Coornhert en Herbers: verwante geesten met een verlangen naar een gezuiverde kerk

22 minuten leestijd
Portret van Dirck Volckertsz Coornhert Hendrick Goltzius, 1591-1592
Portret van Dirck Volckertsz Coornhert Hendrick Goltzius, 1591-1592 (Rijksmuseum)
Dirck Volckertszoon Coornhert en de gereformeerde predikant Herman Herbers stonden in de zestiende eeuw bekend om hun afwijkende geloofsopvattingen, die binnen kerkelijke kring tot veel discussie leidden. Op Historiek is een fragment opgenomen uit een recent verschenen studie (Verloren) van Kees Plaizier, waarin hun ideeën en reputatie centraal staan.

Beeldvorming door de eeuwen heen

De katholieke theoloog Dirck Volckertszoon Coornhert en de als dissident bekendstaande gereformeerde predikant Herman Herbers werden 450 jaar geleden door vertegenwoordigers van de toenmalige Gereformeerde Kerk voorzien van vele kwalificaties. Hiermee wilden zij hun ongenoegen tot uitdrukking brengen met de geloofsopvattingen van deze theologen.

Dirck Volckertszoon Coornhert en Herman Herbers
 
Termen als libertijn, drijfgeest en vrijgeest lijken eerder bedoeld te zijn als scheldwoorden dan dat zij de theologen moesten typeren. Deze vage termen zonder veel inhoud bleven desondanks lange tijd in gebruik om de mannen te etiketteren. Vanaf de negentiende eeuw zijn daar nog begrippen als rationalistisch voor Coornhert en vrijzinnig en spiritualistisch voor beiden aan toegevoegd.

Zowel Coornhert als Herbers gingen vrijmoedig hun eigen weg, Coornhert buiten, Herbers binnen de kerk. Beiden verlangden naar een gezuiverde kerk voor iedereen, teruggekeerd tot de apostolische traditie. Hun optimistisch geloof kenmerkt zich door benadrukking van de innerlijke ervaring, naast het vasthouden aan de geloofswaarheden waarvan zij wilden getuigen.

De literatuurstudie Dirck Volckertszoon Coornhert en Herman Herbers, die in november 2025 bij Uitgeverij Verloren te Hilversum verscheen, beoogt de beeldvorming over Coornhert te doorbreken, vooral door uitspraken van een aantal auteurs te confronteren met de talrijke theologische publicaties van zijn hand. Ook de nog bestaande beeldvorming over Herbers wordt bijgesteld. De geloofsopvattingen van deze verwante geesten worden met elkaar vergeleken. Een deel van deze vergelijking is in het volgende fragment opgenomen.

Coornhert en Herbers: verwante geesten

Beide theologen laten een opmerkelijke geestverwantschap op geloofsgebied zien, wat blijkt uit de tegen de dominante leer van de publieke kerk ingaande theologische publicaties van beiden. Hun bevindelijke geloofshouding roept vragen op over aan hen toegeschreven spiritualistische ideeën, die het beeld over hun denkwereld vertroebelen. Een belangrijk verschil tussen beiden, dat waarschijnlijk vriendschap in de weg stond, is hun verhouding tot de Gereformeerde Kerk. De katholieke Coornhert stond tegenover de Gereformeerde Kerk, die hij verfoeide, maar waaraan Herbers vanaf zijn intrede in 1577 trouw is gebleven. Herbers zag de Gereformeerde Kerk als de publieke kerk voor zoveel mogelijk mensen. Coornhert zag die rol weggelegd voor een gezuiverde katholieke kerk.

Waarheidsdrang

Coornhert woont al enige tijd in Gouda als hij op een dag een wandeling maakt op de Veerstal in Gouda, niet ver van zijn woonhuis aan de Oosthaven. Plotseling ziet hij een vrouw in de Hollandse IJssel vallen. Ze kan niet zwemmen en dreigt te verdrinken. Coornhert, die wel kan zwemmen, maakt aanstalten om haar te redden. Hij ziet de Veerstal inmiddels vol mensen en denkt dat iedereen hem zal prijzen voor zijn heldendaad. Hij beseft dat hij de vrouw niet uit liefde maar uit eerzucht wil helpen. Dat doet hem verdriet. Hij kan geen betere reden bedenken om de vrouw te redden. Moet hij de vrouw laten verdrinken omdat zijn motieven niet zuiver zijn, of behoort hij haar uit eerzucht te redden, omdat hij niemand anders op de Veerstal ziet die haar te hulp schiet?

Coornhert vertelde dit verhaal in het voorwoord van zijn kritische verhandeling over de sektariër David Joris, die hij in 1590 in Gouda aan het eind van zijn leven schreef. Hij wilde zich met dit verhaal verantwoorden, maar deed dat ook door de apostel Paulus te citeren:

Wat telt is dat Christus verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt – dát het gebeurt verheugt me. Filippenzen 1:18

Portret van Dirck Volckertszoon Coornhert
Portret van Dirck Volckertszoon Coornhert door Hendrick Goltzius. Haarlem 1591-1592. Rijksmuseum

Hij voelde zich geroepen om te schrijven over gelovigen die de waarheid van Christus door ondervinding hebben leren kennen. Zij hebben het ware leven van God en volmaakte zaligheid. David Joris behoorde uitdrukkelijk niet tot deze categorie. Coornhert, die – zoals hij zelf schreef – Christus liefhad, kon niet stilzwijgend aan de dwalingen van Joris voorbijgaan.

Een soortgelijk verhaal is te vinden in een dialoog waarin de auteur zich eveneens verantwoordt voor zijn drang om te schrijven. Hij doet dat thuis, waar hij bezoek krijgt van iemand die lange tijd de leer van David Joris heeft aangehangen. Deze man wil weten of de auteur wettelijk door God is gezonden om volken en gemeenten te leren. Het is hem bekend dat hij enkele geschriften wil uitgeven. De auteur wil in een tijd van verwarring en velerlei sekten zijn opvattingen aan alle mensen, zonder onderscheid, voor ogen stellen. Hij staat open voor verbetering en het oordeel van anderen. Hij wil de waarheid schrijven tot nut van zijn naaste en hoopt dat er nog goedwillende en boetvaardige mensen zijn wier oordeel niet geheel door partijvorming verblind is.

De voormalige aanhanger van David Joris verdenkt de auteur ervan dat hij alleen boeken wil schrijven om eer te behalen. Dan vraagt de auteur zich af wat hij zou doen als iemand in het water valt en dreigt te verdrinken. Hij hoopt dat het toestromende volk hem zal prijzen als hij de drenkeling weet te redden. Hij vindt geen andere reden dan eerzucht om de drenkeling te redden. Zal hij de man laten verdrinken omdat hij hem niet zonder eerzucht kan helpen? Of zal hij hem toch redden?

Volgens de voormalige aanhanger van David Joris moet de auteur de drenkeling redden. Dat komt overeen met de opvatting van Paulus: Christus moet gepredikt worden, of het nu uit liefde gebeurt of om onzuivere redenen. De auteur moet dus blijven schrijven. Hij wordt aangespoord door de wet van de natuur. Hij ziet zijn naasten verderfelijk dwalen. Hij kan niet zwijgen zonder last te krijgen van zijn geweten. Hij heeft het zelf op prijs gesteld dat anderen hem waarschuwden als hij op de verkeerde weg was. De auteur (Coornhert) eindigt de dialoog met: ‘Laat dan o Here Uw Heilige Geest der waarheid alleen, tot eer van U en tot nut van alle mensen en tot niemands schade, door mij spreken. Amen.’

In dezelfde tijd waren ook de dwalingen van de in opspraak geraakte predikant Herman Herbers veelvuldig onderwerp van gesprek tijdens synodes van de Gereformeerde Kerk. Herbers op zijn beurt liet niet na dwalingen aan te wijzen in het kerkvonnis over zijn in 1584 verschenen werk Corte verclaringhe. Beide mannen voelden een sterke drang om de Bijbelse waarheid te verkondigen. Herbers deed dit binnen het verband van de kerk, Coornhert erbuiten. De zuiverheid van het geloof stond voorop, maar dit werd niet door iedereen begrepen. Zowel Coornhert als Herbers hadden een rooms-katholieke achtergrond, die altijd een rol bleef spelen. Coornhert bleef lid van de Rooms-Katholieke Kerk. Hij had kritiek op de misstanden binnen deze kerk, maar veel minder op de leer. Hij verdedigde zelfs de leer van de transsubstantiatie tegenover de gereformeerde predikanten. Herbers sympathiseerde met de rooms-katholieke werken van voorbereiding op de sacramenten, zoals biechten, vasten, bidden en verzoening. Hij stelde dit gebruik als voorbeeld voor de gehele christenheid.

Coornhert heeft twee jaar in Gouda gewoond, toen Herbers daar predikant was. Ze woonden dicht bij elkaar: Coornhert aan de Oosthaven, Herbers op de hoek van de Kleiweg en de Nieuwstraat. Het is niet bekend of beide mannen elkaar weleens ontmoet hebben. Coornhert kende Corte verclaringhe van Herbers. Hij verwees ernaar in Hemel-werck, dat een jaar na Herbers’ boek werd uitgegeven. Hij antwoordde de predikanten dat hij meer zou kunnen zeggen over de ‘Besnijdinge des Herten’ (de innerlijke overgave aan God), maar dat er al veel meer over was geschreven door hun ‘mededienaar dominee Hermanum Herberts’ dan zij in vele jaren konden beantwoorden.

coornhert gravure
Coornhert was ook een verdienstelijk graveur. Hij had veel inbreng bij het bedenken en vormgeven van de uitgebeelde thema’s. Deze prent, getiteld ‘Waarheid leert de mens God aanbidden’, maakt deel uit van een serie over de triomf van de waarheid. De Ware Gelovige (Adorator Verus) wordt door Waarheid (Veritas) begeleid. Zij wijst hem het stralende licht van God dat vanachter duistere wolken tevoorschijn komt. Door zich te laten leiden door Waarheid, wordt de Ware Gelovige bezocht door de Heilige Geest (een duif). Ontwerp: Adriaan de Weerdt. Duitsland 1566-1578 (Rijksmuseum)

Inleiding geloofsleven

In de door Coornhert en Herbers nagelaten geschriften werden hun geloofsopvattingen uitvoerig aan de orde gesteld. Die geschriften hebben als bron gediend om hun beider geloofsleven vanuit hun eigen perspectief te kunnen verwoorden.

Coornhert was nog maar een jaar of 15 toen hij de rooms-katholieke leer en de boeken van reformatoren toetste aan de Bijbel. Volgens hem waren de rooms-katholieke leer en de reformatorische boeken niet geheel in overeenstemming met de Heilige Schrift. Toch bleef hij zijn Rooms-Katholieke Kerk trouw. Hij wist niet zeker of rooms-katholieke dan wel protestantse dwalingen het ergst waren. Hij ervoer een grote geestelijke strijd. In die toestand bad hij God om wijsheid en herstel van de kerk. Hij voelde zich geroepen om misvattingen te bestrijden, vooral de gereformeerde leer van de erfzonde. Hij wilde opkomen voor christenen, die zich net als hij niet thuis voelden bij een kerkgenootschap. Voor hen was er in deze verwarrende tijd de onzichtbare kerk, de gemeenschap van gelovigen die zich als christenen verenigd wisten. Coornhert beschouwde zijn visie op het geloof als een openbaring van godswege.

Herbers gebruikte soortgelijke bewoordingen: hij geloofde dat het leven in Christus hem uit genade geopenbaard was als het enige middel tot zaligheid. Hij maakte een andere ontwikkeling door als Coornhert. Reformatie stond voor hem in het teken van de christelijke vrijheid. Hij zal zijn hoop op terugkeer van de oude apostolische kerk aanvankelijk op de publieke kerk hebben gevestigd, maar moet teleurgesteld zijn geraakt in een kerk die zich steeds meer afsloot voor andersdenkenden. Hij is nooit een overtuigd calvinist geworden.

Mystiek

Zowel Coornhert als Herbers hadden een hang naar het mystieke. Coornhert las graag uit het veertiende-eeuwse anonieme mystieke traktaat Theologia Deutsch, maar de opvatting in dit werk dat een christen op aarde nooit helemaal van droefheid kan worden bevrijd, verwierp hij. Die zienswijze was niet in overeenstemming met Coornherts ideeën over volmaakbaarheid. Volgens Coornhert is het allerhoogste goed van de mens zijn vereniging met God. De ziel neigt van nature naar haar oorsprong, naar God als het wezen van de ziel. Zij die Christus volgen zullen veranderen. Ze zijn in de Heer die een Geest is. En waar de Geest van God is, daar is vrijheid.

Coornhert gebruikte mystieke termen om zijn innerlijk ervaren geloof te verwoorden. Soms zocht hij steun bij kerkhervormers. Calvijn schreef bijvoorbeeld dat het Rijk van God niet aards is, maar een inwendige vernieuwing van de ziel. Navolging van Christus was voor Coornhert een oprechte oefening van de gelovige om gelijk aan God te worden. De gelovige moet echter bedenken dat hij niets goeds van zichzelf heeft, maar dat hij alles van God heeft ontvangen. Alleen de persoonlijke ervaring of – zoals Coornhert het zei – bevindelijkheid kan tot wijsheid en deugdzaam gedrag leiden. Voor Coornhert was gelatenheid die tot de vreugde van God leidt een belangrijke deugd.

Herbers’ geloofsleven werd bepaald door zijn ontvankelijkheid voor de werking van de Heilige Geest en zijn verlangen naar vereniging met Christus. Achter de letterlijke woorden van de Bijbel zag hij een verborgen betekenis, alleen te verstaan voor gelovigen die waren aangeraakt door de Heilige Geest. Hij gebruikte vaak verwijzingen naar mystiek te duiden teksten van Paulus. De gelovige mens kan alleen door Christus bevindelijk – ook Herbers gebruikte dit woord vaak – tot kennis van God verlicht worden en Zijn natuur deelachtig worden.

Korte Onderwijsinghe der kinderen in de Christelijcke Religie - Herman Herbers
Korte Onderwijsinghe der kinderen in de Christelijcke Religie – Herman Herbers
Ook uit het na Herbers’ overlijden voor kinderen gedrukte boekje Korte Onderwijsinghe der kinderen in de Christelijcke Religie blijkt diens mystieke inslag. Op de vraag naar het hoogste goed werd als antwoord gegeven: ‘mijn vereniging met God’. Coornhert had die vraag naar het hoogste goed al jaren eerder uitgewerkt door middel van vijf gesprekken met vrienden over ‘wellevenskunst’. Kennis van het hoogste goed brengt de gelovige tot eenwording met God. Het opperste goed van de mens is een toestand, waaraan het minst ontbreekt om gelijk aan God te zijn, voor zover de menselijke natuur zich met de goddelijke kan verenigen.

Bijbel, kennis en waarheid

Herbers en Coornhert hadden met elkaar overeenstemmende opvattingen over de Bijbel. Volgens Herbers moet het hart van de mensen worden geopend om de Bijbel te kunnen verstaan. Het Woord des Levens is echter niet de Bijbel, maar Christus door wie de gelovige mens innerlijk wordt geraakt. De Bijbel is een getuigenis van het leven en wijst op Christus. Er is nog een andere wijsheid nodig om de mensen tot volmaakte kennis van Gods verborgenheden te brengen: de wijsheid van de Heilige Geest.

Herbers’ opponenten schreven volgens hem te veel kracht toe aan de Bijbel, waardoor het geestelijke priesterambt van Christus wordt verkleind. De inwendig verlichte gelovige heeft de Bijbel niet meer nodig. Ook Augustinus leerde dat de door geloof, hoop en liefde gesteunde gelovige geen Heilige Schrift meer nodig heeft, behalve om anderen te onderwijzen. Coornhert gebruikte dezelfde uitspraak van Augustinus om te onderstrepen dat kinderen van God door God zelf worden onderwezen en dus de getuigenissen van de Bijbel niet meer nodig hebben.

Volgens Coornhert kon menselijke uitleg niet de ware leer vertegenwoordigen. Voor hem was de Bijbel het ware getuigenis van God, maar niet het Woord zelf, dat er vóór alle begin was. Christus is de Waarheid. Dat maakte de Bijbel voor hem niet minder belangrijk. Een gelovige kan ware kennis vergaren door de Bijbel te lezen en heeft niet meer nodig, omdat in de Bijbel de Heilige Geest zelf tot spreken komt.

Bekentenisse des Gheloofs - Herman Herbers
Bekentenisse des Gheloofs – Herman Herbers
Coornhert vond dat elke leer aan de Bijbel moest worden getoetst. In zijn geschriften verwees hij rijkelijk naar Bijbelplaatsen. Herbers deed hetzelfde. In de brief aan het Gouds stadsbestuur, die voorafgaat aan zijn Bekentenisse des Gheloofs, schreef hij dat hij zijn opvattingen bevestigd had met geannoteerde spreuken van de Heilige Schrift of met getuigenissen van de kerkvaders, opdat alle katholieke (algemeen christelijke) mensen ervan verzekerd konden zijn dat hij niets nieuws bracht. De door bevindelijkheid verkregen waarheid van de Bijbel stond voor beide mannen voorop.

Herbers leerde in Dordrecht – waar hij vijf jaar predikant was, voordat hij naar Gouda kwam – vrijmoedig wat hem als waarheid was geopenbaard, wat door zijn ambtsbroeders moeilijk werd verdragen. Eerst moet men volkomen kennis hebben, de kennis die in Christus is te vinden, voordat men verenigd kan worden met God. Ook voor Coornhert had kennis alles te maken met het vinden van de waarheid van God. De redelijke mens zoekt naar kennis van het goede ofwel naar het kennen van God. Zonder gebruik van de rede kan niemand een kind van God worden. Wie de waarheid heeft leren kennen, beseft dat het geloof in een valse leer dodelijk voor zijn ziel is. Maar Coornhert vond ook dat het niet goed is om te veel te willen weten. Zijn motto was: ‘Weet of rust.’ Hij wilde optreden als getuige van de waarheid. Hij zou niet met een goed geweten kunnen toekijken hoe de ziel van zijn naaste verloren gaat. Libertijnen deden dat in Coornherts ogen wel.

Letterlijke of geestelijke uitleg

Herbers gebruikte meer dan een derde van zijn Bekentenisse des Gheloofs voor de vraag of de Bijbelse waarheid letterlijk of geestelijk moet worden uitgelegd. Hem ging het vooral om de geestelijke betekenis, om wat de woorden van binnen met de mens doen. De Bijbel kan alleen worden uitgelegd door de werking van Gods Geest. Ons gemoed wordt bevindelijk bewogen door het wezen van Christus.

Ook Coornhert maakte onderscheid tussen de dode letter en het levende Woord. De Heilige Geest is de enige leermeester. De Geest spreekt tot het hart, de Schrift overtuigt ons met ons verstand. Hij dacht over dit onderwerp genuanceerder dan Herbers. In zijn kritiek op de sektariër Hendrik Niclaes schreef hij dat hij de Bijbel meer gelooft dan de geestelijke, hemelse en allegorische geschriften van deze ‘grote libertijn’. Wanneer hij hierin letterlijk is, is hij liever met de Bijbel letterlijk dan met Niclaes geestelijk, zoals hij en zijn aanhangers dat noemden. Maar het verhaal in het Bijbelboek Genesis over Adam en Eva, die zich schaamden voor hun naaktheid, zou volgens Coornhert niet letterlijk moeten worden genomen. Hier past een allegorische uitleg door de predikanten. De gebeurtenis zou ook niet gezien moeten worden als straf voor alle nakomelingen. Gelovigen zouden zelfs zondigen als de Bijbel alleen letterlijk of alleen geestelijk wordt uitgelegd. De middenweg is het veiligst.

Libertijnen

Vrije geesten of libertijnen werden zowel door Coornhert als Herbers bestreden, maar omgekeerd werden ook zij door hun tegenstanders en latere auteurs voor libertijnen gehouden. Herbers’ opponenten schreven dat Joris een echt libertijnse geest had, hiermee suggererend dat Herbers ook een libertijn was vanwege zijn sympathie voor het werk van Joris. Herbers zou zich bij zijn aanstelling in Gouda een goddelijke beroeping hebben ingebeeld. Volgens Herbers zelf was hij gevraagd door de Staten van Holland, het Gouds stadsbestuur, de classis en de kerkenraad. Hij vertrouwde erop dat zijn opponenten, ondanks hun spottende vragen, niet durfden tegenspreken dat er verstandige mensen bij zijn aanstelling betrokken waren geweest, die naar de Geest leefden. Maar hij vermoedde dat zij dit niet wilden toegeven en deze mensen eerder voor zogenoemde libertijnen zouden houden.

Coornhert werd ervan beschuldigd – naar zijn mening ten onrechte – dat hij niet van het gebruik van sacramenten hield. Hij sprak van kwaadsprekerij door mensen die hij als libertijns kwalificeerde. De uitleg van predikanten over de erfzonde zou libertijnen tot verkeerde opvattingen kunnen brengen: niet ik doe kwaad, maar de zonde die in mij woont. Hij vroeg zich af of er op aarde een duivelarij te vinden zou zijn die nog verderfelijker was dan deze libertijnse leer. Gelovigen hebben geen berouw meer over hun zonden als hun geleerd wordt dat niemand de geboden van God volkomen kan onderhouden. Volgens Coornhert vormde de leer van de predikanten de basis voor libertijnse goddeloosheid. Hij maakte zich zorgen over gewone mensen, die eraan twijfelen of ze ooit tot kennis van de waarheid kunnen komen en die zich vervolgens afkeren van de goede zeden om terecht te komen in een libertijnse vrijheid.

Omgang met gereformeerde predikanten

Coornhert kon bijzonder fel en onverdraagzaam zijn in zijn aanvallen op predikanten. Hij stond niet open voor hun geloofsopvattingen. Hij noemde hen ‘gedeformeerden’, die de traditie van de ‘roomse kerk’ verachtten en de meest schaamteloze lasteraars van de wereld waren, omdat zij zich niet aan de Bijbel hielden. De Heidelbergse catechismus vond hij een wanhopige en doemwaardige leer, schijnheilig en een openbare lastering tegen Christus. Twijfel of God zal doen wat Hij heeft beloofd mag in zijn ogen geen geloof heten. Gereformeerden die leerden dat hier niemand volmaakt kan zijn, werden door hem getypeerd als leugenachtig. Hij bad de genadige God zelfs om zijn gereformeerde opponenten van hun waanideeën te verlossen.

Heidelbergse Catechismus
Titelblad van de uitgave van de Heidelbergse Catechismus uit 1563
Herbers was milder in zijn oordeel, waarschijnlijk ook omdat hij voorzichtig moest zijn in zijn kritiek op de leer van een kerk, waarvan hij zelf deel uitmaakte. Hij was kritisch, maar bediende zich niet van scheldwoorden. Hij vroeg om vergeving, nadat hij werd beschuldigd van laster en van hovaardige verachting. Soms liet hij zich gaan met een uitroep als:

Lieve, zeg mij toch, hoe mag God die het licht zelf is en het hoogste goed, de duisternis en het kwaad scheppen?

Felle aanvallen, zoals bij Coornhert, bleven achterwege.

Ceremoniën

Coornhert keerde zich tegen het gebruik van ceremoniën, maar wees deelname eraan niet principieel af. Een gelovige mag degenen die van doop en avondmaal gebruikmaken niet verachten. Deze sacramenten zijn door Christus zelf opgedragen. Coornhert wilde alleen het valse gebruik bestrijden. Uiteindelijk gaat het niet om de ceremoniën, maar om wat deze symbolen vertegenwoordigen. Het ware avondmaal wordt in eendracht en geloof geestelijk gegeten. De uiterlijke godsdienst bestaat uit een heilige levenswandel, maar is slechts schijndeugd als zij niet wordt gevoed met innerlijk geloof.

Elke christen moet de sacramenten gebruiken om zwakkere christenen te verheffen, maar wel volgens de geboden van Christus. Coornhert verwees ook naar Calvijn, Erasmus en zelfs naar zijn gereformeerde opponenten om zijn gelijk kracht bij te zetten. Calvijn zou geschreven hebben dat het een teken van kleingeloof is als de beloften van God niet genoeg zijn zonder sacramenten. Ook Erasmus legde de nadruk meer op innerlijk geloof dan op ceremoniën. En zelfs de Delftse predikanten Reinier Donteclock en Arent Corneliszoon schreven dat zuivere gelovigen de sacramenten niet nodig hebben. Sacramenten zijn er alleen om de zwakken in hun geloof te sterken.

Ook Herbers onderstreepte dat sacramenten gebruikt moeten worden zoals ze bedoeld zijn. Iemand kan het brood eten en de wijn drinken zonder de betekenis ervan in te zien. Volgens Herbers’ opponenten onttrekken mensen zich niet zozeer aan het avondmaal omdat er misbruik van wordt gemaakt, maar omdat ze niet aan dwang en vermaningen onderworpen willen zijn, of om het gevaar van vervolging te ontgaan. Het komt deze mensen goed van pas wat zij bij David Joris, Sebastian Franck of Herman Herbers kunnen vinden, namelijk dat het om het innerlijk gaat en niet om het uiterlijk.

‘Sacramenten zijn er alleen om de zwakken in hun geloof te sterken.’

Herbers schreef daarentegen dat er velen zijn die brood en wijn als trouwpenning ontvangen en dat zij zich met Christus, de Bruidegom van de gemeente, willen verenigen, maar niet de betekenis ervaren. Toch beroemen zij zich op de trouwpenning en verachten andere mensen, die niet tot de gemeente van Christus zouden behoren. Verschillende opvattingen over de doop zouden ernstig besproken moeten worden, maar wel met de geest van zachtmoedigheid.

Blijkbaar was er veel verwarring en twijfel over het ware gebruik van de sacramenten. Zowel Coornhert als Herbers legden daarom de nadruk op geloofservaring en niet op uiterlijkheden.

Predestinatie

Twijfel was er ook over het vraagstuk van de predestinatie. Het thema leidde binnen de Gereformeerde Kerk tot conflicten. Calvijn wilde met zijn leer over de voorbeschikking zekerheid en troost bieden aan de gelovigen, maar latere calvinisten worstelden met de vraag of zij verworpen of behouden zouden zijn. Toch hielden zij aan hun standpunten vast en veroordeelden zij gelovigen met een andere opvatting, zoals Coornhert en Herbers.

‘Nieuwe stoïcijnen’ noemde Coornhert de gereformeerden die beweerden dat God alles voorbeschikt en wij mensen slechts instrumenten zijn. Deugdzaamheid en het nalaten van zonden worden dan zinloos. Aan het eind van zijn leven schreef hij een omvangrijk boek over de predestinatie. Hiermee wilde hij zijn naasten van nut zijn door hen te behoeden voor dwalingen. Hij wilde in het openbaar uit naam van de liefde de religie zuiveren. Onlangs nog had hij stukken willen aanbieden aan de kerkmensen in Gouda – waar de provinciale synode van 1589 werd gehouden – maar zij weigerden deze aan te nemen. Hij deed dit in een land waar geloof en spreken vrij zijn. Coornhert doelde op het verzoek om de discussies met zijn opponenten, de Delftse predikanten, te mogen voortzetten. Hij wilde Gods predestinatie niet doorgronden, maar erin berusten. Het ging hem om de gruwelijke dwalingen van de ‘predestinateurs’, waarmee de leer op goddeloze wijze in diskrediet werd gebracht. Deze dwalingen schaden de eer van God. Ze storten de mens in het verderf, want door diens ziekelijke kwaadheid leert hij de natuur van God niet kennen. God zou zijn eer zoeken in het eeuwig verdoemen van de mens, zonder op hun zonden te letten. Daarom zou Hij zijn onnozele schepselen haten voordat zij kwaad hebben gedaan.

Ook Herbers heeft zich verzet tegen de rigide calvinistische leer van de predestinatie. Hij stelde dat de almachtige God geen verdoemenis vóór het begin van de wereld heeft ingesteld, maar wel het leven. Hij geloofde dat God Christus tot het leven ter zaligheid voor ons mensen heeft voorbestemd en dat daarom degenen die in Christus zijn ingelijfd Gods uitverkorenen zijn. Anderen, die dit leven niet hebben, zijn in de dood en door God verworpen. Hieruit volgt niet dat God de dood voor iemand heeft voorbestemd nog voordat sprake is van leven. Dit is openbare godslastering, strijdend tegen Gods heilige gerechtigheid.

De predikanten legden zowel Coornhert als Herbers Bijbelteksten voor die hun leer moesten bewijzen. Beiden werden geconfronteerd met Gods uitspraak dat Hij farao alleen zou hebben verwekt om Zijn macht te tonen en iedereen te laten weten wie Hij is (Romeinen 9:17). Volgens Coornhert wordt hier niet over verkiezing of verwerping van de zaligen en verdoemden gesproken, maar alleen over farao, die machtig was en goddeloos en daarom strafbaar. Herbers geloofde dat door Gods barmhartigheid farao werd aangespoord God te leren kennen en zich van zijn zonden bewust te worden. God zou zich weer over hem ontfermen als hij zijn zonden zou afleggen.

Erfzonde

Erfzonde kon in de ogen van Coornhert geen deel uitmaken van de beschikkingen van God. Hij heeft zijn leven lang geworsteld met de opvattingen van de kerken hierover. Wij zouden zieke mensen zijn, door erfzonde blijvend tot het kwade geneigd. De bedrieglijke predikanten zijn goddeloos door te leren dat het Christus onmogelijk is de verlossing van zonde te volbrengen. Nergens staat in de Bijbel geschreven dat de zoon om de misdaad van de vader kwaad geboren en verdoemd wordt, dat iemand de straf van een ander zal dragen of dat de menselijke natuur door Adams zonde verdorven is.

Coornhert schreef dat zijn geschil met de predikanten niet is of de mens zondigt, maar of dit zondigen aangeboren is. Hij zag menselijke ellende als een natuurlijke conditie. Ook de dieren ervaren ellende, terwijl hun voorouders niet gezondigd hebben. Niemand kan zonder tegenslag of strijd een deugdzaam mens worden. Wij verloren niet het beeld van God in Adam, maar hebben het juist geërfd. De genade van God in Jezus Christus is veel groter en machtiger dan de zonde in Adam. Coornhert bekritiseerde voornamelijk de Gereformeerde Kerk. Hij was veel milder over de rooms-katholieke leer. Het bleef bij de constatering dat erfzonde in de ogen van de rooms-katholieken geen zonde is, omdat men de aangeboren geneigdheid tot het kwade met Gods genade kan weerstaan.

Herbers meende dat het menselijk geslacht door de zonden van Adam ongehoorzaam is geworden en in ongenade is gevallen. Geen mens kan zichzelf door eigen kracht verlossen. Een middelaar is nodig, die de muur, die ons van God en het eeuwig leven scheidt, wegneemt. Die middelaar is Jezus Christus, die ons van de zonden verlost en ons als een mysterie van de verenigde goddelijke en menselijke natuur tot zaligheid door het Evangelie is voorgesteld.

prent coornhert
Nog een prent van Coornhert naar ontwerp van zijn leermeester Maarten van Heemskerck. De prent, getiteld ‘Ware liefdadigheid volgt de leer van Christus’, maakt deel uit van de 14-delige serie getiteld Jakobs ladder of de allegorie van de weg naar eeuwige zaligheid. De personificatie van Liefdadigheid met rondom haar drie kinderen en in haar handen twee kelken met de doorboorde handen en voeten van Christus. Haarlem, 1550 (Rijksmuseum)

Volmaakbaarheid

Coornhert stelde volmaakbaarheid van de mens op aarde tegenover de opvatting dat wij altijd door erfzonde tot het kwade geneigd zijn. De hoogste deugd van de mens is liefde tot God en de naaste. Coornhert vond zijn opvattingen terug bij Paulus, Calvijn en Augustinus. Volgens Paulus zullen degenen die de liefde van Christus kennen, volstromen met Gods volkomenheid, zoals te lezen is in hoofdstuk 3, vers 19 van de brief van Paulus aan de Efeziërs. Calvijn geloofde, dat wie Christus heeft, alles heeft wat nodig is om volmaaktheid te hebben, wat blijkt uit zijn commentaar op deze brief, waarnaar Coornhert verwees.

Coornhert haalde ook Augustinus aan, die beleed dat iemand zonder zonde kan zijn door de genade van God en zijn vrije wil, die tot de genade van God behoort. Christus heeft ons geen onmogelijke, maar volmaakte dingen geboden. Het ging Coornhert om de vraag of iemand in staat is om de geboden van God volkomen te onderhouden. De predikanten namen de goede voornemens van de gelovige weg. Coornhert wist dat hij zelf nog niet volmaakt was, maar hij hoopte het te worden. De mens kan God niet uit eigen kracht volkomen gehoorzamen, maar God kan iets in hem teweegbrengen.

Ook Herbers meende dat gelovigen moeten groeien in de volmaaktheid van Christus. Geen werk van de mens is perfect als niet in Christus het woord der waarheid of de Geest van zijn leven door het geloof is bevestigd. Volkomen kennis ofwel levenskennis in Christus is nodig, voordat de gelovige verenigd kan worden met Christus. Evenals Coornhert koppelde Herbers volmaaktheid en gehoorzaamheid aan elkaar. Een mens kan geen volkomenheid hebben als hij niet is ingelijfd in Christus en in de waarheid van zijn Geest.

Wedergeboorte

De weg naar volmaaktheid is een weg vol innerlijke strijd, die maar voor weinigen lijkt te zijn weggelegd. Coornhert schreef dat mensen angst kunnen hebben voor de dood. Uiterlijk zijn ze rustig, maar innerlijk niet. Ze worden verteerd door twijfel en vrees. Ze maken zich druk om materiële zaken. Het Woord van God wordt daardoor verdrongen. Pas als zij zich naar binnen keren en zich bewust worden van hun duisternis, verschijnt het licht van de genade. De gelovige gaat verlangen naar zijn verlossing, een teken dat de wedergeboorte in hem gebeurt.

Grafzerk van Dirck Volkertsz. Coornhert
Grafzerk van Dirck Volkertsz. Coornhert in de Sint-Janskerk te Gouda (CC BY-SA 4.0 – Gouwenaar – wiki)
Zonder wedergeboorte zal niemand het Rijk van God zien. Tijdens het proces van wedergeboorte sterft het kwade en komt Gods goedheid tot leven in de mens die berouw heeft. Deze mens staat op met Christus, leeft zelf niet meer, maar Christus in hem. Niemand moet denken een kind van God te zijn alvorens dit sterven van de kwade wil te hebben ondervonden. Hiervoor in de plaats komt het verstand en de wil van God, geboren uit kennis van de waarheid in levendige ondervinding. De wedergeborene is binnengegaan in de rust van God.

Wedergeboorte is ook voor Herbers een belangrijk thema: zonder wedergeboorte kan de gelovige niet zalig worden. Hij verwees naar Augustinus en Erasmus, die dezelfde opvatting zouden hebben. Wedergeboorte is een geestelijk proces, dat door de gelovige wordt doorgemaakt: van letter naar geest, van natuurlijk naar geestelijk mens, van gelovige die de wet volgt naar wedergeborene voor wie de wet is vervuld.

Rechtvaardiging

Coornhert kon niet uit de voeten met de reformatorische leer van toegerekende rechtvaardiging. De mens wordt dan weliswaar door de genade van God gerechtvaardigd, maar hij blijft een zondaar. Toegerekende rechtvaardiging is nodig, maar er moet meer zijn. Het kwaad moet vernietigd worden, waarna een persoonlijk ervaren nieuw leven ontstaat. Geloof in een aangeboren kwaad zorgt voor een valse rust in zonde, die pijnlijk wordt verzacht door de toegerekende rechtvaardiging. Ook voor Herbers was toegerekende rechtvaardiging niet voldoende. Zijn opponenten zouden wedergeboorte van het genadewerk van Christus willen uitsluiten, alsof deze niet nodig was om zalig te worden.

Innerlijke vernieuwing was voor de orthodox gereformeerden een actief menselijk proces, dat niet in verband gebracht kon worden met toegerekende rechtvaardiging, want dan zou de gelovige zichzelf rechtvaardigen. Het was juist de zondige mens die gerechtvaardigd werd. Herbers zou wedergeboorte volgens zijn opponenten op één lijn stellen met rechtvaardiging. Hij geloofde echter ook dat Christus ons buiten onze verdienste om verzoent met God. Maar die verzoening wordt ons pas deelachtig door het geloof in de Heilige Geest. Door deze Geest wordt het geestelijk leven van Christus door ons ontvangen en worden wij wedergeboren.

Herbers vond niet dat mensenwerk deel mag hebben in de gerechtigheid die voor God geldt, of dat de vruchten van wedergeboorte oorsprong van de gerechtigheid zijn. Ook Coornhert zag goede werken niet als oorzaak van onze zaligheid, maar als door God gezonden middelen, zonder welke niemand zalig kan worden.

×