De tekenaar met de rafelrandjes: de grijze geschiedenis van Jo Spier

15 minuten leestijd
Jo Spier
Jo Spier in november 1947 (CC BY-SA 3.0 - GaHetNa - wiki)

Jo Spier (1900–1978) was een van de bekendste tekenaars van het vooroorlogse Nederland. Zijn ragfijne lijn, milde ironie en populaire illustraties voor onder meer De Telegraaf en de Camera Obscura maakten hem tot een nationale beroemdheid. Maar achter die luchtige stijl schuilde een oorlogsverleden dat na 1945 tot felle discussies zou leiden. Was Spier een slachtoffer, een bevoorrechte overlever, of iemand die onder dwang meewerkte aan de verkeerde kant van de geschiedenis?

De opkomst van een Zutphense meester

Joannes Leonardus (Jo) Spier werd op 26 juni 1900 geboren in Zutphen. Zijn tekentalent viel al vroeg op en hij groeide uit tot een veelgevraagd illustrator van Joodse komaf. In 1925 trouwde hij met Albertine Sophie ‘Tineke’ van Raalte, samen kregen ze drie kinderen: Peter, Celine en Tom,

Vanaf 1924 werd Spier een van de gezichtsbepalende tekenaars van De Telegraaf. Zijn humoristische observaties, ironie en de elegante ragfijne lijnvoering maakten hem geliefd bij een breed publiek. Zijn illustraties voor de jubileumuitgave van Hildebrands Camera Obscura (1939) vormden het hoogtepunt van zijn vooroorlogse carrière.

Het geboortehuis van Jo Spier lag in het statige rijtje aan de westzijde van het Stationsplein.
Het geboortehuis van Jo Spier lag in het statige rijtje aan de westzijde van het Stationsplein.

De oorlog breekt in

De Duitse bezetting maakte abrupt een einde aan zijn werk. Als bekende Joodse Nederlander stond Spier onder toezicht. In oktober 1940 moest De Telegraaf hem onder dwang ontslaan vanwege een door de bezetters te kritisch geachte prent over de verduistering. Tijdens de oorlog werd hij driemaal opgepakt: eind 1940, in 1941 enkele weken en in 1942 maandenlang. Eerst zat hij in Amsterdam om daarna in een strafbarak van het doorgangskamp Westerbork te zitten.

Begin 1943 kreeg Spiers gezin onverwacht bescherming via de zogenoemde lijst-Mussert, onderdeel van het Plan-Frederiks. In Musserts nagelaten bekentenissen wordt Spier impliciet genoemd als iemand die hij probeerde te beschermen. Een bevestiging van de relatie tussen hen is een tekening van Spier die gevonden is in Musserts huis, waarbij er op de achterkant een bedankbriefje van hem te vinden is. Mussert schreef dat hij voor zijn kennissen en de Joden in de NSB kon zorgen dat voor hen het gaan naar Theresienstadt het grootste gevaar zou zijn. Het leverde het gezin een verblijf op in Villa Bouchina in Doetinchem. Daarmee waren ze, voorlopig althans, gevrijwaard van deportatie naar de concentratie- en vernietigingskampen. De mensen die op de lijst-Mussert vermeld stonden, werden ‘Mussert-Joden’ of ‘NSB-Joden’ genoemd, een benaming waar men na de oorlog niet mee geassocieerd wilde worden.1

Villa Bouchina
Foto van het huis Villa Bouchiena aan de Ds. van Dijkweg 13 te Doetinchem, 1095-1 Fotocollectie Staring Instituut betr. Doetinchem, afgebeeld in Erfgoedcentrum Achterhoek Liemers

De Spiers in Theresienstadt

In april 1943 volgde alsnog deportatie naar Theresienstadt: een kamp dat geen gaskamers had, maar wel de angstaanjagende functie van voorportaal naar Auschwitz. De Nederlandse ‘Mussert-Joden’ kregen er een relatief gunstige positie, maar leefden nog altijd onder permanente dreiging. Spier werkte in de kunstwerkplaats, waar gevangenen voor de Duitsers tekeningen en gebruiksvoorwerpen maakten. Hij werd uiteindelijk hoofd van de werkplaats, een positie die hem hielp te overleven, maar ook argwaan opriep bij medegevangenen.

Een van de meest beladen episodes uit zijn kampverleden was zijn gedwongen medewerking aan de nazi‑propagandafilm Theresienstadt: Ein Dokumentarfilm aus dem jüdischen Siedlungsgebiet. Spier maakte schetsen voor het draaiboek, bedoeld om de buitenwereld een rooskleurig beeld van het kamp te tonen. De werknemers werden na de productie beloond met geschenken en gunsten doch enige weken later werd men, met uitzondering van Spier, naar de gaskamer gestuurd. Zijn rol in de film blijft omstreden. Toch bleef juist deze film een levenslange smet op Spiers reputatie.2

De auteur van The Hitler’s Gift. The Story of Theresienstadt, George E Berkley, schreef over Spier dat hij een soort van leider van de Nederlandse Joden was en dat dat kwam door de contacten die hij had met de nazi’s. Hij werd gezien als een van de meest-begaafde kunstschilders van Theresienstadt en werd een lieveling van de SS’ers die hem vele opdrachten gaven.3

Boekillustratie gemaakt door Jo Spier, ca. 1923
Boekillustratie gemaakt door Jo Spier, ca. 1923 – Stedelijk Museum Zutphen

Spier zou de nazi’s van dienst zijn geweest door bijvoorbeeld zijn medegevangenen tweemaal ‘enthousiast’ te hebben toegesproken om het arbeidsethos te bevorderen. Meerderen vonden dat afgrijselijk en Ab Caransa heeft daardoor een levenslange haat gehad jegens Spier. Volgens Henk van Gelder – schrijver van een biografie over Spier – zou Spier in 1946 tegen zijn vriend Glavimans hebben gezegd dat hij die redevoeringen hield, omdat het hem was opgedragen: als hij dit niet deed dan zou hij gedeporteerd worden.4

Toch was zijn verhaal niet louter negatief. Zo heeft Spier naar eigen zeggen tevergeefs geprobeerd om na de oorlog een straat in Amsterdam te vernoemen naar Mr. Mendels, vertrouweling van SDAP-oprichter Troelstra en zelf lid van het eerste uur, omdat hij dat had beloofd aan mevrouw Mendels.5

Kort voor de bevrijding wist Spier, dankzij zijn positie in de kunstwerkplaats, verder te voorkomen dat drie vrouwelijke medegevangenen en hun kinderen op transport werden gezet. Het is een van de voorbeelden die laten zien hoe dubbel zijn rol in het kamp was: bevoorrecht, maar soms ook in staat om anderen te helpen.6

Theresienstadt - Toegangspoort tot een deel van de verblijven van de gevangenen
Theresienstadt – Toegangspoort tot een deel van de verblijven van de gevangenen (CC BY-SA 3.0 – Aurevilly – wiki)
Op 3 mei 1945 werd Theresienstadt bevrijd door de Sovjets, maar voor Spier was het niet gedaan met de oorlog, want Spier kwam onder verdenking te staan vanwege verdachte tekeningen over het leven in het kamp. Het feit dat hij de enige overlevende was die meegewerkt had aan de propagandafilm maakte het er niet beter op. Daarom ging het Tsjechisch communistenleger diepgravend onderzoek doen naar Spier en eind juni bleken de beschuldigingen ongegrond te zijn. Spier was een vrij man, zo leek het althans.7

Vrijspraak zonder rust

Na zijn terugkeer in Nederland werd Spier direct opgepakt door de Politieke Opsporingsdienst. Zijn tekeningen voor de propagandafilm werden in beslag genomen en getuigen werden gehoord. De rechercheur vond vooral de overleving van Spiers volledige gezin verdacht, maar er bleek geen grond voor vervolging. Op 14 september 1945 werd hij officieel vrijverklaard.8

Ondanks alles ging Spier verder met het ‘gewone’ leven en vestigde hij zich weer in Broek en Waterland waar hij voor de internering en Theresienstadt al woonde. De familie wist aanvankelijk niet wat ‘niet goed geweest’ betekende en dat dat stond voor onvaderlandslievende houding tijdens de bezetting. Spier schreef daarover in zijn geschreven herinneringen dat het tijd had gekost om aan te passen en te leren dat de betekenis van woorden als ‘collaboratie’ en ‘sabotage’ veranderd was, want het Nederland wat ze in Theresienstadt geïdealiseerd hadden bestond volgens hen niet meer.9

Bij het nieuwe Elseviers Weekblad kon Spier zijn cartoons in de vooroorlogse Telegraaf-traditie voortzetten. Een vernieuwend element naast zijn humor was dat hij zich waagde aan politieke thema’s, veelal anti-Duits. Veel roem kreeg hij door de brochures over de annexatie van Duits grondgebied en het aansporen van de wederopbouw met behulp van het Marshallplan. Daarnaast had hij het reportage tekenen weer opgepakt.10

barak 35 westerbork
Barak 35 in kamp Westerbork, waar een zaal voor zieke kinderen was ingericht. In opdracht van kampcommandant Gemmeker voorzag tekenaar Jo Spier de wanden van illustraties, waaronder ‘De rattenvanger van Hamelen’.

De aanval van De Waarheid

In 1947 laaide de discussie opnieuw op. De communistische krant De Waarheid publiceerde 8 november een ingezonden brief van M. Huunink, waarin Spiers rol in de Theresienstadt-film werd aangehaald en zijn vermeende voorkeursbehandeling werd bekritiseerd. Een maand later volgde een groot artikel waarin zijn kamptekeningen — vaak luchtig van toon — werden afgezet tegen de werkelijkheid van Theresienstadt. Tussen de regels door werd Spier neergezet als iemand die zich te gewillig had geschikt naar de bezetter en ‘bevriend was geweest met Mussert’.11

De reacties liepen uiteen. Sommige oud-gevangenen spraken schande van de aantijgingen en noemden ze een verdraaiing van de feiten. Aan de krant werd de vraag gesteld of zij geloofden dat Spier de mogelijkheid had om de opdracht te weigeren zonder dat hij vermoord zou worden.12

Verlies van zijn docentschap

De controverse had directe gevolgen. Spiers colleges aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, aanvankelijk goed bezocht, liepen plots leeg. Studenten wilden niet meer met hem geassocieerd worden. Spier schreef aan hen nog een brief waarin hij de aantijgingen weersprak. Hij verklaarde dat de informatie in de artikelen onjuist was en dat hij begreep dat het een tijd was waarin dergelijke geruchten ontstonden, maar dat men zich daartegen nauwelijks kon verdedigen en dat dit bijzonder ingrijpend was. Het hielp niet, want de studenten bleven weg en de academie schrapte dan ook zijn lessen. Het incident maakte duidelijk hoe hardnekkig de verdenking bleef.

Dat alles deed niets af aan zijn reputatie als illustrator, want hij kreeg veel opdrachtgevers voor bijvoorbeeld advertenties en zijn stijl werd volgens Henk van Gelder vaak geïmiteerd en/of geplagieerd, omdat een door Spier gefabriceerd werk cachet gaf.13

Een nieuw begin in Amerika

Na jaren van geruchten en publieke twijfel besloot Spier in 1951 Nederland achter zich te laten. Officieel zocht hij een nieuwe uitdaging, maar volgens onderzoekers speelde ook mee dat hij zich in het naoorlogse Nederland nooit volledig had kunnen losmaken van de geruchten die hem bleven achtervolgen. In de Verenigde Staten bouwde hij met reclame- en illustratiewerk een nieuw bestaan op. Twee jaar later volgde zijn gezin en vestigde de familie zich definitief op Long Island.

Ondanks de afstand bleef Spier nauw verbonden met Nederland. Hij leverde jarenlang tekeningen voor Elseviers Weekblad en bracht regelmatig nieuwe albums uit die goed verkochten.

Waardering én verwijdering

In 1971 werd Spier benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, een teken dat zijn werk nog altijd breed gewaardeerd werd. Toch veranderde het culturele klimaat. Voor veel jongeren in de jaren zeventig stond Spier symbool voor een ouderwetse, kleinburgerlijke tekenstijl. Critici vonden zijn humor gedateerd, al bleef zijn vakmanschap onbetwist.

Jo Spier - Zwanezang
 
Tegelijkertijd bleef zijn oorlogsverleden als een onderstroom aanwezig. In interviews, vanwege de publicatie van verzamelbundel Zwanezang in 1973, vertelde Spier dat hij zich soms onrechtvaardig behandeld voelde: officieel vrijgepleit, maar nooit helemaal vrij van de verdenking die in 1945 was ontstaan.

Terug naar Zutphen

In 1975 schonk Spier zijn omvangrijke tekenarchief aan het Stedelijk Museum Zutphen, de stad waar hij was geboren. In de Telegraaf zei hij daarover dat hij dit deed omdat hij op 200 meter van het museum geboren was, de Spiers een oud Zutphens geslacht waren en hij zijn kinderen wilde ontlasten van wat hij noemde “de onzalige taak om alles te moeten uitzoeken”. De grote overzichtstentoonstelling die daarop volgde, bracht hem opnieuw in de belangstelling. Door de schenking werd het museum direct het enige documentatiecentrum van Spiers werk. Op Spier en die tentoonstelling kwam veel pers af op zijn vijfenzeventigste verjaardag op 26 juni 1975.14

Twee dagen later verscheen in het democratisch-socialistische dagblad Het Vrije Volk een interview van Piet Koster, waarin Spier zich gelukkig prees dat hij zijn hele leven geld had kunnen verdienen met wat hij het liefste deed: tekenen. Hij benadrukte opnieuw zijn verbondenheid met Nederland en stelde dat hij, als het moest, best weer in Nederland zou kunnen aarden. Over de oorlog werd in dit interview nauwelijks gesproken; Koster merkte slechts op dat het een wonder was dat Spier Westerbork en Theresienstadt had overleefd. Vragen over het waarom of hoe bleven achterwege.15

In een interview met Het Parool sprak Spier openlijk over het “onzichtbare kwaad” dat hem sinds 1945 achtervolgde: de hardnekkige verdenking dat hij te dicht bij de bezetter had gestaan. Hoewel Spier er nooit eerder publiekelijk over had gesproken, zei hij tegen journalist Hans Vogel dat hij er “er bijzonder graag” over wilde praten nu hij er “onverwacht” mee werd geconfronteerd. Vogel had vooraf contact opgenomen met historicus Lou de Jong, die op dat moment werkte aan Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. De Jong vertelde hem dat uit zijn onderzoek bleek dat Spier niets had gedaan wat in strijd was met de wet. De opname van de familie Spier op de lijst-Mussert was volgens De Jong het gevolg van Musserts mogelijkheid om enkele Joodse bekenden te beschermen — niet van enige relatie tussen Spier en de NSB. Spier had die hulp aangenomen, maar een NSB’er was hij volgens De Jong nooit geweest.16

Spier vertelde Vogel dat hij na de oorlog onrechtvaardig behandeld was en dat hij onder “valse beschuldigingen” had geleden. Hij liet Vogel een kopie zien van een verklaring van de Politieke Opsporingsdienst waarin stond dat hij nooit lid van de NSB was geweest en geen steun had verleend. Dat hij in Westerbork terechtkwam met de zogenoemde ‘NSB-Joden’ had volgens hem de geruchten gevoed dat hij een jeugdvriend van Mussert was. Zelf zei hij Mussert slechts één keer te hebben ontmoet, voor een interview. Voor de redding van zijn gezin hoefde hij naar eigen zeggen geen enkele tegenprestatie te leveren.17

In Theresienstadt had hij voortdurend tegen die geruchten moeten vechten en daarna opnieuw in Nederland. Hij sprak met Vogel over een “onzichtbaar kwaad” waartegen niet te vechten viel, omdat er nooit een serieuze aanklacht was geweest. Zijn emigratie naar de Verenigde Staten werd door sommigen een vlucht genoemd, maar volgens Spier was dat onzin: “dan was ik wel eerder gegaan.” Zijn kinderen hadden volgens hem geleden onder de gebeurtenissen, maar het had het gezin ook hechter gemaakt.18

Een omstreden herinneringsboek

Uiteindelijk voelde Spier zich genoodzaakt zijn oorlogsherinneringen vast te leggen. Zo ontstond Dat alles heeft mijn oog gezien: Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt (1975). Hij noemde het geen memoires — “het zijn maar een paar dingen die ik heb meegemaakt” — en omdat hij het niet kon tekenen, schreef hij het op “omdat anders niemand het deed”.19

Dat alles heeft mijn oog gezien - Jo Spier
 
De ontvangst was overwegend positief, maar er klonk ook stevige kritiek. Recensenten en oud-gevangenen wezen erop dat Spier veel níet had opgeschreven: niets over mogelijke vriendschappen met vertegenwoordigers van de bezetter, niets over Villa Bouchina, niets over de voorkeursbehandeling van zijn gezin, en vooral: geen woord over zijn rol in de propagandafilm, behalve een terloopse verwijzing naar regisseur Kurt Gerron. De Leeuwarder Courant vond sommige anekdotes “iets te frappant” en meldde dat boeren Klok en Spaans — die Spier in zijn boek aanhaalde — verklaarden dat zijn beschrijvingen niet geheel klopten. Zo ontstond het beeld dat Spiers autobiografie “arbitrair, incompleet en niet geheel waarheidsgetrouw” was. De rol die Spier zichzelf leek toe te schrijven was die van slachtoffer.20

Het Joods Historisch Museum wilde bij het verschijnen van het boek een tentoonstelling maken over de tekeningen van Spier in Theresienstadt. Toen dit bekend werd, volgden felle protesten. Ab Caransa, zelf oud-gevangene van Theresienstadt, vond het “oneerbiedig” en een…

…belediging voor iedereen die gevangen had gezeten in Theresienstadt of elders.21

Directeur Judith Belinfante vond de kritiek merkwaardig, omdat Spiers schetsboek al jaren in de vitrine lag zonder protest. Toch durfde het museum de tentoonstelling niet door te zetten. Voor de familie Spier was dit bijzonder pijnlijk. Jo schreef Belinfante dat hij had verwacht dat het boek oude wonden zou openrijten, maar dat de heftigheid ervan hem toch had geraakt.22

Laatste jaren en overlijden

In de jaren zeventig verschenen nog enkele bundels met tekeningen, titels die bijna als afscheid klonken: Zwanezang (1973), Bij ’t scheiden van de markt (1975) en Op de valreep (1976). De eerdere schenking van zijn tekenarchief aan het Stedelijk Museum van Zutphen in 1975 was dan ook een soort van afscheid. Een afscheid dat op 21 mei 1978 in Santa Fe definitief werd toen hij op bezoek bij zijn zoon Tom in zijn slaap stierf aan een hartaanval. Een bekend, markant en veel besproken tekenaar was heengegaan.23

De Nederlandse pers herdacht hem als een groot tekenaar. Allemaal stonden ze stil bij de opleiding en werkzaamheden die hij had verricht voor De Telegraaf, Elsevier en andere opdrachtgevers. Over de oorlogsperiode is alleen gemeld dat het Spier uit zijn evenwicht sloeg. Daarnaast is door de media de emigratie naar de VS en de schenking van zijn werk aan het Stedelijk Museum Zutphen aangehaald.24

Toch klonk er ook een ander geluid. Criminoloog en spotprentdeskundige Koos van Weringh merkte op dat een veelgehoorde reactie was: “er is een goede tekenaar overleden, maar het is spijtig dat hij in de oorlog fout was geweest.” Volgens Van Weringh had Spier er nooit genoeg aan gedaan om zich van het beeld van ‘NSB-Jood’ te ontdoen.25

Een oorlogscartoon van Jo Spier
Een oorlogscartoon van Jo Spier – Collectie Gelderland

Herwaardering en blijvende vragen

Vanaf de jaren tachtig kwam Jo Spier opnieuw in de belangstelling. Grote overzichtstentoonstellingen, de oprichting van de Jo Spier Stichting en nieuwe publicaties zorgden ervoor dat zijn werk weer volop aandacht kreeg. Zijn tekeningen bleken verrassend tijdloos en zijn stijl had meer invloed gehad dan critici in de jaren zeventig dachten. Toch bleef zijn oorlogsverleden altijd meeklinken.

De vraag hoe Nederland moest omgaan met een kunstenaar die dankzij een uitzonderingspositie wist te overleven, bleef terugkomen. Spier werd nooit veroordeeld, maar ook nooit helemaal vrijgepleit in de publieke opinie. Zijn naam bleef verbonden aan de lastige, vaak ongemakkelijke grijstinten van de oorlog.

Recente tentoonstellingen, zoals Tekenen in tijden van oorlog (2025), laten zien dat die vragen nog steeds leven. Voor de één is Spier vooral de begaafde tekenaar die onder moeilijke omstandigheden bleef werken; voor de ander blijft hij een symbool van de morele dilemma’s van de bezetting. Misschien is dat uiteindelijk wat hem zo interessant maakt: niet alleen zijn grote oeuvre, maar ook het verhaal van een man die laveerde tussen overleven en oordeel, en ons eraan herinnert dat geschiedenis zelden netjes in zwart-wit te verdelen is.

Noten, bronnen en leestips

Noten
1 – J. Meyers, Mussert een politiek leven (Amsterdam 1978), 148; A. Mussert & G. Groeneveld, Nagelaten bekentenissen. Verantwoording en celbrieven van de NSB-Leider. Bezorgd en ingeleid door Gerard Groeneveld (Nijmegen 2005) 120-121.
2 – G.E. Berkley., Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de nazi’s. (Baarn 1995).221-222; Karel Margry, ‘Theresienstadt’ (1940-1945). The Nazi Propaganda Film Depicting the Concentration Camp as Paradise.’ In: Historical Journal of Film, Radio and Television. 12:2 (1992) 153;.Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 87-93; Vandormael, Kinderen van Theresienstadt, 177-181.
3 – Berkley, Theresienstadt, 221-222.
4 – Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 86-87.
5 – Spier, Dit alles heeft mijn Oog Gezien, 48.
6 – Ibidem, 74-76.
7 – Spier, Dit Alles Heeft Mijn Oog Gezien, 82-85; Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 97-98; Van der Heijden, Joodse NSB’ers, 18.
8 – Spier, Dit Alles Heeft Mijn Oog Gezien, 93; Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 99; Van der Heijden, Joodse NSB’ers, 18.
9 – Spier, Dit Alles Heeft Mijn Oog Gezien, 95, 98.
10 – Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 103-104.
11 – Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 105-106; Van der Heijden, Joodse NSB’ers, 13-14; ‘DE MENING DER LEZERS DER FOHREH SCHENKT DEN JUDEN EINE STADT.’ De Waarheid 08-11-1945, p. 2. G, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010851027:mpeg21:p002 (Geraadpleegd 7 maart 2026); De Waarheid, ‘THERESIENSTADT zoals Jo Spier het zag… en zoals het was! Het alibi der Jodenvervolgingen! 15-12-1945 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010851059:mpeg21:p004 (Geraadpleegd op 7 maart 2026).
12 – Ibidem, 108
13 – Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 107-109.
14 – Laudy, Y., ‘Illustrator Jo Spier kwam uit Amerika voor de opening van zijn eerste grote overzichtstentoonstelling „Ik blijf tekenen zolang mijn ogen en handen het toelaten””, De Telegraaf. (21 juni 1975) 47, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011198776:mpeg21:p047 (Geraadpleegd 7 maart 2026).
15 – Piet Koster, ‘Jo Spier even terug: ‘Ergens zijn het rotzakken, die Amerikanen’’ Het Vrije Volk: democratisch-socialistisch dagblad. (28-06-1975), 9 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010958804:mpeg21:p009 (Geraadpleegd 7 maart 2026).
16 – Hans Vogel, ‘Kunstenaar Jo Spier– Uit de VS overgekomen voor expositie van zijn werk – werd jaren achtervolgd door gerucht: ‘’Ik vocht tegen een onzichtbaar kwaad’’’ Het Parool (20-06-1975) https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010839794:mpeg21:p009 (Geraadpleegd 30 december 2021).;.
17 – Ibidem.
18 – Ibidem.
19 – Spier, Dit alles heeft mijn oog gezien, 9.
20 – Spier, Dit Alles Heeft Mijn Oog Gezien. 114 119; ‘Boeken Jo Spier schreef zijn kampervaringen op.’ Leeuwarder Courant (11-08-1978), 27 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010620897:mpeg21:p027 (Geraadpleegd 7 maart 2026); ‘Boeken in ’t kort.’ Het vrije volk: democratisch-socialistisch dagblad (24-06-1978), 29 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010959878:mpeg21:p029 (Geraadpleegd 7 maart 2026).
21 – Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 141.
22 – Ibidem, 141-142.
23 – Van Gelder, De tekenaar Jo Spier, 142-143; Yvonne Laudy, ‘Illustrator Jo Spier kwam uit Amerika voor de opening van zijn eerste grote overzichtstentoonstelling’ De Telegraaf (21-06-1975), 3 https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011198776:mpeg21:p047.( Geraadpleegd 7 maart 2026).
24 – ANP Nieuwsbericht – 22-05-1978 – 100 https://www.delpher.nl/nl/radiobulletins/view?coll=anp&maxperpage=10&sortfield=date&facets%5Bperiode%5D%5B%5D=3%7C1970-1979%7C1978%7Cmei%7C22%7C&cql%5B%5D=%28date+_gte_+%2221-05-1978%22%29&page=10&identifier=anp:1978:05:22:100:mpeg21&resultsidentifier=anp:1978:05:22:100:mpeg21&rowid=10 (Geraadpleegd 7 maart 2026); ‘Tekenaar Jo Spier (77) in Amerika overleden’ Trouw( 23-05-1978). https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010823805:mpeg21:p003 (Geraadpleegd 7 maart 2026); ‘Tekenaar Jo Spier overleden’ Nederlands dagblad: gereformeerd gezinsblad (23-05-1978), p. 5. https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010682285:mpeg21:p005 (Geraadpleegd 7 maart 2026); ‘Op 78-jarige leeftijd overleden Humor was Jo Spiers handelsmerk.’, De Telegraaf. (23 mei 1978) 6., https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011199123:mpeg21:p006 (Geraadpleegd 7 maart 2026).
Scheepmaker, N., ‘Jo Spier’, PZC (26 mei 1978) https://krantenbankzeeland.nl/issue/pzc/1978-05-26/edition/0/page/4. (Geraadpleegd 7 maart 2026).
25 – Van der Heijden, Joodse NSB’ers, 16-17.

Bronnen
– Berkley, G.E., Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de nazi’s. (Baarn 1995).
– Gelder, H. van., ‘De tekenaar Jo Spier. (1900-1978). (Amsterdam 1994).
– Heijden, C van der. Joodse NSB’ers: De vergeten geschiedenis van Villa Bouchina in Doetinchem (Utrecht 2006).
– Jong, L. de. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Gevangenen en gedeporteerden. (’s -Gravenhage 1978).
– Margry, K., ‘Theresienstadt’ (1944-1945): The Nazi Propaganda Film Depicting the Concentration Camp as Paradise’ in: Historical Journal of Film, Radio and Televisienet 12:2 (1992) https://independent.academia.edu/KarelMargry (Gedownload 22 december 2021).
– Meyers, J. Mussert een politiek leven (Amsterdam 1978). Mussert, A.A., & Groeneveld, G., Nagelaten Bekentenissen: verantwoording en celbrieven van de NSB-Leider. (Nijmegen 2005).
– Spier, J., Dit alles heeft mijn oog gezien: Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt 1942-1945 (Amsterdam 1978).

Meer informatie
– Chris van der Heijden, Joodse NSB’ers: De Vergeten Geschiedenis Van Villa Bouchina in Doetinchem (Utrecht 2006).
– Gerry van der List, Jo Spier: ter herinnering 1900-1978 (2022)
– Henk van Gelder, De tekenaar Jo Spier. (1900-1978) (Amsterdam 1994).
– Nieuwsuur, Het verhaal van de Joodse tekenaar Jo Spier, https://nos.nl/nieuwsuur/video/2560782-het-verhaal-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier
– Stedelijk Museum Zutphen

×