“Twaalfduizend mensen juichten vandaag toen Menotti Nanni, een uitvinder uit Chicago, weer boven water kwam in de haven. Hij had een onzinkbare brandkast ontworpen die aan boord van schepen gebruikt kon worden. Nanni steeg op van de bodem van de haven bij Jones’s Falls, nadat hij in zijn uitvinding had plaatsgenomen en overboord was gegooid,” schreef de New York Times begin twintigste eeuw. De krant kopte: ‘Uitvinder ontsnapt ternauwernood aan de dood bij test van brandkast, zogenaamd waterdichte uitvinding lekt zodra hij ermee overboord wordt gegooid’.
De brandkast van Menotti Nanni was gemaakt met dubbele staalwanden met daartussen een lichte kunststof ‘zo hard als cement en zo licht als kurk’.Verderop schreef de krant: ‘Ze zagen hem zijn vrouw een afscheidszoen geven, terwijl zij stoïcijns toekeek hoe haar man onder water verdween. Pas na vijf minuten kwam Nanni weer boven.’ Toen de capsule echter geopend werd, bleek die vijftig centimeter water te bevatten. Nanni had het experiment bijna met zijn leven moeten bekopen.
In dezelfde tijd kwamen ook in andere landen vergelijkbare ideeën voor drijvende brandkasten op. Zo waren er in Italië plannen om drijvende brandkasten op postboten te monteren. Ze leken enigszins op de witte capsules waarin tegenwoordig opblaasbare reddingsvlotten langs relingen van schepen hangen. Het was in een tijd dat luchtpost nog niet bestond; de kluis moest voorkomen dat poststukken en kostbaarheden, vooral tijdens langere, intercontinentale reizen, samen met een schip ten onder gingen.

Een Nederlandse kluis
Na een zeereis en de ramp met de zogenaamd onzinkbare Titanic in 1912 kwam ook de Nederlandse uitvinder ir. Cornelis van Blaaderen uit Breukelen op het idee van een drijvende brandkast. Bij een scheepsramp zou zijn brandkast ‘zich absoluut zonder menschelijke hulp van het schip verwijderen en daarna drijvende blijven.’ Op tien meter diepte zou hij door de opwaartse druk loskomen van zijn onderstel met gekromde armen. Om de kluis, ronddobberend op zee, te kunnen traceren, waren er een uitklapbaar vlaggetje en een rood licht bovenop bevestigd. Ving een ontvanger signalen op dat er zich schepen binnen een gebied van dertig zeemijl bevonden, dan werd een dag lang, ieder uur, een vuurpijl afgeschoten. Kwam een schip binnen tien mijl afstand, dan blies er iedere tien minuten een scheepshoorn.

En zowaar, het gevaarte begon zich los te wringen. (…) Enkele minuten nadat de kast drijvende was geworden, begon werkelijk de hoorn te brullen; het was als de doodskreet van een zeemonster.
Enkele minuten later klonk een knal en schoot er een vuurpijl uit de metalen romp omhoog, maar de vlag en het rode licht functioneerden niet. ‘De uitvinder toonde zich evenwel uitermate tevreden’.
In eerste instantie reageerden het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie (P&T) en het Nederlandse ministerie van koloniën in 1913 enthousiast op de brandvrije, waterdichte safe. De minister van Waterstaat, ingenieur Lely, constateerde weliswaar ‘dat hier inderdaad een merkwaardige vinding is gedaan, die van zeer groote beteekenis kan worden geacht voor den handel, zowel als voor particulieren.’ Maar hij wilde niet met een particulier in zee gaan en weigerde toestemming te verlenen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog gingen talloze schepen door torpedo’s en mijnen verloren, waaronder de Rotterdam en de Koningin Emma. Na Lely’s aftreden in 1918 toonde zijn opvolger, minister König, zich welwillender. In 1920 sloot hij een contract met Van Blaaderen, die inmiddels de Maatschappij ter Exploitatie van Van Blaaderen’s drijvende Scheepsbrandkasten had opgericht en 300.000 gulden aan aandelen had binnengehaald.
Om het project te financieren gaf P&T toestemming voor speciale brandkastzegels, ontworpen door Leo van Gestel en C.A. Lion Cachet en gedrukt bij Joh. Enschedé in Haarlem. De zegels werden verkocht bij postkantoren en naast gewone postzegels gebruikt voor brieven die in de brandkasten vervoerd werden. Het project raakte later in vergetelheid, maar liet sporen na in de filatelie. Prof. dr. Gert Holstege, neurowetenschapper en filatelist, vertelt: ‘
Ik kwam in het archief van de toenmalige PTT voortdurend die brandkastzegels tegen en ben dat gaan onderzoeken. Ik heb erover geschreven in Filatelie Informatief en bezocht met mijn gezin de dochter van Van Blaaderen, die nog een koperen model van de brandkast bezat. Ik heb geregeld dat het naar het toenmalige Postmuseum ging.

Toen de brandkast klaar was voor de introductie, bleek de Holland Amerika Lijn geen prototype als proef op het dek van een van haar schepen te willen plaatsen. De Rotterdamsche Lloyd haakte af, maar stoomvaartmaatschappij Nederland — waar Van Blaaderens vriend Bronsing directeur was — deed wel mee. De Lloyd en Nederland verzorgden ieder om de week een afvaart naar de kolonie Nederlands-Indië. De brandkasten werden vervaardigd door de firma Julius Pintsch in Berlijn, en het project ging begin 1921 ‘op halve kracht’ van start, met brandkasten op acht schepen. De Beurs van Diamanthandelaren in Amsterdam en de Javasche Bank waren echter sceptisch, aangezien de kasten niet bestand zouden zijn tegen gewelddadige openingen, omdat de afsluiting slechts bestond uit ‘twee hangsloten en een aantal schroeven’.

Eind jaren twintig richtte hij nog de ‘motor-heart-company’ op, vanwege zijn patent op de ‘cold chaser’, een verwarmingstoestel, waarmee auto- en vliegtuigmotoren in koude omstandigheden sneller opgestart konden worden, vooral handig voor politie en brandweer. Het patent werd na zijn dood door zijn weduwe ten gelde gemaakt.
Geen succes
Al na ruim anderhalf jaar bleek het aantal verstuurde brieven en postpakketten in drijvende brandkasten zo laag (7 tot 8 per zeereis; in totaal 550 tot 700 naar Nederlands-Indië en 400 tot 500 in omgekeerde richting), dat deze dienstverlening op 31 augustus 1923 werd opgeheven. Men had gerekend op duizend poststukken per zeereis, maar het nut van de brandkasten was, vooral vanwege de vredestijd, grotendeels verdwenen. Holstege:
Zo zie je hoe de tijd bepaalt wat er met iets gebeurt. Was dit project in 1912, vlak voor de Eerste Wereldoorlog opgezet, dan was het vermoedelijk wel succesvol verlopen. 1921 was te laat, omdat de Duitsers geen schepen meer torpedeerden en dat was de belangrijkste bestaansgrond.

Vanwege de vele onverkochte brandkastzegels liep deze technische mislukking voor Van Blaaderen op een debacle uit. Hij probeerde de pijn te verzachten door de restzegels zelf in te kopen en met een forse winst weer aan filatelisten te verkopen. Maar ook dat mislukte. Hij wist nog net een faillissement te voorkomen. In 1933 overleed de uitvinder op zevenenvijftigjarige leeftijd. Intussen waren er ook al voorbarig brandkastzegels gedrukt voor een vergelijkbare dienst op Curaçao en Suriname (mocht het project een succes zijn geworden). Deze zegels werden voorzien van een zwarte opdruk en als gewone postzegels alsnog verkocht in die koloniën. Die brachten alsnog goed geld op, doordat het grootste deel als bijzondere uitgaven in de albums van filatelisten verdwenen.
De wonderlijke gyrotrein van Louis Brennan, rijdend op één rail
Technische mislukkingen en successen door de tijden heen
De Titanic (1912) – Oorzaken en tijdlijn van de ramp
Het leek geweldig: Liernurs vacuümriolering als wonderoplossing tegen stank
De Aérotrain: het futuristische ‘vliegtuig zonder vleugels’ dat faalde