De Amsterdamsche Wisselbank
Uit de geschiedenis van de Amsterdamsche Wisselbank zijn verrassend actuele lessen te trekken. Deze stadsbank werd in 1609 opgericht en zorgde — niet alleen in Nederland maar ook in de rest van Europa — bijna twee eeuwen lang voor stabiliteit en betaalgemak. De Wisselbank wordt daarom officieus beschouwd als de eerste centrale bank ter wereld, en inspireerde de Britten om in 1694 de Bank of England op te richten.
Na hun vlucht voor de Spanjaarden kwamen mensen uit heel Europa, waaronder veel Joodse kooplui uit het bezette Portugal en Antwerpen, in het Hollandse provinciestadje Amsterdam terecht. De stad werd een smeltkroes van culturen, alsook van allerlei buitenlandse munten die de immigranten hadden meegenomen. Ook de meeste Nederlandse steden en provincies sloegen elk hun eigen munt. De waarde daarvan was deels gebaseerd op het gehalte edelmetaal, en deels afhankelijk van de betrouwbaarheid van de stad of provincie die ze uitgaf.

Dat ratjetoe aan betaalmiddelen belemmerde de handel. Als koopman moest je elke dag de wisselkoersen scherp in de gaten houden. De kleine wisselkantoren waar je terecht kon waren onbetrouwbaar, of konden de vraag naar waardevaste munten voor de internationale handel niet aan. Koersschommelingen en geldtekorten waren aan de orde van de dag.
‘Eenige van de voornaemste cooplieden’ beklaagden zich in 1603 bij het stadsbestuur over de monetaire complexiteit — die was vele malen groter dan in een grote Europese toeristenstad voor de invoering van de euro. De roep om versimpeling werd steeds luider. Het Amsterdamse gemeentebestuur liet eerst een advies opstellen door de Generaalmeesters van de Munt, en daarna moest nog een haalbaarheidsonderzoek worden gedaan. Zes jaar later volgde het besluit om de monetaire dienstverlening te centraliseren, om stabiliteit in de opkomende handelsstad te scheppen. De Amsterdamsche Wisselbank kreeg de taak om de geldhoeveelheid te beheersen, wisselkoersen te stabiliseren en het betaalverkeer te reguleren. Sindsdien konden kooplieden met munten in soorten en maten terecht in het Oude Stadhuis op de Dam, op een steenworp afstand van de plek waar drie jaar eerder de eerste aandelenbeurs ter wereld zijn deuren had geopend.
De kassiers van de Wisselbank namen de verschillende munten tegen de gangbare koersen in bewaring. Voor de dagelijkse ontvangst en opname van contant geld hadden ze ieder een ijzeren kist met munten. De rest van het geld werd bewaard in de speciekamer naast de boekhouders – ‘een viercant affgemetselt ende verwulft secreet camerken, wat affgaende onder d’aerde,’ die als ondergrondse kluis dienstdeed. De kluis had een zware ijzeren deur met drie sloten, die elk met een unieke sleutel moesten worden geopend. De drie commissarissen van de bank, allemaal oud-burgemeesters van de stad, hadden ieder een sleutel.
Het eerste bankgeld
In ruil voor hun edelmetalen munten kregen de kooplieden een rekening met bankguldens: een vroege vorm van banktegoed. Met hun wisselbrieven — schriftelijke betalingsopdrachten — konden ze die aan elkaar overdragen. Steeds meer betalingen liepen via de boekhouding van de Amsterdamsche Wisselbank. Ze werden vereffend met de alom geaccepteerde, waardevaste bankguldens.
Al snel lieten de kooplui zich liever per overschrijving betalen dan allerlei soorten zware edelmetalen munten bij zich te dragen. Ze prijsden hun koopwaar in de nieuwe munteenheid en het monetaire landschap werd een stuk overzichtelijker. Zo konden ze zich toeleggen op waar ze goed in waren: de handel.

Joost van den Vondel prees de Wisselbank in gedichten, en de Britse politiek econoom Adam Smith wijdde in zijn invloedrijke boek The Wealth of Nations (1776) meerdere pagina’s aan de betrouwbaarheid van de Amsterdamse banktegoeden als betaalmiddel.
In Amsterdam is geen geloof rotsvaster dan dat in de gulden. Voor elke gulden die als bankgeld in omloop is, ligt een corresponderende waarde in zilver of goud in de schatkamer van de bank. De stad staat daarvoor garant. […] in dit sobere en gelovige land worden beloftes nog niet geschonden.
Het belangrijkste verschil tussen de Amsterdamsche Wisselbank en de huidige banken: de Wisselbank deed niet aan geldschepping. Er werd uitsluitend banktegoed gecreëerd in ruil voor bestaand geld dat in de kluis lag.

De Wisselbank verstrekte geen leningen, maar was puur een betaal- en bewaarbank, en legde zich toe op één taak: een stabiele munt bieden voor het handels- en betalingsverkeer. De houder van het banktegoed liep zodoende geen kredietrisico. Daarmee had Amsterdam de basis gelegd voor een solide financieel stelsel. Op dit fundament konden anderen naar hartenlust innoveren met nieuwe financiële producten, zoals verhandelbare aandelen en bedrijfsleningen. Mede dankzij dit stabiele geldsysteem kon Amsterdam zich ontwikkelen tot het financiële centrum van Europa.
Ook de Wisselbank kreeg met bankruns te maken. Maar omdat de bank louter een betaal- en bewaarbank was, leidde dat niet tot een systeemcrisis.

De magistraten gaven direct opdracht de kluizen te openen waar de schat werd bewaard. Die werd intact aangetroffen, precies zoals hij daar in de loop van zestig jaar was gedeponeerd. De munten waren nog altijd zwart en verkleurd door het vuur dat het stadhuis enige jaren eerder had verwoest.
De muntvoorraad slonk tussen 1671 en 1673 van 8 miljoen bankguldens naar 2 miljoen, maar de bank ging niet failliet. De paniek luwde en sloeg niet over naar de rest van het financiële systeem.
Zelfs toen bij een inspectie van de boeken een enorme fraude werd ontdekt (boekhouder Rutgert Vlieck had sinds 1657 minstens 300 duizend gulden verduisterd, voor die tijd een immens bedrag), bracht dat de bank niet in gevaar. Nadat de rekeninghouders met eigen ogen hadden gezien dat alle tegoeden gedekt waren en Vlieck in 1673 voor het bankgebouw op het Damplein met een zwaard werd onthoofd — in die tijd kwam je niet zomaar weg met witteboordencriminaliteit — was de reputatie van de Wisselbank voorgoed gevestigd.

De verleiding van fractional reserve banking
Als het bedrijfsmodel van de Amsterdamsche Wisselbank zo goed werkte en eeuwenlang voor financiële stabiliteit had gezorgd, waarom hebben we nu dan geen bewaarbanken? Waarom zijn de banken van tegenwoordig allemaal bewaar- en leenbank tegelijk? Schuilt hierin misschien de oorzaak van onze financiële instabiliteit?
Hoe de Wisselbank aan het eind van de achttiende eeuw alsnog ten onder ging, bevestigt die hypothese. De bank ging in het geheim banktegoeden creëren, door leningen aan de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de stad Amsterdam te verstrekken. Ze gaf banktegoeden uit zonder in ruil daarvoor munten te ontvangen en in haar kluis op te slaan. Ze verruilde kortom full reserve banking voor fractional reserve banking.
De Wisselbank begon met de creatie van banktegoed via ‘wederzijdse schuldaanvaarding’: nieuwe tegoeden verstrekken op basis van krediet. Ook de bestuurders van de Wisselbank konden de verleiding van hogere winsten die met deze vorm van bankieren gepaard gaan, niet langer weerstaan. De VOC was immers ’s lands meest succesvolle bedrijf en betaalde een flinke rente over de geleende bedragen. De bank veranderde van een bewaarbank in een geldscheppende bank.

Deze transformatie had een keerzijde die de bank uiteindelijk fataal werd: ongedekte tegoeden scheppen brengt kredietrisico’s met zich mee. De banktegoeden werden niet langer volledig gedekt door munten in een kluis, maar deels door de terugbetaal-beloftes van derden, in dit geval: van de VOC. Toen het handelsvolume van de VOC met 75 procent implodeerde, vanwege de vierde oorlog tussen de Nederlandse Republiek en het Engelse Koninkrijk (1780–1784), kon ze haar rentes niet meer ophoesten. Tegen het eind van de oorlog was nog maar een derde van de uitstaande tegoeden gedekt met edelmetaal.
Pas in 1795, nadat de Franse revolutionaire legers Amsterdam innamen en de kluizen lieten openen, kwam aan het licht hoe laag de dekkingsgraad inmiddels was. De Wisselbank werd meegetrokken in de val van de VOC, de bank kon niet langer aan haar beloftes voldoen. In 1820 viel de Amsterdamsche Wisselbank om.
De geschiedenis herhaalt zich
De belangrijkste les van deze historische vergelijking: zolang iedereen kon zien dat de bankgulden volledig werd gedekt met edelmetaal, was er vertrouwen en bracht de stabiele munt betaalgemak en veiligheid. Maar toen de bank in het geheim leningen begon te verstrekken zonder adequate dekking, was dat het begin van het einde.

De vraag blijft of het verstandig is om de uitgifte van digitaal geld over te laten aan private bedrijven en de Trump-familie. Ons geld vervult tenslotte een onmisbare publieke functie binnen onze economie. De geschiedenis heeft laten zien dat het tot flink wat corruptie en ellende voor gewone mensen kan leiden wanneer je het geldstelsel niet verstandig inricht.
Vier eeuwen Nederlandse ondernemers
De gruwelijke moord op de gebroeders De Witt
Ongelijke verdeling van geld: is dat eigenlijk slecht?
De geschiedenis van warenhuis De Bijenkorf, sinds 1870
Dat is een dubbeltje op z’n kant
Spaarvarken – Herkomst van de term