De mens die getuige was van de zondvloed

Homo diluvii testis et theoskopos
4 minuten leestijd
Homo diluvii testis. Het fossiel zoals te zien in het Teylers Museum in Haarlem
Homo diluvii testis. Het fossiel zoals te zien in het Teylers Museum in Haarlem (CC BY-SA 4.0 - Ghedoghedo - wiki)

De Zwitserse arts en natuuronderzoeker Johann Jacob Scheuchzer beweerde in 1725 het versteende geraamte te hebben gevonden van een mens die getuige was geweest van de Bijbelse zondvloed, waarbij de God van het Oude Testament middels een zondvloed afrekende met alle slechte mensen op aarde en alleen Noach spaarde door hem een ark te laten bouwen.

Johann Jakob Scheuchzer
Johann Jakob Scheuchzer
Het beroemde fossiel werd aangetroffen in een leisteengoeve in het Duits plaatsje Öhningen, vlakbij de Bodensee. Scheuchzer was zeer enthousiast toen hij het onder ogen kreeg. Hij meende nu hét bewijs te hebben gevonden dat het bijbelverhaal over de zondvloed op waarheid berustte. Last van twijfel had de Zwitser niet. Hij was er vol van overtuigd het geraamte van een verdronken mens te hebben gevonden. In zijn Physica sacra schreef hij dan ook zelfverzekerd:

“Het is zeker dat deze lei de helft – of bijna de helft – van het geraamte van een mens bevat, dat het gebeente en bovendien het vlees en delen die zachter zijn dan het vlees, met deze steen zijn versmolten. In één woord: dit is een van de zeldzaamste overblijfselen van dat vervloekte ras dat onder de wateren is begraven.” Ararat – Frank Westerman (2018)

Het fossiel kreeg van hem de toepasselijke naam: Homo diluvii testis et theoskopos (de mens, getuige van de zondvloed en die God heeft gezien)

Tekening van het salamander-fossiel, mét de twee door Cuvier uitgebeitelde pootjes
Tekening van het salamander-fossiel, mét de twee door Cuvier uitgebeitelde pootjes
Die ontdekking kwam Scheuchzer goed uit. De Zwitser had er namelijk zijn levenswerk van gemaakt om, aan de hand van fysische verschijnselen, Bijbelse gebeurtenissen te verklaren. Een onomstotelijk bewijs van de Bijbelse zondvloed stond hoog op het wensenlijstje. Op legio plekken op aarde waren namelijk al wel allerlei oude dierlijke fossielen gevonden die volgens wetenschappers waren weggevaagd tijdens de vernietigende zondvloed. Maar waarom vond men nooit menselijke fossielen, terwijl volgens de Bijbel alle slechte mensen tijdens de zondvloed de verdrinkingsdood stierven? Nooit was er een fossiel van een verdronken ‘zondvloed-mens’ gevonden. Theologen hadden hier wel een verklaring voor. Die stelden dat God de zondaren zelfs geen fossiele overlevering hadden gegund, maar wetenschappers, en ook Scheuchzer, bleven hopen ooit toch bewijs te vinden.

Met zijn ontdekking van het skelet in Öhningen meende Scheuchzer eindelijk beet te hebben. De schedel van het fossiel vertoonde volgens hem grote gelijkenissen met dat van de mens. Hoewel lang niet alle wetenschappers overtuigd waren, maakte Scheuchzer wel naam met zijn vondst. De Nederlands arts, natuuronderzoeker en chemicus Martinus van Marum kocht het inmiddels beroemde fossiel in 1802 aan, waardoor het in de collectie van het Teylers Museum in Haarlem belandde. Het bijschrift van Scheuchter luidde op dat moment:

‘Het treurige beendergeraamte van een oude zondaar, alzo in de zondvloed verdronken.’

Van Marum geloofde overigens niet echt dat het om het fossiel van een mens ging. Hij vond het object vooral interessant ter illustratie van het intense debat over het ontstaan van de mens dat toen tussen wetenschap en religie gaande was.

Homo diluvii testis. Het fossiel zoals te zien in het Teylers Museum in Haarlem
Homo diluvii testis. Het fossiel zoals te zien in het Teylers Museum in Haarlem (CC BY-SA 4.0 – Ghedoghedo – wiki)

Twee pootjes

Het fossiel bleef wetenschappers in de periode hierna nog lang bezig houden. Verschillende van hen, waaronder de Zwitserse natuuronderzoeker Johannes Gessner, meenden dat het in werkelijkheid om het geraamte van een grote salamander ging. Anderen dachten aan een grote hagedis-soort.

In 1811 kreeg de Franse paleontoloog Georges Cuvier de mogelijkheid de kwestie voor eens en altijd op te lossen. Het Teylers Museum verschafte de wetenschapper toestemming het fossiel verder uit te beitelen. Precies op de plekken waar Cuvier voorspelde, kwamen vervolgens twee hadegedispoten tevoorschijn. Daarmee was de stelling van Scheuchzer ontkracht. De uitgestorven reuzensalamander werd nog wel naar de Zwitser vernoemd. De Andrias scheuchzeri leefde zo’n vijf tot tien miljoen jaar geleden.

Het beroemde fossiel is nog altijd te bewonderen in Haarlem. Aan de kleurverschillen is nog te zien welke delen later door Cuvier zijn blootgelegd.

Korte video van Teylers Museum over het fossiel:

https://youtu.be/YAMZt2CQSLQ

Bronnen

-https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBNRC01:000029709:mpeg21:a0269
-Ararat – Frank Westerman (Atlas, 2018)
-https://www.vpro.nl/speel~WO_VPRO_2448475~zondvloedmens-camera-curiosa~.html
-Rotterdamsch nieuwsblad, 15-11-1917 (https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010296765:mpeg21:a0064)
-https://www.teylersmuseum.nl/nl/bezoek-het-museum/teylers-verhalen/nicolaes-witsen-1641-1717-en-de-zondvloed
-https://www.evolutietheorie.ugent.be/over-evolutietheorie/woordenboek/homo-diluvii-testis