De ‘ontdekking’ van Nieuw-Guinea

10 minuten leestijd
Een aantal eilanden in Raja Ampat in West-Papoea
Een aantal eilanden in Raja Ampat in West-Papoea
Nieuw-Guinea had in de jaren vijftig en zestig recht op zelfbeschikking. Toch werd het eiland zonder instemming van de bevolking overgedragen aan Indonesië. Hoe kon dat gebeuren? En waarom zweeg de internationale gemeenschap? In het boek Nieuw-Guinea Verraden gaat historicus Gerard Aalders hier dieper op in. Hij staat daarbij onder meer stil bij de rol van de Verenigde Staten, de CIA, prins Bernhard, multinationals en banken. Op Historiek plaatsen we een fragment uit zijn boek, over de ‘ontdekking’ van het eiland in de zeventiende eeuw.

Geschiedenis en achtergronden van Nieuw-Guinea

Op 27 december 1949 verkreeg Indonesië zijn onafhankelijkheid, maar het westelijk deel van Nieuw-Guinea viel buiten de soevereiniteitsoverdracht. Vanaf eind negentiende eeuw tot aan de onafhankelijkheid van Indonesië in december 1949, had het gebied deel uitgemaakt van Nederlands-Indië. Tot 1962 zou het als Nederlands Nieuw-Guinea een ‘overzees gebiedsdeel’ blijven.

Na een half jaar bestuur onder de Verenigde Naties werd het op 1 mei 1963 overgedragen aan Indonesië. President Soekarno had zijn zin. De dekolonisatie was een feit, maar de bevolking schoot er weinig mee op, want wat Soekarno en zijn opvolgers deden was niets anders dan rekoloniseren. De Papoea’s hadden niets in te brengen. Indonesië had de macht en deed wat het wilde. De oorspronkelijke bevolking van Nieuw-Guinea geraakte door de overdracht van de regen in de drup. De Papoea’s hebben weinig tot niets met de Indonesiërs gemeen. Hun land kreeg bij de overdracht de naam Irian Barat (West-Irian) opgelegd. Soekarno’s opvolger, president Soeharto, doopte het in 1970 om in Irian Jaya. In 2000 vond nogmaals een naamsverandering plaats, het werd kortweg ‘Papoea’. De oostelijke kant van het eiland, na Groenland het grootste ter wereld, is de onafhankelijke staat Papoea Nieuw-Guinea.

Papoea’s

‘Papoea’ is behalve een geografische aanduiding ook de naam van de oorspronkelijke bewoners van het eiland. De Portugese gouverneur van het Molukse eiland Ternate was gecharmeerd van het woord ‘sup-i-papwa’ wat ‘land onder de zonsondergang’ betekent. Zo noemden leden van de Biakkerstam op een aantal eilanden voor de kust van Westelijk Nieuw-Guinea zich. Gouverneur Jorge de Menezes beperkte die naam in 1526 echter niet tot die eilanden, maar hij bedoelde er de hele archipel mee: de ‘Ilhas dos Papuas’. De Nederlanders hebben daar later ‘Papoese eilanden’ van gemaakt. De Spanjaarden, die na de Portugezen kwamen opdagen, gaven het in 1545 een nieuwe naam: ‘Nova Guinea’ omdat de bewoners zo sterk leken op de bewoners van het Afrikaanse slaveneiland Guinee.

De naam ‘Guinea’ als geografische aanduiding beklijfde, maar de bewoners zelf bleven ‘Papoea’s’ heten hoewel ze qua cultuur en taal onderling sterk van elkaar verschilden. Met de eveneens zeer geschakeerde bevolking van Indonesië hebben ze weinig gemeen. Wat de feitelijke betekenis van het woord ‘papoea’ is, staat niet helemaal vast, maar het heeft zo goed als zeker met ‘krullenkop’ te maken. Zelf noemden ze zich naar hun stam of de streek waar ze woonden.

Papoea van Nieuw Guinea in de 19e eeuw (wiki)
Papoea van Nieuw Guinea in de 19e eeuw (wiki)

Van hun geschiedenis vóór de kolonisatie is weinig meer bekend dan dat de Papoea’s nog het meest verwant zijn aan de Aboriginals, de oorspronkelijke bewoners van Australië. Na aanvang van de kolonisatie werd er wel eens wat op schrift gesteld en daarmee bewaard voor de geschiedschrijving, maar veel stelde het niet voor. Na de Portugese en Spaanse ontdekkingsreizigers, kwamen Nederlanders, Duitsers en Engelsen het eiland verkennen. Nederland claimde de westelijke helft van het eiland in 1828, maar het zou nog tot 1898 duren voordat de eerste permanente regeringsposten in FakFak (soms gespeld als Fakfak) en Manokwari werden ingericht.

De Verenigde Oost-Indische Compagnie

Nieuw-Guinea werd, zoals Dirk Vlasblom in zijn geschiedenis van Nieuw-Guinea vaststelt, min of meer bij toeval door Portugezen en Spanjaarden ontdekt. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die wat later in het gebied opdook, liet weinig aan het toeval over en ging welbewust op zoek naar het land van Nova Guinea ‘en andere Oost- en Zuyderlanden’ over welke ze hadden gehoord van de Iberische concurrentie.

De VOC was nieuwsgierig of er producten van hun gading waren te vinden, en in hoeverre de bevolking bereid was die te verhandelen. Voorts was de VOC op zoek naar mogelijke doorvaarroutes tussen ‘Nova Guinea’ en Australië, dat toen nog bekend stond als ‘Zuidland’. Maar het allerbelangrijkste was toch de bescherming van hun kruidnagelmonopolie. Als er op de ‘Papoese eilanden’ voor de kust van Nieuw-Guinea kruidnagelbomen werden aangetroffen, moesten die worden vernietigd. Of die bomen er inderdaad waren, wist de Compagnie niet.

In 1605 verdreven soldaten van de VOC de Portugezen van Ambon en tekenden een ‘eeuwig verbond’ met de hoofden van het eiland, die trouw zwoeren aan prins Maurits, de Staten-Generaal en de gouverneur van Ambon. Maar waar het primair om ging, was de passage waarin de hoofden zweerden…

…aen niemant eenige naghelen sullen verkoopen als aen de Hollanders.

Daarmee was de basis voor het kruidnagelmonopolie gelegd.

Kruidnagel, kaneel en nootmuskaat in het Getijdenboek van Philips van Kleef (ca. 1480)
Kruidnagel, kaneel en nootmuskaat in het Getijdenboek van Philips van Kleef (ca. 1480)

De ‘ontdekking’ van het enorme eiland (ongeveer ter grootte van het huidige Frankrijk) berustte, zoals gezegd, vooral op toeval. De Portugese en Spaanse ontdekkingsreizigers waren op zoek geweest naar ‘Maluco’, waarmee ze de teeltgronden van foelie, kruidnagels en nootmuskaat in de Molukken bedoelden. Die specerijen waren destijds peperduur – net als de peper zelf, vandaar de uitdrukking – en daarom zeer gewild bij de Europese zeevarende naties. Nadat de VOC definitief had afgerekend met Portugal, was het de beurt aan de Spanjaarden en Engelsen.

De Britten werden bijna allemaal over de kling gejaagd. De Tachtigjarige Oorlog die in Europa met Spanje was uitgebroken, werd op de Molukken voortgezet. Geschillen met de Spanjaarden werden uitgevochten met behulp van plaatselijke bondgenoten. Spanje deed dat ook. De vorst van Tidore steunde Spanje, die van Ternate was op de hand van de VOC. De Spanjaarden dolven het onderspit omdat de Hollanders erin waren geslaagd overeenkomsten (‘contracten’) met de vorsten van de beide eilandstaatjes af te sluiten, die voor die vorsten (sultans) zeer lucratief waren. De gouverneur van de Molukken, verreweg de belangrijkste Nederlandse functionaris in die regio, hield verblijf op Ternate.

Ternate in 1720 (François Valentijn, 1726)
Ternate in 1720 (François Valentijn, 1726)

Op grond van de contracten kreeg de VOC het recht factorijen en forten te bouwen. Een factorij was een nederzetting, die bedoeld was om de handel te ondersteunen. Zowel de forten als de factorijen waren handelscentra, maar ze werden ook gebruikt om de naleving van afgesloten contracten af te dwingen. In 1650 verbood de VOC de teelt van kruidnagels buiten Ambon. De sultans van Tidore en Ternate kregen daarvoor compensatie. Mensen die het toch waagden buiten Ambon kruidnagels te telen, werden eenvoudigweg doodgemaakt; hun bomen omgehakt. Na 1663 was er geen Spanjaard meer in het gebied te bekennen.

De VOC ging onderzoeken wat Nieuw-Guinea te bieden had. Dat zag er, zeker in het begin, niet veelbelovend uit:

De landen die men gezien had, waren meerendeels woest en hier en daar door wilde, wrede, zwarte, barbaarsche menschen bewoond, die eenige van onze matrozen [elf van de dertig die aan land gingen] doodgeslagen hebben. Geen wonder, dat men onder deze omstandigheden weinig of niets van het land en de bewoners vernemen konde, zoodat de vruchten van de reis, die bovendien wegens gebrek aan vivres en andere noodwendigheden bekort moest worden, luttel waren.’

In 1623 stuurde de gouverneur van Ambon twee schepen op verkenningstocht naar Nieuw-Guinea. De expeditieleider, Jan Carstensz, ontdekte tot zijn verbazing bergen waarvan de toppen met sneeuw waren bedekt. Sneeuw in de tropen? Veel mensen weigerden dat te geloven. Die bergtoppen zouden naar hem worden vernoemd. Carstensz constateerde dat er in Nieuw-Guinea voor de VOC weinig te halen viel. De mensen waren schuw. Hij had geprobeerd er een paar te vangen met speciaal vervaardigde strikken, maar zonder resultaat. Met de commandant van een andere expeditie (1636) liep het slecht af. Hij werd door wel honderd ‘wilden’ die plotseling uit het oerwoud tevoorschijn kwamen, en die net zo ‘zwart van huid als de Kaffers van Angola’ waren, met zijn eigen zwaard in mootjes gehakt. Dat de Papoea’s de vreemdelingen op hun kust wantrouwden is niet vreemd als je bedenkt dat Zuid-Molukse slavenjagers (maar ook van de VOC) Nieuw-Guinea aandeden. Die concurrentie leverde de nodige spanningen op.

Intussen groeide op de Banda-eilanden de behoefte aan slaven, die de plantages met nootmuskaatbomen moesten verzorgen. Banda bestaat uit een reeks vulkanische eilandjes die een mini-archipel vormen binnen de veel grotere Molukken eilandengroep. Tot midden achttiende eeuw zouden de Banda-eilanden de enige producenten zijn van nootmuskaat en foelie. Beide zijn afkomstig van dezelfde boom. Nootmuskaatbollen zijn de zaden van de muskaatnootboom; foelie is het omhulsel of de schil waarin de bolletjes groeien.

Gezicht op Banda Neira, Johannes Vingboons, circa 1665
Gezicht op Banda Neira, Johannes Vingboons, circa 1665

De handel in beide specerijen was extreem lucratief, omdat de vraag naar nootmuskaat in Europa buitensporig was. Dat kwam ook omdat werd beweerd dat nootmuskaat het enige middel tegen de gevreesde pest zou zijn. De VOC wenste niet voor niets het monopolie op de nootmuskaathandel, en de Compagnie schuwde geen middel om haar doel te bereiken. VOC-bestuurder Jan Pieterszoon Coen verkreeg door zijn niets en niemand ontziende optreden de bijnaam ‘Slager van Banda’. Bewoners werden op grote schaal vermoord, hun leiders na valse processen onthoofd, dorpen platgebrand en eilanden ontvolkt, onder meer door de bevolking in slavernij af te voeren. Het enige wat ertoe deed was het doel, en dat werd bereikt: de VOC kreeg het monopolie.

‘Wie de zeggenschap over een bepaald gebied uitoefende, kon aansprakelijk worden gesteld en dus gestraft’

Nieuw-Guinea had de VOC, afgezien van handel in massooibast niet veel te bieden. De massooiboom leverde de bast waaruit een geneeskrachtige olie werd gewonnen die in Azië voor goed geld kon worden verkocht. De handel vond plaats aan de kusten; de VOC waagde zich niet in de binnenlanden die trouwens vrijwel ontoegankelijk waren. Voor de rest beschouwde de VOC, net zoals de Molukkers dat deden, Nieuw-Guinea als een reservoir van slaven. Kaapvaart maakte deel uit van de toenmalige Papoea-economie. Papoea’s van de Raja Ampat-eilanden hielden geregeld rooftochten in de Molukken, wat de VOC de nodige zorgen baarde. De Papoea’s bleken zo goed als ongrijpbaar en dat had tot gevolg dat de Compagnie de sultan van Tidore aansprakelijk stelde voor het gedrag van de Papoea’s. Hij maakte immers aanspraak op de Raja Ampat-eilandengroep, gelegen voor de noordwestelijke punt van Nieuw-Guinea. Maar de sultan waste zijn handen in onschuld en beweerde geen greep te hebben op de Papoea’s.

Papoea's in prauwen op de Lorentzrivier
Papoea’s in prauwen op de Lorentzrivier (CC BY-SA 3.0 – Wereldmuseum – wiki)
Het leidde tot een aantal strafexpedities van de VOC, maar uiteindelijk besloot de Compagnie het conflict met de Molukse vorst via diplomatieke wegen op te lossen. Over de aanspraken op gebieden in de regio bleef evenwel grote onduidelijkheid bestaan en dat kon de VOC niet gebruiken. Daarom sloot de Compagnie in 1660 een ‘eeuwig verbond’ met de verschillende sultans van de Molukken, om voor eens en altijd een einde te maken aan die onduidelijkheid.

Daarvoor waren twee redenen. Om het monopolie te kunnen handhaven was het van belang illegale plantages te vernietigen. Maar dan moest wel bekend zijn onder welke jurisdictie die clandestien geteelde specerijen vielen. Een nauwkeurige vaststelling van de grenzen was daarom noodzakelijk. Bovendien was de afbakening van het gezag ook nodig om de kaapvaart en de rooftochten met succes te kunnen aanpakken. Wie de zeggenschap over een bepaald gebied uitoefende, kon aansprakelijk worden gesteld en dus gestraft. De koning van Tidore kreeg die verantwoordelijkheid toebedeeld:

Onder de Koning van Tidore vallen ook de Papoeën, of alle eilanden van dien.

Uit alles blijkt dat de VOC eigenlijk geen idee had hoe het gebied dat de Papoea’s bewoonden eruitzag, en wat er eventueel te halen of te verhandelen viel. Dat blijkt ook uit het contract dat zeven jaar later (1667) werd opgesteld, en waarin wordt gerept van de…

…Papaouse eylanden, voor sooveel die onder de gehoorsaemheyt van de cooningh van Tidoor sorteren.

Wederom is de verplichting opgenomen dat het aan de sultan was rooftochten van de Papoea’s te voorkomen, en die te bestraffen als ze toch mochten plaatsvinden. Die vonden zeker plaats en bereikten honderd jaar later, in de achttiende eeuw, hun hoogtepunt. Er kwamen nog meer contracten tot stand, maar ze waren alle van weinig waarde en na verloop van tijd viel er voor de VOC bijna niets meer te verdienen op de kust van Nieuw-Guinea. Wat wel bloeide op de Molukken, met toestemming van de Compagnie, was de handel in slaven uit Papoeagebieden.

Tot diep in de negentiende eeuw zuchtten in de Molukken Papoeaslaven. Hun herkomst liep uiteen van Onin tot de Biakse kolonies aan de noordkust van de Vogelkop en zij waren met goedvinden van Batavia gehaald door oorlogs-prauwen onder Tidorese vlag.’

Tidore was voor de VOC begrijpelijk genoeg heel belangrijk, vanwege de verantwoordelijkheid die de Compagnie het eiland had toebedeeld. Naleving van de contracten werd gecontroleerd door Nederlandse gouverneurs, die de VOC op Tidore had gestationeerd.

‘Door schade en schande wijs geworden, zagen de Papoea’s de Molukse vloten als rovers en moordenaars’

In 1780 nam de VOC op grond van de bepalingen in het oudere contract Tidore in bezit, om het vervolgens te leen te geven aan de aantredende sultan. In termen van het leenrecht was Nederland nu ‘suzerein’ (soeverein) van Nieuw-Guinea, althans voor zover de invloed van Tidore reikte. Om de aanspraken van de VOC op het gebied publiekelijk zichtbaar te maken, maar ook om de kruidnagelteelt buiten de toegestane gebieden te controleren én de schatting te kunnen betalen waarop de sultan van Tidore recht had, voeren vanaf de Molukken regelmatig oorlogsschepen, zogenaamde kora-kora’s, naar de Nieuw-Guinese kusten. Kora-kora’s waren grote roeischepen met honderden bemanningsleden.

Die kora-koratochten verschilden in essentie niet van de rooftochten die de Papoea’s organiseerden. Het was de bedoeling dat op de schatplichtige kusten vertegenwoordigers van de sultan klaarstonden met de afdracht, die volgens afspraak bijeen moest zijn gebracht. De praktijk was anders. Door schade en schande wijs geworden, zagen de Papoea’s de Molukse vloten als rovers en moordenaars. Wie niet op tijd de benen nam, werd beroofd, gedood of als slaaf weggevoerd. Op de gezagsuitoefening van Tidore was dus nogal wat aan te merken. De VOC had daar echter geen problemen mee, zolang de doelstellingen maar werden bereikt. De VOC-vertegenwoordigers drongen regelmatig aan op het houden van rooftochten met kora-kora’s en stuurden waarnemers mee die erop toezagen dat de VOC haar aandeel in de buitgemaakte slaven kreeg, want op de nootmuskaatplantages op de Banda-eilanden heerste een chronisch tekort aan arbeidskrachten.

Nieuw-Guinea Verraden - Gerard Aalders
 
De VOC zou de Franse revolutie in Europa niet overleven en ging ten onder, samen met de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Napoleon bezette Nederland en de koloniën kwamen onder Engels toezicht te staan. In 1800 hield de VOC op te bestaan en de staat nam al haar schulden, aanspraken en bezittingen over. Toen Napoleon eenmaal verslagen was, werd de oude situatie deels hersteld, dankzij onderhandelingen tussen de Engelse en Nederlandse regering. Het gebied waarover Tidore heerste, of althans geacht werd te heersen, was nu beter omschreven en ook was vastgelegd dat de Papoese eilanden en enkele summier beschreven districten op de Noordelijke Vogelkop ertoe behoorden. Het Londens Traktaat van 1824 legde vast dat zowel Engelsen als Nederlanders zich op de niet-Tidorese gedeelten van Nieuw-Guinea mochten vestigen. Nederland moest zich wel uit India en Ceylon terugtrekken, wat betekende dat Nederland zich beter op Nederlands-Indië kon concentreren.

×