In de Eerste Wereldoorlog was de strijd tegen het Ottomaanse Rijk van secundair belang geweest. De gevolgen ervan waren echter zeer groot voor het huidige Midden-Oosten. De Geallieerden deelden de Arabische delen van het rijk op in een aantal landen, waarbij hun eigen belangen belangrijker waren dan de verlangens van de Arabische bevolking.
De gevolgen van die politiek zijn nog steeds merkbaar. Anderzijds verzetten de Turken zich tegen een voor hen te nadelig vredesverdrag. In tegenstelling tot de andere verslagen landen van de Grote Oorlog wist Turkije de vernederende vredesvoorwaarden van zich af te schudden.
Ooit was het Ottomaanse Rijk een van de machtigste staten ter wereld geweest. Van de veertiende tot de zeventiende eeuw heerste de Ottomaanse sultan over de meeste landen rond de Middellandse Zee en vormde een bedreiging voor het christelijke Europa. Nadien ging het er echter bergaf met zijn macht. In de eeuw vóór de Eerste Wereldoorlog ging het grootste deel van het rijk verloren. De gebieden in Noord-Afrika, meestal vazalstaten waar de Verheven Porte (zoals de regering van de sultan werd genoemd) geen echte macht meer uitoefende, kwamen onder Franse, Britse en Italiaanse controle. De volkeren van de Balkan wisten zich intussen vrijwel volledig van de Ottomaanse overheersing te verlossen en na de Balkanoorlogen (1912-1913) was het Europese deel van het rijk beperkt tot Oost-Thracië, met de hoofdstad Constantinopel (die pas in 1930 formeel Istanboel zou gaan heten).
Wat van het Ottomaanse Rijk in 1914 overbleef, bestond uit enerzijds wat nu ongeveer Turkije vormt en anderzijds de Arabische vilajets (provincies) van het rijk in Azië. De oorlog verliep voor die twee delen volledig anders. Terwijl het Ottomaanse leger met relatief succes het huidige Turkije wist te verdedigen, verloor het tijdens de oorlog al de Arabische vilajets.

Parijse Vredesconferentie
Het was nu aan de Parijse Vredesconferentie om over de toekomst van het Ottomaanse Rijk te beslissen. De Geallieerden wilden de niet-Turkse volkeren van het Ottomaanse overheersing bevrijden. Dat gold voor de Arabieren, die aan Geallieerde kant hadden meegevochten, maar ook voor de vele christelijke minderheden, zeker nadat wellicht een miljoen Armeniërs of meer op bevel van de Ottomaanse regering tijdens de oorlog waren vermoord, naast honderdduizenden Grieken en leden van andere christelijke minderheden (Arameeërs, Assyriërs.. ).
Daarnaast speelden imperialistische motieven een grote rol. De belangen van de drie grote Europese mogendheden, Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië, wogen vaak zwaarder door dan de rechten van de volkeren ter plaatse. De Verenigde Staten hielden zich daarbij wat op afstand: ze hadden het Ottomaanse Rijk de oorlog niet verklaard, maar deelden de verontwaardiging over de genocide van de Armeniërs. De Amerikaanse president Woodrow Wilson was er echter op tegen dat de Geallieerden delen van het rijk voor zichzelf zouden opeisen, ook al erkende hij dat sommige volkeren die van Turkse overheersing verlost moesten worden, niet meteen zichzelf konden besturen.
Misschien hadden de Geallieerden het rijk helemaal opgedoekt, als ze geen rekening hadden moeten houden met de vele moslims in hun eigen kolonies. De Ottomaanse sultan was immers ook de kalief, de formele leider van alle soennitische moslims ter wereld. Als zodanig had hij geen echte macht – zoals tijdens de oorlog pijnlijk duidelijk werd toen de kalief de Heilige Oorlog aan de Geallieerden verklaarde, wat de talrijke moslimsoldaten uit de Franse en Britse kolonies niet belette om te vechten aan Geallieerde zijde, en zelf rechtstreeks tegen het Ottomaanse leger. Toch meenden de Geallieerde leiders dat ze de sultan daarom met respect moesten behandelen en zijn positie niet aantasten. Met name de invloedrijke Moslimliga in Brits-Indië drong daarop aan.
Vanwege de verschillende toestand behandelen we eerst het lot van de Arabische delen van het Ottomaanse Rijk en daarna het eigenlijke Turkije.
De Arabische landen
Bij het begin van de Grote Oorlog omvatte het Ottomaanse Rijk vrijwel alle Arabisch-sprekende gebieden in Azië. Op het einde waren de Britten er almachtig.
Al in 1914 vestigde Groot-Brittannië een protectoraat over de vorstendommen aan de Perzische golf, die in principe vazalstaten van de sultan waren. Vanuit de Perzische Golf rukten Britse en vooral Brits-Indische troepen langzaam en met veel moeite op door Mesopotamië. Vanaf 1917 wist een Britse troepenmacht vanuit de Egyptische Sinaï op te rukken door Palestina en veroverde het op het einde van de oorlog het grondgebied van de huidige staten Israël (en Palestina), Jordanië, Syrië en Libanon.

De Britten domineerden nu het hele Midden-Oosten, maar moesten rekening houden met beloftes die ze eerder hadden gemaakt. Om te beginnen waren er de beloften aan de Arabieren. In brieven aan de Britse overheid had Hoessein al in 1915 gevraagd dat de te bevrijden Arabische gebieden na de oorlog in één staat onder zijn gezag zouden komen. De Britten hadden dit toegezegd, zonder evenwel een formeel verdrag te sluiten en zonder dat er eensgezindheid was over de grenzen van dit nieuwe Arabische rijk.
Daarnaast moest de Britse regering rekening houden met de belangen van haar bondgenoten, vooral Frankrijk. Er was een machtige Franse koloniale lobby, die wees op de economische belang van het Nabije Oosten. Zo was de textielindustrie in Lyon erg geïnteresseerd in Syrische zijde. Bovendien was Frankrijk traditioneel de beschermer van de christelijke minderheden in de regio: in 1860 had het daarvoor zelfs troepen naar Syrië gestuurd. Veel Franse katholieken benadrukten dat de meeste kruisvaarders uit Frankrijk waren gekomen en vonden dat hun land daar dus een historische zending had.
De Britten hadden natuurlijk ook hun belangen. Ze wilden zo weinig mogelijk invloed van andere mogendheden in het oosten van de Middellandse Zee, vanwege de ligging van het Suezkanaal, voor hen essentieel voor de scheepvaart op Azië (om die reden hadden ze al eerder het Ottomaanse eiland Cyprus geannexeerd). Daarnaast werd aardolie steeds belangrijker voor de Britten, wier machtige oorlogsvloot grotendeels op stookolie voer. Ze haalden hun olie uit Perzië en wilden die olievelden en de toegangswegen zoveel mogelijk beschermen. Bovendien hadden ze grote belangstelling voor de streek van Mosoel aan de bovenloop van de Tigris, waar deskundigen – terecht – vermoedden dat er heel veel olie in de grond zat.
Begin 1916 wisten Britse en Franse onderhandelaars in het geheim een akkoord te bereiken, bekend als de Sykes-Picot-overeenkomst, waarin beide mogendheden hun invloedssferen in het Nabije Oosten afbakenden. Gebieden ten noorden van de lijn die van de Middellandse zee in noordoostelijke richting liep tot de Perzische grens, kwamen aan Frankrijk toe, die ten zuiden daarvan aan Groot-Brittannië. De lijn liep dwars door de begeerde streek van Mosoel, waarbij de stad Mosoel naar de Fransen ging. Ook het tsaristische Rusland, dat zelf het noordoosten van Anatolië zou krijgen, was in dat akkoord betrokken.

Het akkoord bleef voor de buitenwereld verborgen tot november 1917, toen de nieuwe communistische regering van Rusland alle geheime overeenkomsten openbaar maakte. De Arabieren reageerden verbolgen toen ze vernamen dat hierbij geen rekening werd gehouden met de Britse toezeggingen aan Hoessein. Ook de Amerikaanse president Wilson, die tegen geheime verdragen was, reageerde ontzet.

Toen de Britten aan het einde van de oorlog heel het Midden-Oosten controleerden, vroegen leidende Britse politici zich af of ze zich nog aan de Sykes-Picot-overeenkomst moesten houden. Ze hadden de Franse invloedssfeer gezien als een bufferzone tegen Rusland (voorheen de gevaarlijkste concurrent van Engeland in Azië), maar nu de Russen uit de oorlog gestapt waren, verviel die reden. De Fransen waren echter niet van plan hun aanspraken op te geven.
Al die problemen moesten worden behandeld door de Parijse Vredesconferentie, die in januari 1919 van start ging. Nog voor de conferentie begon pleegde de Britse eerste minister David Lloyd George in Londen apart overleg met zijn Franse collega Georges Clemenceau. Clemenceau, was geen fan van het kolonialisme en rekende op de steun van Lloyd George voor de vredesregeling met Duitsland. Hij stond daarom toe dat de Britten het volledige gebied rond Mosoel kregen, in ruil voor een groot Frans aandeel in de toekomstige oliewinning aldaar. Maar alle Franse aanspraken op Syrië opgeven lag ook voor hem moeilijk.
Intussen had emir Feisal, een zoon van koning Hoessein en de echte leider van de Arabische opstand, in Damascus een voorlopige Arabische regering geïnstalleerd, in de hoop dat hij met Britse steun zou kunnen regeren over heel Groot-Syrië (het gebied dat nu overeenkomt met Syrië, Libanon, Israël/Palestina, Jordanië, plus aangrenzende delen van Turkije en Irak). Om die reden sloot hij begin 1919 zelfs een akkoord met de leider van de zionistische beweging, Chaïm Weizmann, over de erkenning van Joodse vestigingen in Palestina, een akkoord dat snel dode letter zou blijken.

De overwinnaars zouden de veroverde gebieden niet zomaar als kolonies of protectoraten besturen. Onder druk van de Amerikaanse president werd beslist dat ze als mandaatgebieden onder het gezag van de Volkenbond zouden vallen en op termijn onafhankelijk zouden worden, zij het dat ze voorlopig onder het bestuur van een “mandaathouder” vielen. Groot-Brittannië en Frankrijk waren hoe dan ook van plan om die mandaatgebieden zelf te besturen en er hun politieke en economische belangen te doen respecteren.
De Britten eisten hoe dan ook het oude Mesopotamië – de voormalige Ottomaanse vilajets Basra, Bagdad en Mosoel – op. Ze wilden het als één staat besturen, ook al waren de drie vilajets etnisch zeer van elkaar verschillend: overwegend sjiitische Arabieren in Basra, soennitische Arabieren in Bagdad, Koerden in Mosoel… met allerlei kleinere minderheden. In 1922 zou het land officieel “Irak” worden genoemd, hoewel die naam eerder alleen betrekking had op het zuidelijke deel ervan.
Van de gebieden ten westen van Mesopotamië – Groot-Syrië dus – eisten de Fransen conform het Sykes-Picotakkoord het noordelijk deel – aangeduid als “Syrië” – op, terwijl de Britten de rest – aangeduid als “Palestina” – konden besturen. Clemenceau stond onder zware druk die afspraak na te leven. De Britten aarzelden, gezien hun beloften aan de Arabieren. Lloyd George wilde aanvankelijk de Fransen niet veel meer dan Libanon afstaan. Het gesprek daarover vlotte niet en op 20 maart 1919 stelde de Amerikaanse president Wilson voor een onderzoekscommissie naar het gebied te zenden, om de mening van de plaatselijke bevolking aan te horen. Clemenceau ging ermee akkoord, tot woede van veel Franse politici. In de zomer ging er inderdaad een Amerikaanse onderzoekscommissie aan het werk. De commissie stelde duidelijk vast dat de grote meerderheid van de bevolking een verenigd en onafhankelijk Groot-Syrië wilde. Maar met die conclusies, die pas in 1922 gepubliceerd werden, zou niets gebeuren.
In het najaar van 1919 hervatten Britten en Fransen hun gesprekken over het Midden-Oosten. In november trokken de Britten zich uit Syrië terug, waar voortaan het leger van Feisal de controle uitoefende. Zijn aanhangers hadden in Damascus een voorlopige Syrische regering gevormd, die een Pan-Syrisch Congres bijeenriep, met vertegenwoordigers uit heel Groot-Syrië, ook Palestina, en zelfs de vilajet Mosoel. Op 18 november landden er Franse troepen in Beiroet, met het doel de Franse aanspraken te doen gelden. Het kwam hier en daar tot gevechten met Arabieren.

Feisal, die zich bekocht voelde door de Britten, was intussen nog altijd in Europa om zijn zaak te verdedigen. Op aandringen van Lloyd George ging hij rechtstreeks met Clemenceau praten. Hoewel de Franse publieke opinie hem vijandig gezind was, wist Feisal in de eerste dagen van 1920 een akkoord met de “Tijger” te bereiken, waarbij Clemenceau bereid was hem als koning van Syrië te aanvaarden mits hij met de Fransen kon samenwerken.
Maar een paar weken later nam de oude Franse premier ontslag en verdween voorgoed van het politieke toneel. De regering van zijn opvolger Alexandre Millerand was meer onder invloed van de koloniale lobby en wilde eindelijk haar macht over Syrië vestigen, zeker nu de Turken Franse troepen in het nabije Cilicië (zie verder) aanvielen.

De maand daarop hielden de grote mogendheden een top in San Remo, waar ze mandaatgebieden onder elkaar verdeelden. Groot-Syrië werd opgedeeld in een Brits mandaatgebied Palestina en een Frans mandaatgebied Syrië, hoewel de grenzen nog niet precies vastlagen. Daarnaast erkende de conferentie de Balfour-verklaring en dus het recht van Joden om zich in Palestina te vestigen, mits dit niet ten nadele van de “niet-Joodse gemeenschappen” aldaar zou gebeuren. Last but not least kreeg Frankrijk 25 procent van de toekomende olieproductie van Mosoel en zou het daarvoor een pijplijn door Syrië naar de Middellandse Zee aanleggen.

De Volkenbond, die nog maar net was opgericht, moest die toewijzing van mandaatgebieden formeel goedkeuren, maar dat belette Frankrijk niet zijn macht al te consolideren. Na een Frans ultimatum, dat door Feisals regering eerst aanvaard was, maar vervolgens verworpen, kwam het op 24 juli bij Maisaloem, even ten westen van Damascus, tot een treffen tussen het kleine Arabische leger en de veel grotere en zwaarder bewapende Franse troepenmacht. De Arabieren werden verpletterd, waarop de Fransen Damascus bezetten, een einde maakten aan het kortstondige koninkrijk en Feisal verjoegen uit wat voortaan hun mandaatgebied was. De Slag bij Maisaloen is in de Arabische wereld symbool geworden voor het heldhaftig Arabisch verzet tegen het westerse imperialisme en 24 juli is in Syrië nog steeds een herdenkingsdag.

Ook in de Britse gebieden was het niet rustig. Er braken hevige opstanden uit in Mesopotamië, vooral bij de Koerden rond Mosoel, die door de Britten hardhandig werden onderdrukt. Hele dorpen werden verwoest door grondtroepen of – voor het eerst in de geschiedenis – door luchtbombardementen. Dit met instemming van de Britse minister van Koloniën Winston Churchill.
Uiteindelijk regelden de Britten hun mandaten in 1921. Feisal mocht als troostprijs koning van Irak worden. Tegelijk werd beslist dat Feisals broer Abdoellah als emir zou regeren over het gebied ten oosten van de Jordaan, voortaan aangeduid als “Transjordanië”. Na een definitieve grensafbakening van de Franse en Britse mandaatgebieden werd Transjordanië aan het mandaatgebied Palestina toegevoerd, maar zonder dat de Balfour-verklaring er zou gelden: tot woede van extreme zionisten mochten er geen Joodse vestigingen komen.
Intussen deelden de Fransen in hun mandaatgebied op in autonome republieken. Er kwamen zo staten voor de christenen, de alawieten en de druzen, plus Damascus en Aleppo. Na veel wrijvingen en opstanden werden al die staten samengevoegd, behalve het overwegend christelijke Libanon. Wel breidden de Fransen deze kleine republiek uit met de Bekaa-vallei, dat overwegend door sjiitische moslims bewoond wordt. In dit verruimde Groot-Libanon (zoals het aanvankelijk genoemd werd) hadden de christenen, met de maronieten als grootste gemeenschap, nog maar een nipte minderheid, die ze door de demografische evolutie sindsdien kwijt zijn. De rest van het mandaatgebied werd dus één Syrische republiek. Wel kreeg het uiterste noordoosten, toen bekend als de Sandjak van Alexandretta, een autonome status binnen Syrië. Dat gebied, het meest noordelijke deel van de Levant, had een zeer gemengde bevolking (Arabieren, Turken en Armeniërs) die ook religieus sterk verdeeld was.

In 1932 werd Irak onafhankelijk, nog steeds onder koning Feisal, die het jaar daarop zou overlijden. De Britten behielden er echter nog een grote vinger in de pap, of eerder in de olie, want sinds 1925 werd er in het noorden inderdaad massaal aardolie gewonnen. De Britse invloed zou er blijven tot in 1958 een bloedige staatsgreep een einde maakte aan de monarchie van de Hasjemieten.
Syrië en Libanon moesten tot de Tweede Wereldoorlog wachten om onafhankelijk te worden en ook daarna probeerden de Fransen er nog een tijdje hun invloed te handhaven. Transjordanië, waar de Hasjemieten tot vandaag op de troon zitten, werd in 1946 een onafhankelijk koninkrijk, later omgedoopt in Jordanië. Toen de Britten in 1948 hun mandaat op Palestina op Palestina opgaven ontstond daar de Joodse staat Israël, waarvan de grenzen nog altijd omstreden zijn, terwijl er op papier ook een Arabische staat had moeten komen.
De ambities van Hoessein, de vader van Feisal en Abdallah, waren op niets uitgelopen. Hoewel zijn koninkrijk de Hidjaz wel internationaal erkend werd, beschouwde hij zich nog altijd als de koning van alle Arabieren. Hij wees de mandaten af en verzette zich tegen Joodse nederzettingen in Palestina. Om die reden weigerde hij het Verdrag van Sèvres te tekenen. Het gevolg was dat de Britten hem niet steunden toen zijn rivaal Ibn Saoed in 1924 de Hidjaz veroverde en verenigde met zijn eigen koninkrijk tot wat nu Saoedi-Arabië is. Hoessein zou in 1935 in ballingschap overlijden.
Turkije
In tegenstelling tot de Arabische vilajets, waren Klein-Azië en Oost-Tracië ook bij de wapenstilstand nog altijd onder controle van de Ottomaanse regering. Het eigenlijke Turkije was in 1918 etnisch veel heterogener dan nu, al werd de grote meerderheid wel gevormd door de Turken, of beter de moslims, want de bevolking van het Ottomaanse Rijk was officieel ingedeeld volgens religie, niet volgens taal of afkomst.

Toch leefde in Griekenland al lang het Megali Idea (Groot Idee) om alle Griekse gebieden – “op twee continenten en langs vijf zeeën” – met elkaar te verenigen. Het ging dan vooral om Oost-Thracië (Europees Turkije), met Constantinopel (voor de Grieken “de stad”), plus de west- en noordkust van Anatolië. De Griekse premier Eleutheros Venizelos, die zijn land in de oorlog had gebracht met als doel het Megali Idea te verwezenlijken, was een charmant en belezen man, die grote indruk maakte op de Geallieerde leiders.
Het probleem daarbij was dat de Griekse bevolking in Anatolië bijna nergens een meerderheid vormde. Het was zo goed als onmogelijk, en vanuit economisch opzicht absurd, om een grens op etnische basis te trekken. Zelfs in Constantinopel, toen de stad met de grootste Griekse bevolking ter wereld – zowat een kwart miljoen – waren de Turken in de meerderheid. Hoe dan ook wilden de Geallieerden dat de sultan/kalief in zijn paleizen in Constantinopel kon blijven resideren. Bovendien wilden ze – zeker de Britten – controle behouden over de strategisch zeer belangrijke zeestraten tussen Europees en Aziatisch Turkije: de Bosporus en de Dardanellen, met daartussen de Zee van Marmara.
Venizelos drong wel aan op de annexatie van Oost-Thracië en de welvarende havenstad Smyrna aan de westkust van Klein-Azië. Smyrna (nu bekend onder haar Turkse naam Izmir) had in de vorige decennia een grote immigratie uit Griekenland gekend en van de circa 300.000 inwoners waren ongeveer de helft Grieken, die het grootste deel van de economie controleerden: er woonden daar toen meer Grieken dan in Athene. Maar om de stad te beschermen eiste de Griekse premier tegelijk het achterland op, een gebied waar de Turken sterk in de meerderheid waren. Venizelos probeerde zijn eisen te ondersteunen met het argument dat de democratische en westerse Grieken daar de beschaving zouden brengen aan de barbaarse Turken. Hoe dan ook was de welvaart van Smyrna afhankelijk van de handel met het achterland van Anatolië.
Op de vredesconferentie waren de Britten en de Fransen geneigd Venizelos’ eisen te steunen. Dat gold zeker voor Lloyd George, ondanks waarschuwingen van zijn militaire en koloniale adviseurs om de moslims niet te zeer te benadelen. De Britse premier was niet alleen een echte filhelleen, hij zag een sterk Griekenland als een goede bondgenoot voor de Britse belangen in de Middellandse Zee.
Veel begrip was er voor de eisen van de Armeniërs. De meesten hadden in het oosten van Anatolië geleefd, maar waren er na de genocide van 1915 vrijwel verdwenen. Veel overlevenden waren uitgeweken naar het vroegere Russische deel van Armenië, dat in 1918 een onafhankelijke republiek was geworden.

De Grote Vier wilden deze nieuwe republiek steunen en ze uitbreiden met gebieden in het noordoosten van Turkije met steden als Trebizonde (nu bekend als Trabzon) en Erzeroem (Erzurum), waar tot 1915 veel Armeniërs hadden gewoond, maar die konden worden herbevolkt met Armeniërs uit de diaspora. Britten en Fransen stelden voor dit Groot-Armenië onder mandaat van de Verenigde Staten te plaatsen. Frankrijk maakte zelf aanspraak op Cilicië als mandaatgebied. Dat lag in het uiterste zuidoosten van Klein-Azië, waar Frankrijk economische belangen had, en behoorde met het naburige Syrië tot de in de Sykes-Picotovereenkomst voorziene Franse invloedssfeer. Ook daar hadden veel Armeniërs gewoond. Al in november 1919 landden daar Franse troepen, waaronder een Armeens Legioen, samengesteld uit Armeense vluchtelingen onder Franse officieren.
Maar het waren – opnieuw – vooral de Italianen die moeilijk deden. Italië, dat kort voor de oorlog de Dodekanesos (de eilandengroep rond Rhodos) van het Ottomaanse Rijk afhandig had gemaakt, wilde een gebied langs de zuidkust van Anatolië, om Italiaanse emigranten te vestigen en de grondstoffen te exploiteren. In 1915 hadden Britten en Fransen met het geheime Verdrag van Londen vrijwel het hele zuidoosten van Klein-Azië aan Italië beloofd, maar de precieze afbakeningen van de Italiaanse invloedssfeer zou later gebeuren. Een paar jaar later hadden Groot-Brittannië en Frankrijk deze kwestie afhankelijk gemaakt van de Italiaanse prestaties in de oorlog (die niet zo bijzonder bleken…). Toen beide landen op de Parijse Vredesconferentie aarzelden om de Italiaanse aanspraken te aanvaarden, stuurde Italië troepen naar de streek van Antalya. De Italiaanse aanspraken betroffen voor een deel ook gebieden die de Grieken opeisten.
En dan waren er nog de Koerden in het uiterste oosten van Anatolië, die overwegend moslims waren, maar een heel andere taal spraken dan de Turken. Ze werden gewantrouwd omdat ze hadden meegewerkt aan de uitroeiing van de Armeniërs. Vooral de Britten dachten aan een mandaat over Koerdistan, hoewel de Fransen daar ook even belangstelling voor toonden.
Eind april 1919 liep de Italiaanse premier Vittorio Emmanuele Orlando en zijn minister van Buitenlandse Zaken Sidney Sonnino weg van de vredesconferentie, voornamelijk omwille van de territoriale eisen rond de Adriatische Zee. Tijdens hun afwezigheid namen de drie overige leiders een verregaande beslissing. Op verzoek van Venizelos, die wees op incidenten in Smyrna, beslisten Clemenceau, Lloyd George en Wilson op 9 mei dat Griekenland troepen naar de havenstad mocht sturen om er de orde te handhaven. De Italianen zouden de dag nadien naar de onderhandelingstafel terugkeren, maar konden de beslissing niet meer terugdraaien.

Toen een Griekse legermacht op 15 mei in Smyrna landde, leidde dat tot zware rellen, waarbij honderden doden vielen, vooral Turkse inwoners. Vrijwel alle Turken waren ontzet door wat er gebeurde. In Constantinopel vonden woedende betogingen plaats. Sultan Mehmet VI zou geweend hebben. Wie meer deed dan ontzet zijn, was de grootste Turkse oorlogsheld, generaal Mustafa Kemal Pasja. De dag na de landing verliet de generaal, die dertien jaar later de familienaam Atatürk (“Vader der Turken”) zou aannemen, in een boot de hoofdstad. Op 19 mei landde hij in Samsun aan de Zwarte Zee (om die reden is 19 mei de Turkse nationale feestdag geworden, als het begin van de Turkse heropstanding). Kemal begon in het Turkse binnenland aanhangers de verzamelen om zich tegen de Geallieerde eisen te verzetten.

Twee dagen na de ontmoeting met de grootvizier nam de Italiaanse regering ontslag, waardoor Orlando en Sonnino van het toneel verdwenen. De nieuwe regering onder Francesco Saverio Nitti drong niet meer aan op een Italiaans mandaatgebied als ze maar economische concessies – zoals mijnen – in Klein-Azië kon krijgen.

De Britten verloren stilaan hun hoop in een Koerdische staat onder hun bescherming. De Koerden waren verdeeld in verschillende stammen die onderling niet samenwerkten. Ze toonden zich vijandig tegen Britse militairen. Bovendien wist Mustafa Kemal ook heel wat Koerden voor zijn zaak te winnen. Zijn oproep aan de Turken tot verzet en eenheid richtte zich tot alle moslims in Turkije, dus ook tot de Koerden. Kemal was toen zo sluw om zijn antipathie voor de islam voor zich te houden – voorlopig. De Britten verkozen intussen een deel van de Koerdische gebieden aan het nieuwe mandaatgebied Irak toe te voegen, wat de vijandigheid van de Koerden aldaar nog deed toenemen.

Eind 1919 werden er verkiezingen gehouden voor een nieuwe Ottomaanse Kamer van afgevaardigden, die door de christelijke minderheden werden geboycot. Nadat de nieuwe Kamer het Nationaal Pact had goedgekeurd, reageerden de Geallieerden met een volledige bezetting van Constantinopel door Britse, Franse en Italiaanse troepen. Ze arresteerden Turkse nationalisten, waarna Kemal enkele Britse officieren liet arresteren. Nadat de sultan onder Geallieerde druk het parlement had ontbonden, kwamen er op 11 april verkozen afgevaardigden bijeen in Ankara, in het midden van Anatolië, waar ze de Grote Nationale Vergadering vormden, die Mustafa Kemal als voorzitter koos en niet langer de regering van de sultan erkende.
Sèvres
Rond die tijd vond de eerder vermeldde conferentie van San Remo plaats, waar de Geallieerde leiders Lloyd George, Millerand en Nitti de knopen doorhakten voor een vredesregeling. Frankrijk en Italië zouden geen mandaatgebied krijgen maar wel een “invloedssfeer” behouden. Er zou niet meteen een onafhankelijk Koerdistan komen maar de Koerden kregen wel autonomie. De bestaande Armeense republiek zou fors worden uitgebreid met de Turkse vilajets Trebizonde, Erzeroem, Van en Bitlis en als mandaatgebied onder bescherming van de Verenigde Staten komen. De nieuwe grens zou worden vastgelegd door een arbitrage van de Amerikaanse president.
Op die basis stelden de Geallieerden een vredesverdrag op dat, zoals voor de andere Centrale Mogendheden, als een Diktat aan de Ottomaanse regering voorgelegd. Maar zowel de Verheven Porte in Constantinopel als de Grote Nationale Vergadering in Ankara reageerden afwijzend. En met reden.
De territoriale bepalingen van het verdrag waren weliswaar veel minder zwaar dan bij vroegere plannen, waarbij er slechts een Turkse rompstaat in Anatolië zou zijn overgebleven, maar toch. De Turken behielden Constantinopel, maar de rest van Oost-Thracië zou naar Griekenland gaan. De Zeestraten tussen Europa en Azië moesten worden gedemilitariseerd en zouden volledig vrij zijn voor scheepvaart, zelfs in oorlogstijd. Ze kwamen onder het gezag van een internationale commissie. Smyrna en omgeving zouden onder Grieks bestuur formeel Turks blijven, maar een lokaal parlement kon later de aansluiting bij Griekenland vragen. De grote etnische minderheden die in Turkije zouden overblijven, kregen vrijheid van taal en godsdienst gegarandeerd. Slachtoffers van etnische vervolgingen (Armeniërs en anderen) zouden vergoed moeten worden.
Verder moest Turkije grotendeels ontwapenen. De volledige staatsfinanciën werden onder gezag van een internationale commissie geplaatst. De handel met het buitenland moest vrij zijn. De capitulaties, privileges en vrijstellingen die Europese landen in het Ottomaanse Rijd hadden gehad en die tijdens de oorlog waren afgeschaft, moesten worden hersteld.
De discussie over het vredesverdrag vond plaats met toenemend geweld op de achtergrond. In Anatolië was een regelrechte burgeroorlog uitgebroken tussen nationalistische milities en een strijdmacht die de sultan trouw bleef, ondersteund door Britse troepen. In overeenstemming met de Britten begon het Griekse leger vanuit Smyrna een opmars naar het binnenland van Anatolië. Rond die tijd verwierp de Amerikaanse Senaat het plan voor een mandaat over Armenië.

Op aandringen van Venizelos, die vreesde dat de situatie zou verergeren zolang er formeel geen vrede was gesloten, zetten de grote mogendheden de autoriteiten in Constantinopel onder druk om het vredesverdrag te ondertekenen. Na lang en moeizaam beraad gaf de sultan hiervoor toestemming. De ondertekening vond plaats op 10 augustus 1920 in de toonzaal van de Manufacture nationale de Sèvres, een beroemde oude porseleinfabriek nabij Parijs. Van de ondertekenaars waren Millerand en Venizelos de enige regeringsleiders; de anderen waren overwegend beroepsdiplomaten. Grootvizier Damat Ferit Pasja was wel aanwezig, maar zette niet zelf zijn handtekening. Tegelijk werden nog vijf andere verdragen gesloten, waaronder een Brits-Frans-Italiaans pact, waarin de drie mogendheden hun belangen in het Midden-Oosten erkenden.
Zelden werd een verdrag gesloten met zoveel scepsis. Vanwege de plaats en de broosheid ervan sprak men al snel van het “porseleinen verdrag”. De vraag was hoe het kon worden afgedwongen. Maarschalk Foch, de vroegere Geallieerde opperbevelhebber, schatte dat daarvoor zevenentwintig divisies nodig zouden zijn, veel meer dan de Geallieerden in de regio beschikbaar hadden. Meer dan een jaar na de Vrede van Versailles was de publieke opinie in Europa niet bereid om opnieuw meer troepen te mobiliseren…
Inderdaad werd overal in Turkije tegen het verdrag geprotesteerd. Het protest versterkte Kemals tegenregering in Ankara, die intussen het grootste deel van het binnenland was gaan controleren. Uiteindelijk verwierp ook de door de sultan benoemde Senaat in Constantinopel het traktaat. Tegelijk escaleerde de strijd tussen Grieken en Turken in Anatolië. Langs Turkse zijde vochten vooral irreguliere milities, maar Kemal was druk bezig deze om te vormen tot een goed georganiseerd leger, dat door het overlopen van militairen van de sultan en het rekruteren van dienstplichtigen steeds talrijker werd.

Turks-Armeense Oorlog
De sluwe Kemal rekende eerst af zijn zwakste vijand: Armenië. Op 23 september – net nadat president Wilson zoals voorzien de grenzen van het nieuwe Groot-Armenië had vastgelegd – begon een verrassingsaanval van Turkse troepen op het leger van de jonge republiek. In twee maanden werd het teruggedreven. Dit alles gebeurde met instemming van Sovjet-Rusland, met wie Ankara een akkoord had gesloten en dat al sinds april het naburige Azerbeidzjan controleerde. Eind 1920 namen de bolsjewieken de macht over in Armenië en vestigden er een Sovjetregime.
De nieuwe Armeense Sovjetrepubliek – die eind 1922 in de nieuwe Sovjet-Unie zou opgaan – sloot in oktober 1921 met Kemals regering het Verdrag van Kars, waarbij het land herleid werd tot zijn huidige 30 000 km², een vijfde van het door Wilson afgebakende Groot-Armenië. Turkije kreeg niet alleen alle gebied terug dat het in Sèvres had moeten afstaan, maar zelfs een deel van wat Rusland in de negentiende eeuw op het Ottomaanse Rijk had veroverd, waaronder de steden Kars en Adahan en de beroemde berg Ararat, voor de Armeniërs een belangrijk nationaal symbool. De volledige Armeense bevolking was al uit die streken weggevlucht.
Veel Armeense vluchtelingen gingen naar Cilicië, waar plaatselijke Armeense leiders onder Franse bescherming een eigen staat hadden uitgeroepen, maar ook hier vonden voortdurend aanvallen van Turkse nationalisten tegen de Franse en Armeense troepen plaats. De situatie werd voor de Fransen steeds minder houdbaar.

Drie dagen na Briand sloot ook zijn Italiaanse collega graaf Sforza in Londen een akkoord met Bekir Sami Bey, waarbij het economische concessies kreeg. In ruil steunde Italië de Turkse eisen, “in het bijzonder de teruggave van Thracië en Smyrna aan Turkije”. Als gevolg van deze akkoorden begonnen zowel de Fransen als de Italianen wapens aan de Turkse nationalisten te leveren. In oktober 1921 sloot Frankrijk een nieuwe akkoord met Ankara waarbij het niet alleen Cilicië definitief afstond, maar ook een grensstrook van Syrië met Turkije, met de stad Ufa (het oude Edessa). In die gebieden vond een massale exodus plaats van Armeniërs, net als van andere christelijke en islamitische (alawieten) bevolkingsgroepen. De meesten vestigden zich in Syrië en Libanon.
Vernietiging van Smyrna

Toen het Turkse leger op 9 september 1922 Smyrna binnenviel, brak er brand uit in de Griekse en Armeense wijken, waarbij vermoedelijk meer dan 100.000 doden vielen. Voor Griekenland het begin van de “Grote Catastrofe”, met het massale vertrek van de Griekse bevolking uit Anatolië. Kort daarop deed koning Constantijn voor de tweede keer troonsafstand en keerde Venizelos terug naar zijn land.

Alleen de bezette zone rond de Zeestraten, met Constantinopel, en Oost-Thracië waren nog niet in handen van de Turkse nationalisten. Kemal liet zijn leger oprukken naar de Britse en Franse stellingen aan de Dardanellen. Op 15 september besliste het kabinet in Londen dat de Britse troepen zich moesten verdedigen. In het kabinet waren Lloyd George en Churchill – beiden liberalen –bereid tot oorlog, maar ze kregen tegenwind van hun conservatieve collega’s zoals Curzon, van de Britse generale staf en van de Canadese regering, die niet meer door Engeland in een conflict wilde gesleept worden. De toenmalige Franse premier Raymond Poincaré trok zijn troepen terug en riep op tot een wapenstilstand, waar Kemal zich meteen toe bereid toonde.
Op 11 oktober werd in Mudanya aan de Zee van Marmara een wapenstilstand gesloten, waardoor Turkse troepen vreedzaam Oost-Thracië konden binnen trekken, maar Constantinopel en de Zeestraten voorlopig onder Geallieerde bezetting bleven. Deze wending was fataal voor Lloyd George, die een week later ontslag nam.

Lausanne
De maand daarop begon in de Zwitserse stad Lausanne een conferentie die een vervanging moest zoeken voor het achterhaalde Verdrag van Sèvres. Dat die in het neutrale Zwitserland plaatsvond, toonde dat het ditmaal geen Diktat zou worden. Lord Curzon vertegenwoordigde het Britse Rijk. Voor Frankrijk was premier Poincaré even aanwezig om een toespraak te houden, net als zijn nieuwe Italiaanse collega Benito Mussolini. De Turkse delegatieleider was Kemals rechterhand generaal Ismet Pasja (die later als Ismet Inönü de tweede president van de Republiek Turkije zou worden). Hij stelde zich buitengewoon hard en koppig op en bleef soms letterlijk doof voor wat de andere partijen voorstelden (hij aarzelde daarbij niet zijn hoorapparaat af te zetten). Dit ondanks steeds meer Geallieerde toegevingen, vooral van de Fransen.
De spanning met de Britten liep hoog op over de streek van Mosoel, die Ismet opeiste omdat hij de daar wonende Koerden als Turken beschouwde, wat Curzon heftig bestreed. Het gevolg was dat begin februari de onderhandelingen werden afgebroken om pas na meer dan twee maanden te worden hervat. Op 26 april toonde Ismet zich enigszins tot een compromis bereid, maar pas op 24 juli 1923 kon het definitieve verdrag ondertekend worden. De ondertekening van het laatste vredesverdrag na de Eerste Wereldoorlog was geen grootse plechtigheid. Behalve Ismet en Venizelos – die op dat moment geen premier was – waren er geen belangrijke staatslieden onder de ondertekenaars.
Dit verdrag was dan ook veel voordeliger voor Turkije dan het Verdrag van Sèvres. Griekenland kreeg niets, op enkele grenscorrecties aan de Grieks-Turkse (en de Bulgaars-Turkse) grens na. De Zeestraten bleven gedemilitariseerd, onder toezicht van een internationale commissie, maar Turkije mocht er in oorlogstijd wel vijandelijke schepen tegenhouden. Turkije beloofde gelijke behandeling voor al zijn burgers ongeacht taal of godsdienst, maar concrete garanties ontbraken. Schadevergoedingen voor de slachtoffers van massamoorden werden niet vermeld, evenmin als vervolging van de mogelijke daders: die kregen integendeel amnestie. Van financiële voogdij was geen sprake meer – Turkije moest wel volgens een strikt schema zijn schulden terugbetalen – en de capitulaties verdwenen voorgoed.
Bevolkingsruil
Eerder, in januari 1923, hadden Ismet en Venizelos in Lausanne hun handtekening gezet onder een conventie over een Grieks-Turkse bevolkingsruil. Door de oorlog in Anatolië was een groot deel van de Griekse bevolking aldaar op de vlucht geslagen. De nieuwe overeenkomst ging nog verder en legde een verplichte uitwisseling op van de Grieks-orthodoxe inwoners van Turkije met de moslim-inwoners van Griekenland. Als gevolg daarvan moesten zowat anderhalf miljoen Turkse “Grieken” (ook als ze Turks spraken) naar Griekenland verhuizen en een half miljoen Griekse moslims (die soms Grieks, Bulgaars of zelfs Judeo-Spaans spraken) naar Turkije.
De omstandigheden waarin dat gebeurde, waren pijnlijk, soms verschrikkelijk, ook al werd met de conventie gepoogd de gedwongen emigratie zo geregeld mogelijk te laten verlopen. Die verplichting te vertrekken gold niet voor de Griekse bevolking van Constantinopel en die van Imbros en Tenedos , twee eilanden in de Egeïsche Zee die Turks bleven (nu bekend als Gökçeada, resp. Bozcaada), en omgekeerd evenmin voor de moslims in West-Thracië, een gebied dat Bulgarije aan Griekenland had moeten afstaan.

Na de ondertekening van het vredesverdrag begonnen de Geallieerden hun troepen uit Constantinopel te evacueren. De laatste vertrokken op 1 oktober 1923. Op 29 oktober proclameerde de Grote Nationale Vergadering de Republiek Turkije met Ankara als hoofdstad en Mustafa Kemal als president. Bijna een jaar daarvoor had dezelfde vergadering de sultan al afgezet. Mehmet VI verliet op een Brits schip Turkije, waarna de Ottomaanse regering in Constantinopel uiteenviel. Zijn neef en troonopvolger Abdulmedjid werd door de Grote Nationale Vergadering erkend in de louter religieuze functie van kalief. Onder de republiek bleef deze kalief nog even aan, maar Kemal begon toen de invloed van de islam in de Turkse samenleving terug te dringen en in maart 1924 liet hij het kalifaat afschaffen. Daarop riep koning Hoessein van de Hidjaz zichzelf tot kalief uit, maar zoals eerder vermeld werd hij kort daarop van de macht verdreven. Het verdwijnen van de laatste kalief had veel minder gevolgen voor de islamitische wereld dan gevreesd was. Wel werd enkele jaren nadien de Moslimbroederschap opgericht, met als doel het kalifaat te herstellen.
Onder de latere regering van president Atatürk, zoals Mustafa Kemal sinds 1934 heette, versterkte Turkije zijn positie nog. In 1936 wist hij door de Conventie van Montreux een nieuw regime voor de Zeestraten in te stellen: de internationale commissie werd afgeschaft en Turkije mocht de hele zone opnieuw militair controleren en er forten bouwen.
Tegen het einde van zijn regering wist Atatürk zich nog meester te maken van de Sandjak van Alexandretta, het deel van het Franse mandaatgebied Syrië dat een speciaal regime genoot, vanwege de grote Turkse minderheid aldaar. De Arabische meerderheid was er erg verdeeld in soennieten, sjiieten en christenen. Nadat Turkse troepen het gebied in juli 1938 bezet hadden, riep een door Turken gedomineerd lokaal parlement van de Sandjak de onafhankelijkheid uit als de Republiek Hatay (de naam was door Atatürk zelf bedacht). Frankrijk, dat met een dreiging van een nieuwe oorlog tegen Duitsland goede relaties met Turkije wilde, liet het land begaan, ondanks woedende reacties van de Syrische bevolking. Nog geen jaar later – Atatürk was intussen overleden – werd Hatay na een omstreden referendum een Turkse provincie. Syrië heeft de annexatie van dit stuk van de Levant, met de antieke metropool Antiochië (nu Antakya) nooit erkend.
Het Ottomaanse Rijk was verdwenen, maar daaruit ontstond een Turkse natiestaat. Ondanks de bepalingen van het Verdrag van Lausanne en het terugdringen van de invloed van de islam door Atatürk, bleven de christelijke minderheden blootgesteld aan discriminatie, pesterijen en gewelddadigheden, waardoor ze geleidelijk het land verlieten. Thans vormen ze minder dan 0,1 procent van de Turkse bevolking. Zelfs in Istanboel, nog altijd de zetel van het oecumenische patriarchaat van de orthodoxe kerk, wonen nog maar enkele duizenden Grieken, op een totale bevolking van 15 miljoen…
Verdrag van Sèvres (1920) bleek even broos als porselein
Verdrag van Lausanne (1923) – Het laatste vredesverdrag van de Eerste Wereldoorlog
De Turkse onafhankelijkheidsoorlog of Grieks-Turkse Oorlog
Waar kwamen de eerste bewoners van Australië vandaan?
De Duitse herstelbetalingen: “De Mof zal betalen!”