Ooit vroegen de Perzen de Hollanders om militaire steun

Tijdens Arabisch-Perzisch conflict riep Perzië hulp in van de VOC
14 minuten leestijd
Aanzicht van Hormuz
Aanzicht van Hormuz. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-75.464
In augustus verschijnt bij Walburg Pers: De man die India verstond. Joan Joshua Ketelaar (1659-1718) koopman en diplomaat in Azië, door Hans van Santen. Het is de biografie van een interessante compagniesdienaar. Wegens een poging tot moord op zijn werkgever ontvluchtte hij Europa en had een mooie carrière in Azië in dienst van de VOC, waar hij onder andere als ambassadeur naar het hof van de Grootmogol in India en de Sjah van Perzië werd gezonden. Taalkundig onderlegd (hij sprak Perzisch, Hindi, Arabisch en veel Europese talen) maakte hij de allereerste grammatica van het Hindi. Dit artikel is een bewerking van het hoofdstuk in de biografie dat handelt over zijn gezantschap naar de Sjah van Perzië.

Een Perzisch verzoek om VOC-schepen

Bij de aanval van de Verenigde Staten en Israël op Iran weigerde Nederland militair betrokken te raken. Opvallend genoeg werd drie eeuwen geleden de Hollanders ook gevraagd maritieme hulp te bieden – maar dit keer door Perzië, zoals Iran toen heette. In 1717 vroeg de Perzische vorst, Sjah Sultan Hoessein, aan de bezoekende VOC-gezant Joan Joshua Ketelaar om inzet van VOC-schepen tegen de Arabieren uit Muscat (in het huidige Oman). Als de VOC schepen zou uitlenen zou de Sjah ‘te allen tijde’ de Hollanders gunstig gezind zijn.

De Arabieren uit Oman met hun sterke vloot hadden enkele eilanden in de Straat van Hormuz ingenomen en bedreigden Bandar Abbas, de belangrijkste havenstad van Perzië. Het Perzisch bewind bezat geen vloot van betekenis en probeerde de Compagnie voor haar karretje te spannen om op zee tegen de Arabieren op te treden.

De VOC in Perzië

Bijna anderhalve eeuw, van 1623 tot 1766, heeft de Compagnie handelsbetrekkingen met Perzië gehad. Ze was er lange tijd de grootste buitenlandse handelsonderneming, De hoofdvestiging was in Bandar Abbas (vroeger Gamron geheten) aan de Straat van Hormuz. Het was een klein stadje met zo’n 1500 huizen, veelal van leem. De VOC had er een mooie factorij, uitkijkend over zee. Ook in de hofstad Isfahan, in het binnenland, bezat de VOC een vestiging. Met meer dan een half miljoen inwoners was Isfahan één van de grootste steden ter wereld. De VOC had er een mooi stadspaleis.

Aanvankelijk was de VOC vooral geïnteresseerd in de Perzische zijde, die met veel winst in Europa werd verkocht. Regelmatig onderhandelde de VOC met de overheid over de prijs van de zijde en over de hoeveelheid tol die erover moest worden betaald. Bij onenigheid over de handelscondities stuurde de Compagnie een ambassadeur naar Isfahan om een nieuwe overeenkomst te sluiten. In de achttiende eeuw ontleenden de kantoren in Perzië hun bestaansrecht vooral aan de verkoop van goederen, waarbij het verdiende geld werd uitgevoerd en ingezet voor inkoop van goederen elders in Azië.

Men verkocht in Perzië met name peper, specerijen, kaneel, koper, porselein, textiel, indigo, koffie en enorme hoeveelheden suiker. De uitvoer van gouden dukaten (tussen 1701 en 1712 ter waarde van elf miljoen gulden!), vaak verborgen in de zijde of wol, was illegaal, maar werd dankzij de nodige steekpenningen aan lokale beambten oogluikend toegestaan.

Joan Joshua Ketelaar
Joan Joshua Ketelaar (1659-1718)
In 1701 had VOC-ambassadeur Jacobus Hoogkamer met de Perzische overheid een voor de Compagnie erg gunstig contract gesloten, met tolvrijdom tot een bedrag van 800.000 gulden, ongeacht of men daadwerkelijk zijde inkocht of niet. In 1714 kwamen de Perzen daarop terug. Tolvrijdom werd weer direct gekoppeld aan daadwerkelijke zijde-inkoop. De VOC besloot een gezant naar Isfahan te zenden die moest proberen terug te keren naar het eerdere, gunstiger contract. Dat was de opdracht voor Joan Joshua Ketelaar.

Ketelaar had al een lange loopbaan in dienst van de Compagnie in Azië achter de rug. Meer dan drie decennia heeft hij in India gewerkt en leidde er van 1711-1713 een ambassade naar het hof van de Grootmogol in Lahore. Deze hofreis duurde maar liefst twee jaar en was met 1,2 miljoen gulden de duurste hofreis van de VOC ooit. Een paar jaar later werd hij opnieuw als gezant uitgestuurd, dit keer naar Isfahan. Hij was inmiddels zesenvijftig jaar oud en zijn gezondheid liet veel te wensen over. De delegatie reisde te paard naar Isfahan waar men in mei 1717 aankwam. Ketelaar had zes olifanten en andere geschenken voor de Sjah mee, onder andere een mechanisch bewegende pop – een Hollandse vrouw op ware grootte, zittend in een stoel. Daarnaast omvatte de geschenkenlijst Chinees porselein, lakense stoffen, specerijen, veel zilverwerk en vuurwapens.1

Ketelaars reis naar Isfahan vond plaats in de nadagen van het rijk van de Safavieden, de dynastie die regeerde van 1501 tot 1722. Sjah Sultan Hoessein, de negende en laatste van de Safavieden, was een zwakke vorst, besluiteloos en afwachtend. Hij stond bekend om zijn gigantische harem met honderden vrouwen en om zijn ‘sotten timmerlust’. Hij gaf zijn geld uit aan bouwprojecten in plaats van noodzakelijke veldtochten tegen de steeds verder opdringende vijanden. In de Golf kaapten de Arabieren uit Muscat Perzische schepen en hadden enkele eilandjes bij Hormuz veroverd. Ze belegerden ook al enige tijd Bahrein, aan de overkant van de Golf en in die tijd Perzisch bezit. In de provincie Kirman, ten noorden van Bandar Abbas, waren Afghanen binnengevallen.

Route van Ketelaar van Bandar Abbas (=Gamron) naar Isfahan.
Route van Ketelaar van Bandar Abbas (=Gamron) naar Isfahan.

Eerste verzoek tot hulp en onderhandelingen

Na aankomst in Isfahan informeerde de grootvizier, Fath Ali Khan geheten, bij Ketelaar of de VOC op dat moment schepen op de rede van Bandar Abbas had liggen. Zo ja, dan wilde hij die huren en gebruiken om voedsel en soldaten veilig naar het belegerde Bahrein te vervoeren. Dit was de eerste keer dat Ketelaar om assistentie werd gevraagd, maar er zouden er nog talloze volgen. Ketelaar hield de boot af; er lag op dat moment geen Nederlands schip voor de kust en bovendien bezat hij volstrekt geen mandaat om compagniesschepen uit te lenen.

Sjah Sultan Hoessein
Sjah Sultan Hoessein, in: Cornelis de Bruin, Reizen over Moskovie, door Persie en Indie, na p.164.
Enkele weken na aankomst in Isfahan begonnen de gesprekken over een nieuwe regeling ten aanzien van de tolbetalingen. De Perzen stelden Ketelaar direct voor de keus: jaarlijkse inkoop van een grote hoeveelheid zijde tegen een vaste, hoge prijs en dan tolvrijdom tot een bepaald bedrag, of de VOC kon er voor kiezen geen zijde in te kopen maar dan moest ze net zoals andere kooplieden gewoon tol betalen over alle ingevoerde en uitgevoerde goederen. Tolvrijdom, ongeacht of men nu wel of niet zijde kocht, zoals door de VOC eerder was bedongen, moest van tafel.

Conform zijn instructie stelde Ketelaar terug te willen naar de eerdere afspraken. Daarvan kon geen sprake zijn, reageerde de grootvizier bits: die afspraken waren toen via omkoping verkregen. Dan was er nog een belangrijk punt: de VOC exporteerde ‘meest alle het geld uijt dit land.’ Dat was de Perzen al lange tijd een doorn in het oog en daar moest een eind aan komen. Ketelaar antwoordde dat indien de grootvizier geen ‘aannemelijk’ contract wilde sluiten, hij geen andere keus had dan voor nadere orders naar de gouverneur-generaal te schrijven. De grootvizier barstte in woede uit en vroeg waarom Ketelaar geen mandaat had om te onderhandelen. Hij had nog een laatste uitsmijter. Als de VOC niet voor één van de twee opties koos, kon ze uit Perzië vertrekken, maar niet alvorens alle Perzische claims te hebben betaald. Die claims liepen in de miljoenen guldens.

Gezicht op Bandar Abbas
Afbeelding van Bandar Abbas (=Gamron). Nationaal Archief 4.VEL-864

Het gehele gesprek was erg onaangenaam geweest door de vele woede-uitbarstingen van de grootvizier. Het werd Ketelaar snel duidelijk dat hij geld wilde zien. Als de VOC niet over de brug kwam, zou Ketelaar niets bereiken. Het was een lastig dilemma: hij had van Batavia volstrekt geen ruimte gekregen om tot omkoping over te gaan, maar er leek geen andere mogelijkheid te zijn om tot een bevredigende oplossing te komen. Na lange onderhandelingen kwam men een totaalbedrag van ruim 270.000 gulden aan steekpenningen voor de grootvizier en enkele andere functionarissen overeen. Die werden betaald en men keerde terug naar de gunstige bepalingen uit 1701.

Opmerkelijk genoeg zou het oordeel van de Bewindhebbers in Nederland over de steekpenningen meevallen. De hoge heren in het vaderland hadden altijd aarzelingen over ‘handsalving’ richting Oosterse vorsten, maar na lezing van het verslag twijfelden ze niet aan de ‘deugdelijkheijt van de spendatiën.’ De steekpenningen vonden ze goed besteed.

Voor de tweede maal eiste de grootvizier dat de binnenkort arriverende VOC-schepen munitie en proviand in zouden laden om naar de belegerde Perzische troepen in Bahrein te brengen. Ketelaar herhaalde dat hij volstrekt niet geautoriseerd was een schip uit te lenen.

Gezicht op Isfahan
Gezicht op Isfahan, in: Cornelis de Bruin, Reizen over Moscovie, door Persie en Indie

Donkere wolken pakken zich samen

Toen eind september de onderhandelingen over tolbetalingen waren afgesloten, besloot Ketelaar dat het tijd was om uit Isfahan te vertrekken. Bahrein was inmiddels door de Arabieren veroverd en ook de belangrijke stad Herat (nu in Afghanistan) was ingenomen door Afghaanse rebellen. Een aantal karavanen was geplunderd. Ketelaar was verbijsterd over het gebrek aan daadkracht aan Perzische zijde. Veel inwoners verloren hun vertrouwen in de vorst ‘die sonder eenige ordre te stellen, sijne landen siet t‘ondergaen.’

Toen kwam Maryam Begum, de invloedrijke, tachtigjarige oudtante van de koning in actie. Ze zou tegen de vorst (uit het Perzisch vertaald) hebben gezegd:

Waer wil het langer heen? De Musquetse Arabieren sullen haer haast meester van alle zeehavens maeken, Candahar en Harraet [Herat] is weg en mogelijk zal Masjet [Mashad] binnenkort volgen. En wat verseekering heeft men voor dese stad [d.i. Isfahan]? Wilt gij sien dat men ons als slavinnen komt te vervoeren en wat verantwoording sult gij bij God en Alie doen?

Dat waren profetische woorden van Maryam Begum in deze nadagen van het bewind van de Safavieden. Vijf jaar later, in 1722, werd Isfahan inderdaad door Afghanen belegerd en veroverd.

Woning en tuin van de VOC in Isfahan
Woning en tuin van de VOC in Isfahan, in Cornelis de Bruin, Reisen over Moskovie, door Persie en Indie, 1711, voor p.197
Zover was het in 1717 nog niet. De vorst zegde zijn oudtante toe te velde te zullen trekken tegen zijn vijanden. Hij verving enkele gouverneurs en gaf opdracht alle bouwwerkzaamheden in het rijk te staken. Het hof was uit een diepe slaap ontwaakt. Uit geldgebrek liet de koning gouden en zilveren voorwerpen uit het paleis omsmelten tot munten. Aan de bevolking werden extra belastingen opgelegd. Het leven in Isfahan werd extreem duur en de bevolking leed honger. Een dood paard dat vanuit de VOC-factorij op straat was gegooid, werd door arme lieden binnen een uur van zijn vlees ontdaan.

De druk neemt toe

Medio november ontbood de grootvizier Ketelaar in zijn kampement buiten de stad. Na de gebruikelijke versnaperingen gelastte Fath Ali Khan alle bedienden te vertrekken en vroeg met zachte stem – ‘dog niet soo stil off konde van alle de presente sijn Edele raedsleeden mede genoegsaem gehoord werden!’ – om twee VOC-schepen ter beschikking te stellen. Bahrein was inmiddels in handen van de Arabieren gevallen en hij had bewapende schepen nodig ter bescherming van Perzische vaartuigen waarmee troepen konden worden overgebracht om de stad te heroveren.

Toen Ketelaar opnieuw weigerde, ontstak de grootvizier in woede en dreigde de VOC-schepen met geweld in te nemen, waarop Ketelaar antwoordde dat hij niet kon geloven dat de grootvizier geweld tegen ‘oude vrunden’ zou inzetten. Onverschrokken verklaarde hij liever ter plekke zijn leven te laten dan met schande overladen in Batavia gestraft te worden. Toen dreigementen niet werkten, veranderde de grootvizier van toon. Het uitlenen van schepen zou voor de VOC juist positief kunnen uitpakken en tot een ‘ongemeene gunst’ van de vorst leiden. Bovendien zouden de Portugezen en Fransen vast ook schepen sturen en dan kon de Compagnie toch zeker niet achterblijven? Hij overhandigde Ketelaar een brief voor de gouverneur-generaal met het verzoek tot assistentie. Ketelaar legde de brief, zoals gebruikelijk in Azië, eerbiedig op zijn hoofd en beloofde deze naar Batavia te sturen.

De dag erop vond de afscheidsaudiëntie bij de koning plaats. De vorst kwam meteen ter zake, daartoe geïnstrueerd door zijn grootvizier: hij had heel dringend schepen nodig. Ketelaar was onder de indruk van het verzoek: ‘noijt heeft men gehoord, veel min gesien dat een Persiaansen koning soo biddenderwijse iets begeert heeft als bij voorverhaelde occasie.’ Daarna moest Ketelaar opnieuw bij de grootvizier komen, die hem vroeg of hij had begrepen wat de koning had gevraagd. Dat had Ketelaar, maar ook dit keer bleef hij bij zijn weigering.

Uittocht Perzische troepen
Uittocht Perzische troepen. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1896-A-19368-2923

De grootvizier gooide het vervolgens over een andere boeg. Hij had de Portugese agent aan het Perzische hof de helft van de buit beloofd, als de Portugezen zouden helpen Muscat te veroveren. Maar, vertrouwde de grootvizier Ketelaar toe, liever zou de Perzische overheid alleen met de VOC samenwerken, want Portugezen kon je natuurlijk nooit helemaal vertrouwen. Ketelaar suggereerde de grootvizier toch vooral in te zetten op Portugese steun. Hij was zelfs bereid met een VOC-schip een Perzische afgezant naar Goa, het hoofdkwartier van de Portugezen in Azië, te vervoeren, zodat deze er verder over kon praten.

In het algemeen was Ketelaar uiterst somber over de toekomst van het Perzische rijk. Nog nooit eerder was de situatie zo gevaarlijk geweest als nu. Rond de Kaspische Zee regeerden de Tataren, Kozakken en Russen. Afghaanse troepen vielen het rijk binnen. De Arabieren uit Muscat hadden inmiddels niet alleen Bahrein maar ook de bij Bandar Abbas gelegen eilanden Kishm en Larek in handen en belegerden het fort van Hormuz.

Terug in Bandar Abbas

Teruggekeerd in Bandar Abbas verslechterde Ketelaars gezondheid. Hij was bedlegerig en dermate afgemat dat hij nauwelijks zijn handen en voeten kon bewegen. Pas begin maart raakte hij tijdelijk weer wat op de been en was ‘mooij aen ’t beeteren.’ Kort daarop arriveerde het VOC-schip de Haringtuin op de rede. Het was ongewild betrokken geraakt bij het conflict tussen de Perzen en Arabieren. In de buurt van het eiland Larek was men door windstilte en tegenstromen gedwongen de ankers uit te gooien. Enkele bemanningsleden maakten van de gelegenheid gebruik met een roeiboot naar het eiland te varen om er te gaan vissen. Het zoontje van de schipper mocht mee. Men was niet op de hoogte van de machtswisseling op het eiland, dat recent in handen was gekomen van de Arabieren. Op het eiland werden ze gevangen genomen. Er werd hen gevraagd of ze wel wisten waar ze waren. Bij de Perzen? ‘Neen, gij sijt bij d’Arabieren!’

De Nederlanders werden met alle beleefdheid ontvangen. Alleen het verzoek om de zoon van de schipper met de roeiboot terug te laten varen naar de Haringtuin om tabak en pijpen op te halen (als Hollander kon je eenvoudig niet zonder…) werd geweigerd. De dag erop werden ze naar het nabijgelegen Hormuz gebracht. De Arabische veldheer vroeg wie ze waren, of ze goed waren behandeld en of er buskruit aan boord van de Haringtuin was (ja, maar alleen voor eigen gebruik). Ze kregen een rijstgerecht voorgezet, met smakelijke amandeltaart toe en werden na korte tijd ‘onder hondert excusen’ vrijgelaten. De boodschap van de Arabieren was duidelijk: de Arabieren deden er alles aan om niet in conflict te raken met de VOC. Anders dan de Perzen, die op zee geen partij vormden, was de Compagnie een geduchte maritieme grootmacht met wie ze geen ruzie wilden krijgen.

Gezicht op Bandar Abbas
Gezicht op Bandar Abbas door Cornelis de Bruin. Links van het midden bevindt zich de oude VOC-factorij en rechts de nieuwe, eind 17de eeuw gebouwd. Nationaal Archief, 4. Aanwinsten-29

Eindspel

Eind februari 1718 arriveerde een nieuwe gouverneur in Bandar Abbas. Met dit heerschap, Yaqub Sultan, zou Ketelaar veel te stellen krijgen. Bij zijn eerste bezoek aan de Hollandse loge verzocht hij dringend de Haringtuin in te zetten ten behoeve van de Perzische kroon. Hij wilde het schip kopen of desnoods huren. Ketelaar weigerde opnieuw en zei dat hij diezelfde boodschap ook al aan de koning en de grootvizier had gegeven, dat er brieven naar Batavia onderweg waren en dat hij nadere instructies moest afwachten.

Het geluid van de Arabische kanonnen die het fort van Hormuz beschoten was in het nabijgelegen Bandar Abbas goed te horen. De spanning werd Yaqub Sultan teveel en hij gedroeg zich steeds merkwaardiger. Met een contingent soldaten was hij naar Bandar Abbas gestuurd en hij was er echt niet gekomen, zo zei hij tegen Ketelaar, ‘om pilauw [pilau, Perzisch rijstgerecht] t’eten!’ Zijn meester had hem gezegd dat hij zijn hoofd zou verliezen, indien hij er niet snel in slaagde Hormuz te ontzetten. Maar hoe hij dat moest doen was de vraag, want hij bezat niet genoeg troepen en veel soldaten deserteerden. Toen vanuit de stad een boot ter bevoorrading met water en voedsel naar de Haringtuin voer, liet hij het beschieten om zo de voedselvoorziening af te snijden en de bemanning uit te hongeren. Als het schip zou proberen te vertrekken, waarschuwde hij, zou hij zich op de Hollanders aan de wal wreken en van de factorij geen steen op de andere laten.

Aanzicht van Hormuz
Aanzicht van Hormuz. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-75.464

De factorij werd van de buitenwereld afgegrendeld. Er mocht geen voedsel, water of brandhout meer naar binnen worden gebracht. Het water uit de eigen put was zout en niet te drinken, maar gelukkig had Ketelaar uit voorzorg eerder een voorraad drinkwater ingeslagen. Yaqub Sultan dreigde met nog strengere maatregelen als hij niet snel zijn zin kreeg en stuurde enkele functionarissen naar de Hollandse factorij om Ketelaar over te halen de Haringtuin uit te lenen. Voor de zoveelste keer weigerde deze. Het scheelde niet veel of alle compagniesdienaren in de factorij waren inmiddels door honger en dorst bezweken, maar het schip uitlenen of verkopen deed hij niet. Moedig verklaarde hij…

…liever alhier sijn leven verliesen wilde [..] als door iets te doen dat niet bij sijn heeren en meesters konde verantwoorden, naderhand een schandelijke dood te erlangen.

Uitdeling van geschenken tijdens Nieuwjaar door Sjah Sultan, 1720
Uitdeling van geschenken tijdens Nieuwjaar door Sjah Sultan, 1720, twee jaar voor de inname van Isfahan. British Museum, 1920,0917,299

Door alle ontberingen en stress werd Ketelaar bedlegerig en kreeg zware koorts. Op 7 april was hij zo verzwakt dat hij afscheid nam van alle aanwezige compagniesdienaren.

Overmoedig door het gebrek aan Perzische daadkracht waagden zich tientallen Arabische schepen op de rede. Met volle zeilen kwamen ze aanzetten. De Haringtuin hees snel de VOC-vlag en schoot met los kruit om hen te waarschuwen niet dichterbij te komen. Alleen vanwege de presentie van de Haringtuin en de aanwezigheid van de Hollanders lieten de Arabieren de haven ongemoeid, want uit Muscat was de strikte order gekomen niet in conflict te raken met de Compagnie. Maar indien de Perzen het VOC-schip zouden innemen, zouden de Arabieren ongetwijfeld direct in actie komen en dan zou de Haringtuin, vermoedde Ketelaar, ‘in een dag goed Arabisch wesen.’

De dood van Ketelaar

Eind april voelde Ketelaar zich weer wat beter, maar daarna verslechterde zijn gezondheid snel. Op 12 mei 1718 stierf hij op achtenvijftigjarige leeftijd en werd de dag erna begraven op de Nederlandse begraafplaats buiten de stad. De blokkade van de factorij was inmiddels opgeheven. Naderhand was zijn baas, gouverneur-generaal Van Zwoll, akkoord met het feit dat Ketelaar de inzet van Nederlandse schepen tegen de Arabieren principieel had geweigerd. In dat avontuur wilde Batavia zich niet storten en bovendien waren op dat moment de VOC-troepen op Oost-Java hard nodig. Maar verder repte Van Zwoll met geen woord over Ketelaars moedige opstelling, noch over zijn dramatische einde. Er kon geen enkel woord van waardering af voor iemand die in het harnas was gestorven als gevolg van alle ontberingen die hij in dienst van de Compagnie had moeten doorstaan.

De man die India verstond
 
De VOC kon overigens niet lang genieten van de nieuwe afspraken die Ketelaar met de Perzische overheid had gemaakt. Vier jaar later, in 1722, ontstond met de bezetting van Isfahan en grote delen van Perzië door de Afghanen een geheel nieuwe situatie. Sjah Sultan Hoessein werd gevangen genomen en in 1726 gedood. Pas decennia later keerde de rust in het rijk terug.

De VOC richtte zich op andere plaatsen in de Golf en op instigatie van de excentrieke Tido Frederik Baron von Inn und Kniphausen concentreerde de VOC zich in 1753 op het eiland Kharg in de Perzische Golf nabij Bushehr. Dat duurde niet lang: na twaalf jaar werd de VOC eruit verdreven. Waar ooit Fort Mosselstein lag, bevinden zich nu olieterminals.

Had het enig verschil gemaakt voor de toekomst van Perzië, als de VOC zich actief gekeerd had tegen de Arabieren van Oman? Nee, waarschijnlijk niet. De Arabische agressie vanuit zee was slechts een van de enorme uitdagingen waarmee Perzië te maken had – de dreiging vanuit het noorden en oosten was veel groter en leidde tot de ondergang van het Safaviedische rijk.

Noten

1 – Het dagregister van de reis van Bandar Abbas naar Isfahan, die duurde van 27.3.1717 tot 30.5.1717 bevindt zich in Nationaal Archief, VOC 1901, 975r.-1209. De citaten in dit stuk komen hieruit.
×