Vrouwenmoordenaar Halewijn werd verslagen door een slimme koningsdochter

Oorsprong van de mondeling overgeleverde moordballade
10 minuten leestijd
De koningsdochter presenteert het hoofd van heer Halewijn - Hendricus Jansen, 1904
De koningsdochter presenteert het hoofd van heer Halewijn - Hendricus Jansen, 1904
Schrijver Else Boer liet zich voor haar deze week verschenen roman Halewijn inspireren door een van de meest intrigerende Nederlandstalige ballades. In dit artikel duikt ze in de geschiedenis van dit mondeling overgeleverde lied over een moordenaar die zijn slachtoffers met zijn stem verleidde…

Heer Halewijn sonc een liedekijn…

In 1836 werd het Lied van de heer Halewijn voor het eerst op schrift gesteld door J.F. Willems. Het lied is zowel gruwelijk als intrigerend. Het gaat over een vrouwenmoordenaar, die zijn slachtoffers met zijn stem het bos in lokt. Een dappere koningsdochter hoort over de moordenaar en besluit om hem te zoeken. ‘Al zingend en klingelend’ rijdt ze door het bos, waar ze hem vindt. Met een list slaat ze hem het hoofd af, en met het hoofd in haar schoot rijdt ze terug naar huis. Het verhaal heeft een iconisch einde:

‘Daer werd gehouden een banket
het hoofd werd op de tafel geset.’

De ballade is jarenlang populair geweest onder vrouwen die zongen tijdens het spinnen en weven – vandaar ook de benaming ‘vrouwenlied’. Maar waar komt het lied eigenlijk vandaan? En waarom blijft precies dit sprookje tot de verbeelding spreken?

Een koningsdochter als heldin

Het lied van de heer Halewijn is allereerst populair vanwege het onderwerp. Middeleeuwse verhalen met heldinnen waren schaars – meestal was het de ridder op het witte paard die de prinses moest verlossen van het kwaad. In dit sprookje doet zij het zelf. Ze verzint een list. Omdat ze zo mooi is, mag ze van moordenaar Halewijn zelf kiezen hoe ze gedood wil worden. De andere vrouwen zijn opgehangen aan de galg, maar de koningsdochter kiest voor het zwaard, een edele dood. Wanneer Halewijn op het punt staat haar te vermoorden, vraagt ze hem om zijn opperkleed uit te doen, want ‘maegdenbloed dat spreidt zoo breed’, en het zou natuurlijk jammer zijn als zijn mantel vies werd. Nog voor hij zijn mantel goed en wel uit heeft gedaan, ligt Halewijns hoofd al op de grond. De koningsdochter doet zijn hoofd in een zak. Wanneer ze Halewijns moeder tegenkomt, wijst ze op haar rode schoot – haar zoon is dood. En tijdens het banket dat wordt gehouden, zet ze het hoofd op de tafel.

De dood van heer Halewijn  – Hendricus Jansen, 1904
De dood van heer Halewijn – Hendricus Jansen, 1904

Het is dus de slimme koningsdochter die de moordenaar vermoordt. Wanneer ze weer terug is ‘blaast ze op de hoorn als een man’. Het onderwerp leent zich uitstekend als vrouwenlied. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de liedcultuur in de middeleeuwen in hoge mate een zaak van vrouwen was. Het is dus aannemelijk dat het inderdaad van generatie op generatie is doorgegeven.

Zelfs na zijn dood is de stem van heer Halewijn nog niet uitgesproken...
Zelfs na zijn dood is de stem van heer Halewijn nog niet uitgesproken… – Hendricus Jansen, 1904
In het lied zelf zijn veel bekende sprookjeselementen terug te vinden. Tot drie keer toe vraagt de koningsdochter toestemming om naar Halewijn te gaan. Maar haar vader, moeder en zus antwoorden allemaal: ‘Die derwaert gaan en keeren niet’ – als ze gaat, zal ze niet terugkeren. De laatste keer vraagt ze het haar broer. Hij antwoordt dat ze kan gaan, zolang ze haar eer maar bewaart. Een ander sprookjeselement is de figuur van Halewijn zelf: zijn stem lokt niet alleen vrouwen, maar iedereen die het hoort wil bij hem zijn. En zelfs na zijn dood is zijn stem nog niet uitgesproken. Hij vraagt de koningsdochter om zijn vrienden te waarschuwen, die hem kunnen helpen, of om zijn hals met toverzalf in te smeren, zodat hij weer geneest. Maar de koningsdochter is verstandiger dan dat. Raad van een moordenaar neemt ze niet aan.

De wrekende bruid

De populariteit van het lied is dus goed te verklaren, maar de oorsprong ervan is minder duidelijk. Hoewel gedacht wordt dat het van origine uit de dertiende of veertiende eeuw komt, zijn er ook bronnen die menen dat het lied teruggrijpt op de Keltische traditie. Het vertoont elementen van een sprookje, maar echoot ook het Bijbelverhaal van Judith.

In heel Europa zijn er varianten van het lied te zien. Alleen al in Nederland zijn er meer dan tachtig versies bekend, waarbij het personage van Halewijn soms wordt vervangen door een wat eenvoudigere Jan Alberts (zonder de betoverende stem). Hoewel moeilijk te bepalen is waar en wanneer het lied is ontstaan, is wél goed te zien hoe het andere verhalen echoot. Het Meertens Instituut, dat Nederlandse volksverhalen verzamelt en indeelt in verhaaltypen, deelt het verhaal in bij de ‘Blauwbaardverhalen’. Een ander verhaaltype past ook: in Spiegel der Letteren herkent Johan Weststeijn het verhaaltype van de ‘wrekende bruid’. Hij vergelijkt het Lied van de heer Halewijn onder andere met het Bijbelverhaal Judith, de mythe van Clytamnestra en Agamemnon en Het verhaal van al-Zir uit de Arabische traditie. De verhalen vertonen opvallende overeenkomsten.

Het bijbelverhaal Judith gaat over de gelijknamige weduwe. Zij woont in Betulië, dat wordt belegerd door Holofernes. De bevolking dreigt zich over te geven. Judith verzint een list: zij kleedt zich op haar mooist en verleidt Holofernes. Hij wil met haar slapen, maar ze zegt dat ze onrein is en dat hij moet wachten. Holofernes valt in slaap, Judith slaat hem zijn hoofd af met zijn eigen zwaard en neemt zijn hoofd in haar voedselzak mee terug naar de stad.

Judith onthoofdt Holofernes - Caravaggio, 1599
Judith onthoofdt Holofernes – Caravaggio, 1599

In de mythe van Clytamnestra en Agamemnon neemt Clytamnestra wraak op haar man, die hun dochter heeft geofferd voor een gunstige wind naar Troje. Nadat de oorlog is gewonnen en Agamemnon weer thuis is, ontvangt Clytamnestra hem hartelijk. Ze heeft zelfs een bad voor hem klaargezet. Wanneer hij uit bad komt, trekt ze hem een mantel aan waarvan de mouwen zijn dichtgenaaid. Dan vermoordt ze hem en zijn meegenomen oorlogsbruid Cassandra en toont de bevlekte mantel aan de stadsoudsten als bewijs van zijn dood. Volgens andere bronnen vermoordt ze hem tijdens het banket: in de Odyssee liggen de lijken naast de feestelijk gedekte tafels.

In Het verhaal van al-Zir neemt de tiran Tubba elke nacht een andere bruid, die hij vervolgens vermoordt. Hij is uit op een huwelijk met de mooie Jalila, wiens oom hij heeft vermoord. Zij doet alsof ze op zijn aanzoek ingaat en neemt haar neef mee, die vermomd is als nar. Na het bruilofstmaal zegt Jalila dat ze onrein is, maar liefst tachtig dagen lang, maar dat dat ophoudt wanneer ze haar favoriete nar een zwaarddans ziet opvoeren. Haar neef wordt opgetrommeld en steekt Tubba neer met het zwaard dat boven zijn bed hangt. Hij drinkt het bloed van Tubba en laat een witte lap in het bloed weken, die hij boven het kasteel hangt.

Het verhaaltype van de ‘wrekende bruid’ kan je volgens Weststeijn als volgt omschrijven:

Een vrouw neemt wraak op haar moorddadige vrijer door hem te onthoofden met zijn eigen zwaard. Als bewijs van de daad toont ze bloedvlekken op een stuk stof. Tenslotte behandelt ze de overblijfselen van haar slachtoffer als voedsel.

In al deze verhalen vermoorden de vrouwen (en één neef) de man met zijn eigen zwaard. De bloedvlekken worden getoond als bewijs van de moord. De koningsdochter zet het hoofd op de tafel tijdens een banket, Judith bewaart het in een voedselzak, Clytamnestra vermoordt haar man volgens sommige bronnen tijdens het feestmaal, en Jalila’s neef drinkt het bloed van de tiran. En alle vrouwen verzinnen een list om hun vijand te strikken.

Salome presenteert het hoofd van Johannes de Doper
Salome presenteert het hoofd van Johannes de Doper
Zulke verhalen waren in de middeleeuwen welbekend. Bijbelverhalen werden uiteraard doorgegeven, maar ook mythen waren onderdeel van de verhaalcultuur. Hoewel we ze nu kennen als hoge literatuur, waren ze bekend als volksverhalen. Het zijn immers verhalen vol intrige en spanning, uitstekend geschikt om op een donkere avond bij het vuur te vertellen.

Dat er parallellen zijn tussen de verhalen, is duidelijk. Verhalen die worden doorverteld en zo veranderen, vertonen ‘rijm’ met andere verhalen. Maar of het lied van Halewijn dus ook van het Bijbelverhaal Judith is afgeleid, is moeilijk te zeggen: omdat de verhalen zo lang mondeling zijn doorgegeven, is het bijzonder lastig om te zeggen wat precies de aard van die relatie is. De laatste regels van het Halewijnlied lijken nog een ander Bijbelverhaal te echoën: dat van Salome en Johannes. Salome vraagt tijdens een banket aan haar vader het hoofd van Johannes, dat op een schaal wordt opgediend. En het Lied van de heer Halewijn bevat ook overeenkomsten met een ander sprookje: dat van Blauwbaard.

De maiden killer

Het Meertens Instuut verzamelt volksverhalen, legenden en sagen in de Volksverhalenbank. Het Halewijnlied wordt hier ingedeeld bij type ATU 0312: dat van Blauwbaard, ook wel de maiden killer.

Het sprookje van Blauwbaard is voor het eerst op schrift gesteld door Charles Perrault in 1695, maar kent, zoals elk sprookje, verschillende varianten. Het gaat over een rijke man met een blauwe baard, die al meerdere vrouwen heeft gehad. Allemaal zijn ze op mysterieuze wijze verdwenen. Hij trouwt opnieuw en geeft zijn nieuwe vrouw de sleutels van zijn kasteel, met toestemming om overal te komen, behalve in één geheime kamer. Nieuwsgierig opent ze toch de verboden kamer en ontdekt daar de lichamen van Blauwbaards vorige vrouwen. Blauwbaard komt erachter en wil haar ook doden. Ze weet haar dood uit te stellen (in de meeste verhalen drie keer) en roept de hulp in van haar broers, die Blauwbaard doden en haar redden.

De dood van blauwbaard. Illustratie van Gustave Doré, 1867
De dood van blauwbaard. Illustratie van Gustave Doré, 1867

In dit verhaaltype is het niet de koningsdochter die de overeenkomsten vertoont met personages uit de andere versies, maar de moordenaar. Hoewel er over Halewijns uiterlijk niets gezegd wordt, is het duidelijk dat hij niet helemaal ‘van deze wereld’ is: zijn stem is betoverend en sprookjesachtig. Dat geldt ook voor de baard van Blauwbaard. De kleur duidt erop dat hij niet slechts een gewone man is. Ze hebben allebei uitzonderlijke gaven waarmee ze hun slachtoffers lokken: Halewijn zijn stem, Blauwbaard zijn uitzonderlijke rijkdom. En hoewel Blauwbaard zijn slachtoffers eerst trouwt en Halewijn dat niet doet, zitten ook in Halewijn subtiele elementen die wijzen op een erotische ontmoeting: de koningsdochter kleedt zich zo mooi mogelijk aan, en ziet Halewijn in het bos, waar ze samen met hem rijdt en veel woorden wisselt. Pas daarna komt ze op de open plek aan waar haar voorgangster de dood hebben gevonden. Maar in beide verhalen eindigt het goed: de moordenaars worden uiteindelijk gedood en gestraft.

De personages van Halewijn en Blauwbaard vertonen hier de overeenkomsten, en het is goed mogelijk dat Blauwbaard de inspiratie voor het karakter van Halewijn is geweest. Voor het Halewijnlied als variant op het Blauwbaardverhaal valt dus ook zeker wat te zeggen.

De Keltische traditie

Er is nóg een lied dat het Lied van de heer Halewijn dicht nadert. Dat is het Schotse Lady Isobel and the Elf Knight. Vrouwe Isobel wordt ontvoerd door een elfenridder, die van plan is haar te vermoorden. Dat heeft hij met zijn zes eerdere bruiden ook gedaan. Ook Isobel verzint een list: ze verleidt de elfenridder om nog even te slapen. Wanneer hij dat doet, slaat ze zijn hoofd af. Ook Lady Isobel and the Elf Knight is goed in te passen in de verhaaltypes van de ‘Wrekende Bruid’ en ‘Blauwbaard’: we hebben een heldin die tot bruid gemaakt wordt door een slechterik. Ze verzint een list en slaat hem met zijn eigen zwaard het hoofd af. En de elfenridder is een bekende slechterik: hij blaast op zijn hoorn en ontvoert dan vrouwen, die hij vermoordt. Uiteraard loopt het slecht met hem af.

Scene uit 'Lied van de heer Halewijn' zoals verbeeld door Hendricus Jansen, 1904
Scene uit ‘Lied van de heer Halewijn’ zoals verbeeld door Hendricus Jansen, 1904

De verbinding met de Keltische traditie is snel gemaakt en ligt misschien het meest voor de hand. De naam Halewijn is etymologisch verwant met die van Halloween, het feest dat nu samenvalt met het Oud-Keltische Samhain. Het wordt gevierd op 31 oktober, van oudsher de intrede van de winter. Tijdens Halloween zijn de grenzen tussen het geestenrijk en dat van de levenden poreus: mensen en bovennatuurlijke geesten kunnen elkaar zomaar ontmoeten. Dat is precies wat er gebeurt in het Lied van heer Halewijn.

Heer Halewijn is in die interpretatie niet zomaar een vrouwenmoordenaar, maar een demon die tijdens de intrede van de winter zijn slachtoffers kiest. Hij vertoont veel overeenkomsten met de Oudierse Sídhe, het Keltische elfenvolk dat zich soms met het mensenrijk bemoeit. Sídhe hebben vaak kenmerkende talenten, zoals het vermogen om betoverend te zingen. Een herkenbaar Keltisch element is dat Halewijn nog doorgaat met spreken nadat zijn hoofd al van zijn romp is geslagen. Wanneer hij de prinses vraagt om op zijn hoorn te blazen, vraagt hij om zijn vrienden op te roepen: andere elfen zouden hem misschien kunnen genezen. Ook de toverzalf wijst hierop.

Edelkitsch

Het lied van de heer Halewijn bevat dus elementen uit mythen, sprookjes, de Bijbel en de Keltische verhaalcultuur, en vertoont zelfs overeenkomsten met een verhaal van Arabische oorsprong. De herkomst ervan is misschien niet vast te stellen, maar dat geeft genoeg redenen om aan te nemen dat het lied eeuwenoud is.

Of toch niet?

De op schrift gezette variant is volgens mediëvist Frits van Oostrom eerder een vorm van ‘edelkitsch’ dan een authentiek middeleeuws lied. De spelling van het lied is gemediëvaliseerd. Zo wordt voor de ontkenning ‘en … niet’ gebruikt: ‘Die derwaert gaen, en keeren niet!’ Ontkenning werd in de middeleeuwen in twee delen geschreven, vergelijkbaar met het Franse ‘ne … pas’. Toch is het lied duidelijk niet origineel: de taal die in het verdere lied gebruikt wordt, is veel eerder negentiende-eeuws dan afkomstig uit de middeleeuwen.

Halewijn - Else Boer
 
In de negentiende eeuw was er veel interesse in volksverhalen van eigen boden én er was sprake van een hernieuwde interesse in de middeleeuwen. Het is goed mogelijk dat die twee het Lied van de heer Halewijn hebben geïnspireerd, en dat het dus lang niet zo oud is als het lijkt. Het zou niet de eerste keer zijn dat een fabricatie uit de Romantiek het beeld van de middeleeuwen beïnvloedt. Denk bijvoorbeeld aan de iron maiden, een fictief martelwerktuig uit de negentiende eeuw, waarvan nog steeds gedacht wordt dat het een middeleeuwse strafmethode is.

In die wirwar van vertellingen en hervertellingen is het niet gek dat het lied tot de verbeelding blijft spreken. Het is ook zonder kennis van de middeleeuwse context uitstekend te begrijpen. En die koningsdochter, dat is natuurlijk gewoon een ontzettend stoer wijf.

Het is in ieder geval een lied dat mij gegrepen heeft. Vandaar dat ik mijn eigen poging tot een hervertelling heb gedaan, en het Halewijnlied in een historische context heb geplaatst. Mijn roman Halewijn speelt zich af in 1108, in het middeleeuwse dorp Fasna (het huidige Vaassen). Voor wie, net als ik, geen genoeg kan krijgen van het verhaal: het boek komt in januari uit, maar is alvast te reserveren. Het is een verhaal dat de moeite van het vertellen waard blijft.

×