Onderstaand fragment beschrijft de aankomst van vier olifanten aan de kust bij Msasani, nabij het huidige Dar es Salaam. Daar wordt geprobeerd de dieren aan land te brengen, een hachelijke operatie die duidelijk maakt hoe lastig het koloniale experiment in de praktijk was…
Zwemmen of verzuipen
Op de laatste dag van mei voer de Chinsura eindelijk van Stone Town naar de baai van Msasani op het Afrikaanse vasteland. 65 kilometer noordwaarts lag de handelsnederzetting Bagamoyo, waar de grote Arabisch-Swahilikaravanen verzamelden aan het begin en eind van hun reis naar het Tanganyikameer. De verschillende karavanen – waarvan sommige tot wel drieduizend man telden – ontmoetten elkaar rond kampvuren aan de rand van de stad. De gloed van het vuur wierp spookachtige schaduwen op het bos dat tot aan het water reikte.
Vandaag dobberen er aan het strand in Bagamoyo nog steeds handeldrijvende dhows (traditionele Arabische zeilschepen, red.) op de branding. De bedrijvigheid wekt de indruk dat de karavaanroutes even drukbezocht zijn, met als enige verschil dat er nu andere goederen verscheept worden. Het onverminderde getouwtrek om grondstoffen herinnert eraan dat ‘de geschiedenis van de mens het verhaal van productieketens is’. De zijderoute. De zoutroute. De ivoorroute. In Bagamoyo voeren mannen goederen af en aan op zee en laden ze boten vol met palmolie, hout en zakken houtskool. Wendbare dhows glijden moeiteloos over de branding, maar voor een stoomschip met vier volwassen olifanten was dit deel van de Swahili kust vroeger net zomin bevaarbaar als nu.
Om deze reden, en om uit het vaarwater te blijven van de Afro-Arabische karavaanbendes, besloot Frederick Carter om Kirks advies te volgen en de olifanten aan land te brengen in de beschutte wateren van de baai van Msasani. Tegenwoordig is Msasani een voorstad van Dar es Salaam, maar in 1879 was het een ondoordringbaar stuk jungle dat in een hoefijzervormige boog tot aan de kust reikte. Carter wilde de olifanten uit het schip laden met de draagriem en katrol die ze in Bombay hadden gebruikt om de dieren in te laden. Van Msasani was het een dag lopen naar Dar es Salaam, waar Carter zijn karavaan en de laatste voorraden kon oppikken. Vervolgens zou hij westwaarts trekken door de vruchtbare Puguheuvels en het Ulugurugebergte om ongeveer 160 kilometer landinwaarts vanuit de nieuwe Anglicaanse missiepost Mpwapwa een van de grote karavaanroutes te nemen. In Mpwapwa zou hij Leopolds andere karavaan van de Association Internationale Africaine (AIA) ontmoeten, onder leiding van Émile Popelin. Popelin, die zich niet om olifanten hoefde te bekommeren, zou de beproefde Bagamoyoroute volgen.

Carters route lag niet voor de hand, maar was doelbewust gekozen. Kirks botanische verkenningstochten hadden uitgewezen dat er in de Puguheuvels genoeg voedsel en water te vinden was voor de olifanten. Ook politiek was het een verstandige keuze. De olifantenoptocht zou de aandacht vestigen op de nieuwe weg die de Schotse scheepsbouwer Mackinnon was begonnen aan te leggen vanuit Dar. De ‘eerste in het primitieve Afrika’, schreef een Britse journalist in 1879. Iedereen, van Kirk tot Leopold, wilde Mackinnon als bondgenoot. Hij had de Belgische koning tenslotte aan olifanten geholpen en hun vrije doorgang vanuit Bombay mogelijk gemaakt.
Kirk bleek gelijk te hebben: Msasani was een goede plek om de olifanten aan land te brengen. Bij slecht weer vormden er zich geen golven, maar rimpels op het gladde wateroppervlak. Het water was bovendien zo diep dat een groot schip de kust relatief dicht kon naderen. Toen ik er was, kreeg ik de indruk dat de ontspannen sfeer uit Kirks tijd er nog steeds hing. Vissers wachtten op de getijdewisseling in leunstoelen waar de veren uit puilden. Op het romige zand lagen zeilen uitgespreid en zeevogels pikten in visgraten en rozige garnalenpellen. Traditionele botenbouwers beitelden aan houten planken. Kinderen slingerden aan de meertrossen en verstopten zich onder de omgekeerde roeibootjes. Alleen hun gespetter brak het wateroppervlak, dat de roze lucht weerspiegelde.
Een kleddernatte klucht
De Chinsura daarentegen kwam aangevaren onder een dik wolkenpak. Wat een schitterende start had moeten zijn van een nieuw tijdperk in de Afrikaanse ‘beschaving’, werd een kleddernatte klucht. Het was een miserabele dag voor een poging om aan land te gaan. De regen viel met bakken neer op de Europeanen die van Zanzibar waren gekomen om naar het spektakel te kijken vanaf het dek van het stoomschip van de sultan. De toeschouwers zaten de stortbui uit terwijl Carter en Kirk met een bootje aan land gingen om te bedenken hoe ze moesten voorkomen dat de Chinsura zou vastlopen op verborgen zandbanken.
[Kirk] spande zich in alsof hij zelf officieel de verantwoordelijkheid had…
…schreef een niet nader genoemde journalist in de Times of India.
Als doorgewinterd navigator voelde Carter zich in zijn element. Hij besloot dat de westkant van de baai te moeilijk begaanbaar was, want de jungle rees rechtstreeks uit de vloedlijn op. De oostkant van de baai van Msasani zag er veelbelovender uit, omdat daar tenminste een klein vissersdorpje lag. Maar de olifanten zouden ver moeten zwemmen, meer dan 3 kilometer, schatte een ooggetuige. Zelfs als ze de Chinsura dichter bij de waterkant voeren, was het niet zeker dat de olifanten dat hele eind konden zwemmen. ‘Niemand kon het zeggen’, meldde de correspondent van de Times of India.
‘Zelf had ik ze alleen maar als buffels in ondiepe rivieren zien spartelen.’
De uren daglicht verstreken en de vraag hoe deze ongebruikelijke lading gelost moest worden, bracht hen, aldus mevrouw Kirk, ‘in alle staten’.
Weggeplukt uit een luizenleventje
Voor olifanten die weggeplukt werden uit hun luizenleventje in een Indisch bergdorp met een zacht klimaat was deze verandering verbijsterend. Voordat ze geselecteerd werden voor hun opdracht in Afrika leidden ze in Pune een vredig bestaan in een Brits garnizoen op een weidse riviervlakte. In dit lommerrijke kantonnement graasden de olifanten tussen de barakken, koloniale bungalows en exercitievelden. In Pune brachten ze hun dagen door tussen ‘prachtige flamboyanten met oranje bloesems’. Het werk van de olifanten was louter ceremonieel en hun rust werd slechts af en toe verstoord door geweerschoten op de schietterreinen of de knal van een cricketbat tegen een bal.

Toen de Britse kunstenaar Edward Lear in 1874 een ‘moessonreisje’ hield in Pune was hij gecharmeerd van de koekoeken en rijkelijk versierde tempels van het stadje:
‘Behoorlijk indrukwekkend allemaal vanwege de schilderachtige schoonheid, en heel verrassend, aangezien ik steeds hoorde dat er “in Poona niets te zien valt”.’
Hij was vooral onder de indruk van de olifanten, die ook gebruikt werden om post rond te brengen. Hij maakte schetsen van de dieren bij het postkantoor van Pune, waar ze vastgebonden stonden in de schaduw van banyanbomen. Er waren ‘legio olifanten’, merkte Lear op, vooral in het oude deel van Pune aan de overkant van de rivier Mula-Mutha, waar de olifanten naartoe werden gebracht om gewassen te worden. Ganesha, de hindoeïstische god met het olifantenhoofd, was de familiegod van de Marathadynastie van Pune.
Tot op de dag van vandaag wemelt het in de kronkelende steegjes van de oude stad van de olifantenheiligdommen en -tempels. Op elke hoek zijn wassen, plastic of verzilverde Ganesha’s te koop die bij hindoeïstische pelgrims in trek zijn als souvenir. In geen enkele Indiase stad zijn olifanten zo geliefd, aanbeden en vertroeteld als in Pune.

Voor Leopolds vier nieuwe aanwinsten zal het dan ook een grote schok zijn geweest om in een van de warmste maanden van het jaar door de verzengende hitte naar Bombay te moeten lopen. De reis nam ongeveer een week in beslag en voerde min of meer langs de nieuwe spoorweg die Pune toen al met de kust verbond. De olifanten kwamen ’s nachts aan en werden in Bombay meteen op de Chinsura getakeld. Het was een chaotisch gebeuren waarbij advies in het rond vloog, zo meldde de Times of India:
‘De menigte was zodanig aan het roepen en dringen dat de mahouts de controle over de arme dieren verloren. Er brak paniek uit. Mensen stoven alle kanten op.’
Een van de vier olifanten hing te lang in de slinger en raakte gewond. Toen het dier uiteindelijk met een lading uien in het ruim van de Chinsura werd geduwd, was het zo getraumatiseerd dat het weigerde te gaan liggen.
De herinnering aan die afgang was nog vers toen de eerste olifant in de baai van Msasani over de reling van het schip werd gehesen. Over dit manoeuvre was ‘angstvallig gediscussieerd’ en deze keer volgden ze het advies van Kirk. De afloop viel onmogelijk te voorspellen. Een Aziatische vrouwtjesolifant weegt gemiddeld drieënhalve ton, een mannetje minstens een ton meer. De dieren hadden wekenlang meebewogen op de deining. In normale omstandigheden konden ze de hele dag door op hun gemakje eten. Op de Chinsura werden hun ledematen stijf en pijnlijk en raakten ze ondervoed, want de porties werden steeds kleiner. De kans bestond dat het de olifanten niet zou lukken om naar de kust te zwemmen. In dat geval zou de expeditie eindigen nog voor de dieren voet op Afrikaanse bodem hadden gezet.
Paniek

andere schip gehesen op weg naar de dierentuin van Londen. In 1879 werd er
een gelijkaardig systeem gebruikt als in deze foto uit 1930. Uit: Een school voor olifanten
Carter bedacht een reddingssysteem waarbij de olifant met touwen aan een bootje werd gebonden om haar naar het strand te trekken. Toen dat niet werkte, probeerde de bemanning op het bootje haar dansend en zingend bij haar vrienden weg te lokken. Het duurde nog vier uur voordat Sosankalli zichzelf op het Afrikaanse vasteland sleepte, waar ze beloond werd met het favoriete hapje van de olifanten: cakejes met suiker, rum en kruiden uit Pune.

Er waren nog drie olifanten te gaan en het zou snel donker worden, dus was het de beurt aan Pulmalla, of ‘bloemenkrans’, een statige vrouwtjesolifant die in Pune de taak had hoogwaardigheidsbekleders over de brede stenen olifantentrap naar de Parvatitempel te dragen. Ze was de oudste van de vier en het enige rijdier. De twee mannetjes met slagtanden heetten Naderbux, of ‘wonderverwekker’, en Sundar Gaj, ‘de mooie olifant’, een dier ‘in de bloei van zijn olifantenleven’, in de woorden van een van de missionarissen die vanuit Aden op de Chinsura was meegereisd.
Slurf als snorkel
Na zorgvuldig overleg met Carter liet de kapitein zich overhalen om het schip dichter bij land te brengen. Met behulp van een nieuw, aan een boomstam bevestigd touwensysteem werd er een kleinere loodsboot naar de kust getrokken die op zijn beurt de zwemmende dieren voorttrok. Het regende nog steeds pijpenstelen toen Pulmalla, Naderbux en Sundar Gaj naar de kust zwommen, met hun slurf als een snorkel boven het water. Maar toen ze eindelijk voet aan wal zetten, stormde Sundar Gaj de jungle in. Zijn mahout sprong van zijn rug omdat het struikgewas zogenaamd te dicht was. En dat was het dan: het stoomschip van de sultan maakte rechtsomkeert naar Stone Town met een menigte doorweekte Europeanen vol sterke verhalen.

Vertaling Janne van Beek en Tine Poesen
‘Dood de olifant!!!’
Hans en Parkie, twee olifanten voor stadhouder Willem V
Belgisch Congo: Leopold II’s koloniale erfenis
Dierentuindieren opgeofferd voor Japanse eindstrijd
Jumbo, de megaolifant die een wereldster werd