In de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog vluchtten ongeveer 250.000 Duitse burgers naar Denemarken. Volgens recent onderzoek stierven daar in korte tijd minstens 13.000 van hen, onder wie circa 7.000 jonge kinderen, mede doordat medische zorg werd geweigerd. In Denemarken was lange tijd weinig aandacht voor deze geschiedenis.
In een recent achtergrondartikel (december 2025) belicht het Noorse medische tijdschrift Tidsskrift for Den norske legeforening een zwarte bladzijde uit de Deense geschiedenis. Het blad concludeert dat de weigering van medische zorg direct leidde tot een extreem hoge sterfte onder Duitse vluchtelingen, vooral bij jonge kinderen.
Vanaf februari 1945 kwamen in korte tijd grote aantallen Duitse vluchtelingen Denemarken binnen; het ging daarbij vooral om vrouwen, kinderen en ouderen. De opvang werd aanvankelijk geregeld door de Duitse bezettingsmacht, die hiervoor onder meer scholen, sporthallen en andere openbare gebouwen vorderde. In de eerste fase konden vluchtelingen zich nog relatief vrij bewegen en beschikten ze over rantsoenkaarten.

Volgens het Noorse medische tijdschrift werd begin maart 1945 door Deense autoriteiten, in overleg met de Deense artsenorganisatie, besloten dat de medische zorg voor Duitse vluchtelingen voortaan primair door Duitse artsen verleend moest worden. Terwijl Denemarken nog onder Duitse bezetting stond, liet de voorzitter van de Deense artsenorganisatie lokale afdelingen expliciet weten dat medische zorg voor Duitse vluchtelingen uitsluitend een Duitse verantwoordelijkheid was en dat Deense artsen zich hier niet mee moesten bezighouden. Alleen in zeer beperkte noodsituaties – bijvoorbeeld bij besmettelijke ziekten die een dreiging vormden voor de Deense bevolking – kon hiervan worden afgeweken.

Het artikel benadrukt dat deze houding in strijd was met de medische ethiek en de artseneed, die artsen verplicht hulp te verlenen aan zieken, ongeacht afkomst of politieke omstandigheden. De vluchtelingen werden bovendien ingezet als wisselgeld in politieke onderhandelingen. Zo werd medische hulp in een beperkte periode tijdelijk toegestaan, onder meer bij bevallingen en acute chirurgische noodgevallen, in ruil voor de vrijlating van Deense politieagenten uit Duitse concentratiekampen. Zodra die agenten waren teruggekeerd, trok de artsenorganisatie de noodregeling voor de vluchtelingen echter direct weer in.
Kindersterfte
De gevolgen waren aanzienlijk. In de eerste maanden van 1945 stierven in Denemarken naar schatting minstens 13.000 Duitse vluchtelingen. Ongeveer 7.000 van hen waren kinderen jonger dan vijf jaar. Vooral zuigelingen werden zwaar getroffen. Volgens de auteurs van het Noorse artikel overleden veel van deze kinderen aan aandoeningen als ondervoeding, uitdroging en infecties – ziekten die in principe behandelbaar waren.

Opvallend is dat Deense autoriteiten bepaalden dat geboorten en sterfgevallen onder de vluchtelingen niet in de reguliere gezondheidsstatistieken hoefden te worden opgenomen. Hierdoor ontbreken vaak exacte cijfers en is in veel gevallen onduidelijk waaraan mensen precies zijn overleden.
Na-oorlogse periode
Na de capitulatie van Duitsland op 5 mei 1945 veranderde het beleid. Duitse militairen werden relatief snel gerepatrieerd, maar de burger-vluchtelingen werden samengebracht in afgesloten kampen, omheind met prikkeldraad en bewaakt door Deense troepen. Contact met de Deense bevolking was beperkt en werken buiten de kampen was niet toegestaan.
De medische zorg in de kampen werd grotendeels uitgevoerd door Duitse artsen en verpleegkundigen die in Denemarken waren achtergebleven. De vluchtelingen organiseerden daarnaast zelf het onderwijs, de voedselvoorziening en het dagelijks beheer.

Oksbøl: grootste vluchtelingenkamp
Het grootste kamp bevond zich bij Oksbøl in West-Jutland. Hier verbleven op het hoogtepunt ongeveer 35.000 vluchtelingen, waarmee het kamp de omvang had van een middelgrote Deense stad. Oksbøl beschikte over eigen scholen, ziekenvoorzieningen en een interne administratie, maar bleef strikt afgescheiden van de buitenwereld.
In Oksbøl stierven meer dan 1.400 mensen, onder wie veel jonge kinderen. De meesten van hen kregen een laatste rustplaats op de begraafplaats van het kamp. De laatste Duitse vluchtelingen verlieten Oksbøl eind 1948; elders in Denemarken bleef de repatriëring doorlopen tot 1949.
Op de voormalige kampplaats opende in 2022 het vluchtelingenmuseum FLUGT, dat dit hoofdstuk uit de Deense geschiedenis expliciet onder de aandacht wil brengen.
De behandeling van Duitse vluchtelingen werd in Denemarken lange tijd gezien als correct en humaan, gezien de omstandigheden direct na de oorlog. Pas vanaf de jaren tachtig en negentig verschenen studies die kritischer keken naar de medische zorg en de hoge kindersterfte. Daarbij kwam ook de rol van artsen en bestuurders ter discussie te staan.

-https://flugtmuseum.dk/en/
De artsen van de vernietigingskampen
Het artsenverzet: opgesloten in Kamp Amersfoort in 1942 en 1943
Hoe Denemarken in 1920 een stuk Duitsland terugkreeg
Ontheemden en vluchtelingen in na-oorlogs Europa (1945)
Een vergeten geschiedenis: de Caraïben als toevluchtsoord tijdens WOII
Twee gevluchte joodse gezinnen: in Nederland stortte hun wereld in
Poolse exodus naar Afrika tijdens Tweede Wereldoorlog