
- Volckert Schram (1622-1673)
- Engel de Ruyter (1649-1683)
- Jan van Nes (1631-1680)
- Govert ’t Hoen (1629-1666)
* Geteld zijn de portretten in prentvorm uit de zeventiende en achttiende eeuw uit de catalogi van Muller en Van Someren. Bij ex-aequo-vermeldingen is de volgorde in de eerste plaats bepaald door de grootte van het grafmonument dat de desbetreffende zeeheld heeft gekregen en in de tweede plaats door de hoeveelheid gedichten die aan hem zijn gewijd. Hendrick Lonck is eigenlijk alleen bekend geworden in dienst van de wic, maar omdat zijn roem als tweede man van de zilvervlootexpeditie in 1628 vergelijkbaar is met die van Piet Hein, is hij toch in deze lijst opgenomen.
Expeditieleden Willem Barentsz ontmoetten ‘monsterlijke ijsberen’
Jacob van Heemskerck (1567-1607) – Nederlands zeevaarder
Mare Liberum – Hugo de Groot en het idee van de vrije zee
Jacob Roggeveen, ontdekker van Paaseiland
Ella Maillart – Sportvrouw en reizigster met een lange adem
Giovanni da Verrazzano, ontdekkingsreiziger