Terwijl de deportatietreinen wekelijks vanuit kamp Westerbork naar vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor denderden, dineerde een selecte groep Joodse Nederlanders in Gelderse villa’s in Barneveld en Doetinchem met hun eigen zilveren bestek. In 1942 ontstond er een merkwaardig systeem van uitzonderingen, het Plan-Frederiks. Was dit een redding uit menselijkheid, of een cynisch instrument van de bezetter?
- De ‘Sperre’ van de secretaris-generaal
- Een pijnlijke hiërarchie: de ‘Sperre’ als overlevingskans
- Het Duitse akkoord: een cynisch instrument
- De gouden kooi van De Barneveldgroep
- Villa Bouchina: Het morele moeras van de ‘Mussert-Joden’
- De duimschroeven worden aangedraaid
- Het einde van het experiment in Doetinchem: 21 april 1943
- Het einde van het experiment in Barneveld
- De bittere nasmaak van privilege: de pijnlijke erfenis van het Plan-Frederiks
- Beladen erfgoed: De lessen van het Plan-Frederiks
De ‘Sperre’ van de secretaris-generaal
In oktober 1941 ontving Karel Johannes Frederiks, nog voordat de systematische deportaties waren begonnen, een indringend verzoek van vijf Joodse bekenden. Als secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken – de hoogste ambtelijke positie in het bezette Nederland – beschikte hij over een unieke invloed. Waar de ministers naar Londen waren gevlucht, waren de secretarissen-generaal achtergebleven om het land draaiende te houden. Frederiks zag het als zijn taak om de Nederlandse invloed op de samenleving te bewaken tegenover de grillen van de bezetter.

Hij zocht contact met zijn collega Jan van Dam, de Duitsgezinde secretaris-generaal van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming. Van Dam stond bekend om zijn bereidheid tot samenwerking met de Duitsers, maar deelde met Frederiks de wens om de ‘culturele elite’ van Nederland te behouden. Samen stelden zij een lijst op van Joodse burgers met grote maatschappelijke verdiensten: de zogenaamde ‘Edeljoden’. Wie op deze lijst stond, kreeg een officiële vrijstelling van deportatie, een zogenaamde Sperre. Dit plan kreeg later de naam: Plan Frederiks.
Een pijnlijke hiërarchie: de ‘Sperre’ als overlevingskans
De selectie voor de ‘Lijst-Frederiks’ was op papier gebaseerd op een rationeel en elitair criterium: “bijzondere verdiensten voor de Nederlandse samenleving”. De aanmeldingen werden verdeeld over categorieën zoals wetenschap, kunst, geneeskunde en industrie. Het doel was om de intellectuele ruggengraat van Nederland te beschermen voor deportatie.
In de praktijk was de werkelijkheid echter veel grilliger. Hoewel de criteria formeel vaststonden, tierde het ‘ons-kent-ons-principe’ welig. Persoonlijke vriendschappen en sociale netwerken bepaalden in grote mate wie een plek op de lijsten wist te bemachtigen. Frederiks begon het initiatief immers zelf na een verzoek van vijf persoonlijke vrienden. Deze subjectiviteit zorgde ervoor dat er zelfs namen op de lijst verschenen van mensen die strikt genomen helemaal niet aan de officiële criteria voldeden, maar simpelweg de juiste mensen kenden op de departementen in Den Haag.

Het resultaat was een diep onrechtvaardige verdeling. Terwijl de gewone Joodse Nederlander – de arbeider uit de Amsterdamse Jodenbuurt of de kleine winkelier uit de provincie – geen enkele bescherming genoot, bood de lijst een schuilplaats aan de sociale bovenlaag van ongeveer 650 personen. De Sperre was daarmee niet alleen een bewijs van verdienste, maar vaak ook een bewijs van de juiste connecties.
Op deze lijsten prijkten namen als Abel Herzberg, Rosa Spier, Eduard Meijers, Heleen Pimentel en Ralph Prins. In hun persoonsbewijs kwam een speciale aantekening te staan, waardoor zij bekend kwamen te staan als de Blaue Reiter (Blauwe Ruiters). Dat symbool gaf hun een soort van ‘beschermingsstatus’ die hen (tijdelijk) van deportatie vrijstelde.
Het Duitse akkoord: een cynisch instrument
In de zomer van 1942 bereikte de vervolging een kookpunt met de oprichting van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung en de start van de deportaties naar de kampen in Polen. In deze turbulente fase willigden rijkscommissaris Seyss-Inquart en Generalkommissar Fritz Schmidt het verzoek van de secretarissen-generaal in. Waarom werd hier goedkeuring voor verleend? Hun motivatie was allesbehalve humanitair; het was een kille, politieke berekening.
Historici zoals Loe de Jong en Ad van Liempt wijzen op een kille, strategische berekening. De Jong beargumenteerde dat de Duitsers hiermee een krachtig psychologisch wapen in handen hadden: door een sprankje hoop op uitzondering te bieden, voorkwamen zij dat duizenden Joden direct in het verzet zouden gaan of massaal zouden onderduiken. De hoop op een plekje op ‘de lijst’ hield de rust in de (Joodse) gelederen. Van Liempt stelt bovendien dat het een doortrapte vorm van verdeel-en-heerspolitiek was; het maskeerde het brute karakter van de algemene deportaties door de suggestie te wekken dat er voor ‘verdienstelijke’ Joden een humane regeling bestond. Het Plan-Frederiks bood echter geen werkelijke veiligheid, maar verkocht uitstel van executie in ruil voor bestuurlijke rust in de polder.
Dit gedoogbeleid zorgde voor een diepe scheur binnen het Duitse apparaat in Nederland. Aan de andere kant van het spectrum stond de SS, onder leiding van de fanatieke Hanns Albin Rauter. Vanuit het perspectief van de SS en de Endlösung was elke uitzondering een vertraging van hun doel: een ‘Jodenvrij’ Nederland.
Rauter walgde van de privileges voor deze groep Joden en zag het als een onaanvaardbare inbreuk op de systematische vernietiging. Dit leidde tot een voortdurende machtsstrijd achter de schermen. Zolang de civiele tak (Schmidt) de politieke overhand had, bleef de bescherming van kracht. De bewoners van de villa’s leefden daarmee in een constante, onzichtbare spagaat tussen twee kampen binnen het naziregime. Hun veiligheid hing niet af van rechtvaardigheid, maar van wie er op dat moment de meeste macht had in Den Haag.

De gouden kooi van De Barneveldgroep
Eind 1942 kreeg het plan fysiek vorm. Voor een select gezelschap opende de bezetter de poorten van twee statige locaties: Kasteel De Schaffelaar en Huize De Biezen in Barneveld. De omstandigheden stonden in schril contrast met de rest van Joods Nederland. In Barneveld woonde men in relatieve luxe; er was onderwijs, er werden concerten gegeven en bewoners hoefden op het eigen terrein geen Jodenster te dragen. Hoogleraren dineerden met eigen zilveren bestek terwijl elders de treinen naar het oosten denderden.

Villa Bouchina: Het morele moeras van de ‘Mussert-Joden’
Terwijl Barneveld door Frederiks en Van Dam gevuld werd met de intellectuele bovenlaag, ontstond er een derde lijst met een minder ‘gepolijst’ karakter. Anton Mussert, de leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), wilde zijn eigen invloed doen gelden. Voor Mussert was het Plan-Frederiks een doorn in het oog; het was een initiatief van de ‘oude stempel’ secretarissen-generaal, terwijl hij zichzelf zag als de toekomstige leider van het Nederlandse volk. Voor deze groep was in de Barneveldse kastelen geen plaats; zij werden naar de Achterhoek gestuurd.
Mussert besloot zijn eigen lijst met ‘verdienstelijke’ Joden op te stellen: de zogenoemde Lijst-Mussert. Dit zorgde voor een wrange paradox. Waar de rest van de Joodse gemeenschap de NSB zag als de architect van hun ondergang in Nederland, was er een kleine groep voor wie diezelfde NSB de enige strohalm naar overleving leek. Op de lijst van Mussert stonden personen die op verschillende manieren met de beweging verbonden waren: Joden die in de vroege jaren dertig lid waren geweest van de NSB (voordat de bezetter dit in 1940 verbood), Joden uit gemengde huwelijken wier (stief)zonen of echtgenoten aan het Oostfront vochten voor de Waffen-SS, of personen die persoonlijke gunsten hadden verleend aan NSB-prominenten.
Deze groep werd door de rest van de Joodse gemeenschap — en zelfs door de bewoners van Barneveld — met argwaan bekeken. Zij waren de ‘NSB-Joden’. Hun lot was verbonden aan de man die door het overgrote deel van Nederland als de grootste landverrader werd gezien. Het maakte hun positie in de oorlog niet alleen gevaarlijk, maar ook moreel uiterst precair.

In februari 1943 werd Villa Bouchina, een fraai herenhuis aan de rand van het centrum van Doetinchem, gevorderd om dienst te doen als ‘Joodsch Tehuis’ voor drieënzestig personen. In tegenstelling tot Barneveld, waar de Nederlandse staat via de secretarissen-generaal als garantsteller fungeerde, was Bouchina het domein van de NSB. De villa zou plaats moeten bieden aan 63 personen. Aanvankelijk zou er nog een vierde tehuis moeten komen aan de Terborgseweg 44 in Doetinchem, met als doel om ook daar NSB-Joden te interneren, maar dit ging uiteindelijk niet door, omdat van de oorspronkelijke drieënzestig Joden die in Villa Bouchina geplaatst zouden worden, er maar negen overbleven. Dit kwam omdat sommige Joden zelf er toch voor hadden gekozen om onder te duiken, hun rol bij de NSB onvoldoende konden aantonen of simpelweg doordat ze al gedeporteerd waren.
Dit kleine aantal zorgde voor een beklemmende, bijna familiale sfeer waarin sociale controle en privileges hand in hand gingen. De personen die in Villa Bouchina geïnterneerd werden waren:
- De internationaal bekende illustrator Jo Spier, samen met zijn vrouw Tineke Spier-van Raalte en hun drie kinderen: Peter, Céline en Tom
- Simcha Selina Ancona
- Abraham Spetter
- Paul Drukker
- Kaatje van Lunenburg-Groen
Net als in Barneveld hadden de bewoners van Villa Bouchina vrijheden die elders ondenkbaar waren. Zo mochten ze een deel van hun eigen inboedel meenemen, waardoor de kamers van de villa gevuld waren met persoonlijke herinneringen en burgerlijk comfort. Er hoefde niet gewerkt te worden; de enige verplichting was de corveedienst om het pand schoon te houden. De kinderen kregen onderwijs en voor de volwassenen werden er lezingen en voordrachten georganiseerd. Aanvankelijk mochten de geïnterneerden zelfs tussen twee en vijf uur ’s middags de villa verlaten voor een wandeling, mits zij zich hielden aan de geldende restricties voor Joden in het openbare leven.
De duimschroeven worden aangedraaid
De schijnveiligheid van het Plan-Frederiks was broos. Ondanks het relatieve comfort waren de bewoners nooit echt vrij en leefden zij in voortdurende onzekerheid. De onderdirecteur van Villa Bouchina, de heer Spanjaard, schreef in zijn verslagen hoe de ‘duimschroeven’ gedurende de twee maanden dat het tehuis bestond steeds strakker werden aangedraaid. De Duitse bezetter zag het tehuis niet als een definitieve haven, maar als een tijdelijke tussenstop.

Rauter en de zijnen zagen de bewoners van Villa Bouchina als niets meer dan een pressiemiddel dat zijn waarde had verloren. Nu het overgrote deel van de Joodse bevolking in Nederland al was gedeporteerd of ondergedoken, was de noodzaak om de schijn van een ‘humane’ regeling op te houden verdwenen. De Sicherheitspolizei draaide de duimschroeven waar Spanjaard over schreef nu definitief aan.
Het einde van het experiment in Doetinchem: 21 april 1943
Op 21 april 1943 kwam de gevreesde order en viel definitief het doek voor Villa Bouchina. De illusie dat Mussert de bewoners kon beschermen tegen de meedogenloze logica van de Holocaust, spatte uiteen. De negen bewoners moesten hun bezittingen, die hen twee maanden lang een vals gevoel van thuis hadden gegeven, achterlaten.

Uiteindelijk volgde deportatie naar het concentratiekamp Theresienstadt. Hoewel dit kamp bekendstond als een ‘modelkamp’ waar prominenten werden vastgehouden, waren de omstandigheden er erbarmelijk. De bescherming van het Plan-Frederiks reikte in de praktijk niet verder dan een iets kleinere kans op direct transport naar de gaskamers van Auschwitz, maar bood geen garantie op overleving. Drie van hen werden uiteindelijk door de Duitsers naar elders gebracht en kwamen daar om. Paul Drukker overleed op 9 maart 1944 in Auschwitz en Simcha Selina Ancona en Abraham Spetter op 28 februari 1945 ergens in Midden-Europa. Het gezin Spier en Kaatje van Lunenburg-Groen overleefden de oorlog.
Het einde van het experiment in Barneveld
In de herfst van 1943 kwam er ook een eind aan het verblijf van de Barneveldgroep in Huize de Biezen en De Schaffelaar. Op 29 september werden ze naar Kamp Westerbork getransporteerd. 22 van hen wisten op dat moment te ontsnappen, waaronder de drie kinderen van schrijver Abel Herzberg. Op dat moment bestond de groep nog uit bijna 600 personen en zij werden ondergebracht in barak 85 in Westerbork. Ze waren daar vrijgesteld van transport naar een vernietigingskamp. Oud-gevangene en journalist Philip Mechanicus schreef over de aankomst van de Barnevelders in zijn dagboek:
De Barnevelders, de nobelen, die door hun aartsvijanden op een gouden schaaltje waren gezet en die zich in de zoete droom wiegden dat hun niet zo gauw iets gebeuren kon, waren met één slag tot dezelfde paupers verlaagd als het profanum vulgus, dat geen bijzondere verdiensten kon doen gelden en rechtstreeks uit zijn huizen was gesleurd en in de modder gestoten.
Op 4 september 1944 werden ze alsnog, maar als een van de laatste, per trein gedeporteerd. Net als de beschermingen die in Villa Bouchina hadden gezeten vertrokken zij ook naar Theresienstad. Daar kwamen ze 6 september aan en ook daar kregen zij speciale eigen barakken. Toen vlak voor het einde van de oorlog een transport naar Auschwitz werd aangekondigd, werden de Joden van de Barneveldgroep ook daarvan vrijgesteld. Een kleiner deel kwam terecht in Bergen-Belsen. Uiteindelijk zou het grootste gedeelte van de Barneveldgroep de oorlog overleven.
De bittere nasmaak van privilege: de pijnlijke erfenis van het Plan-Frederiks
De bevrijding in 1945 bracht voor de overlevenden van de ‘Barneveld-groep’ en Villa Bouchina geen onverdeelde vreugde; het luidde een periode in waarin de schaduw van hun geprivilegieerde status over elke vorm van opluchting viel. Terwijl driekwart van de Joodse bevolking in Nederland was vermoord, had deze elitegroep door ambtelijke willekeur en persoonlijke connecties grotendeels de dans ontsprongen. Dit feit leidde bij de betrokkenen tot een verpletterend overlevingsschuldgevoel, waarbij de vraag “Waarom ik wel en zij niet?” een onuitwisbaar trauma werd.

Voor de bewoners van Villa Bouchina in Doetinchem was deze erfenis nog bitterder. Omdat zij op de lijst van Mussert stonden, werden zij na 1945 vaak simpelweg weggezet als ‘foute Joden’. Het feit dat ook zij door de nazi’s waren bedrogen, gedeporteerd en in Theresienstadt hadden geleden, woog voor de publieke opinie minder zwaar dan hun vooroorlogse banden met de NSB. Zij vielen tussen wal en schip: uitgestoten door de Joodse gemeenschap en niet erkend als volwaardig slachtoffer door de Nederlandse maatschappij.
Een schrijnend voorbeeld van deze spanning was de genadeloze aanval van het communistische dagblad De Waarheid op Jo Spier. De krant sabelde de illustrator neer als de “teekenaar van de nazi’s” en stelde dat hij zijn talent had “verkwanseld aan de beulen van zijn eigen volk” door mee te werken aan de propagandafilm Theresienstadt: Ein Dokumentarfilm aus dem jüdischen Siedlungsgebiet. Het was een beschuldiging die Spier in de verstikkende sfeer van het naoorlogse Nederland niet van zich af kon schudden, wat hem uiteindelijk dwong om met zijn gezin naar Amerika te emigreren.

De kritiek op de groep was niet beperkt tot de volkswoede; historici als Jacques Presser wezen er later op dat de Barneveld-groep als ‘Joodse intellectuele bourgeoisie’ via hun status veiligheid had gezocht, waarmee zij volgens hem hielpen bij het markeren van een verwerpelijke klassenscheiding. Dat het criterium van ‘verdienstelijkheid’ in de praktijk flinterdun was en vooral afhing van wie je kende, maakte de naoorlogse afrekening alleen maar bitterder. Hoewel de overlevenden zelf aangaven dat men tijdens de oorlog niet de luxe had om moreel kritisch te zijn als het om puur overleven ging, gingen velen gebukt onder een dubbele last. Zij voelden zich nergens thuis; bij andere Joodse overlevenden vonden zij vaak weinig steun en soms zelfs jaloezie. Dit isolement zorgde ervoor dat zij hun verhaal inslikten en hun geprivilegieerde geschiedenis verborgen hielden. Het is zoals een medewerker van Stichting Doetinchem Herdenkt treffend concludeerde: een uitzonderingspositie maakt je zo zichtbaar, dat het na de oorlog bijna onmogelijk bleek die positie weer teniet te doen. De redding van de ‘Edeljoden’ werd zo een levenslange gevangenis van herinnering en stilte.
Beladen erfgoed: De lessen van het Plan-Frederiks
De geschiedenis van het Plan-Frederiks, met zijn vertakkingen naar Barneveld en Doetinchem, is veel meer dan een voetnoot in de kronieken van de Jodenvervolging. Het is een casus die ons dwingt de grenzen van ons morele kompas te verkennen. Ad van Liempt stelt terecht de vraag: waarom zouden we een geschiedenis herdenken die zich in slechts enkele maanden voltrok en een relatief kleine groep mensen betrof? Het antwoord ligt in de waarde van beladen erfgoed als een genadeloze spiegel voor de menselijke conditie.
Voor generaties die de oorlog niet hebben meegemaakt, blijft de abstractie van ‘zes miljoen slachtoffers’ vaak onbevattelijk. Juist daar ligt de kracht van deze lokale, besmette plekken. Wanneer men voor een statig herenhuis als Villa Bouchina in Doetinchem staat, of voor de imposante neogotische muren van Kasteel De Schaffelaar in Barneveld, transformeert de publieke ruimte van een alledaags decor naar een dwingende getuige. Deze locaties fungeren als tastbare bakens; ze confronteren ons met de ‘grijstinten’ van de bezetting: de wanhopige zoektocht naar veiligheid en de zware morele prijs van privilege. Waar een tekstboek abstract blijft, dwingt de fysieke aanwezigheid van deze ‘gouden kooien’ tot reflectie op de willekeur van overleven. Het besef dat de Holocaust zich letterlijk ‘om de hoek’, in de mooiste huizen van onze eigen straten, heeft afgespeeld, maakt de geschiedenis onontkoombaar.

Dergelijke locaties maken deel uit van een groeiend netwerk van beladen erfgoed, vergelijkbaar met de bunkers van Seyss-Inquart, de Muur van Mussert of het Oranjehotel. Het contrast tussen Barneveld, waar een herdenkingsmonument staat en herdenkingen worden georganiseerd, en Doetinchem, waar het verhaal vrijwel vergeten is, laat zien hoe lastig we het nog steeds vinden om ongemakkelijke verhalen een plek te geven.
Zoals historici als Van der Heijden, Van Liempt en Vlasblom betogen: juist door deze geschiedenis achter de voordeur vandaan te halen, geven we de ‘stille getuigen’ hun stem terug. De waarde van Villa Bouchina en de Schaffelaar ligt niet in hun architectonische omvang, maar in hun vermogen om ons – tachtig jaar later – nog steeds uit ons evenwicht te brengen. In dat ongemak, in de confrontatie met het besmette verleden van onze eigen vertrouwde omgeving, ligt de belangrijkste les voor de toekomst: dat moraliteit in tijden van nood nooit zwart-wit is, maar altijd een prijs heeft.
– https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=210&miadt=298&miaet=1&micode=101b&minr=2058410&miview=inv2&milang=nl
– C van der Heijden, Joodse NSB’ers: De Vergeten Geschiedenis Van Villa Bouchina in Doetinchem (Utrecht 2006).
– Anton Mussert, Nagelaten Bekentenissen: verantwoording en celbrieven van de NSB-Leider (Nijmegen 2005).
– Jo Spier, Dat alles heeft mijn oog gezien herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt 1942-1945
– K.J. Frederiks, Op de bres 1940-1944: overzicht van de werkzaamheden aan het Departement van Binnenlandsche Zaken gedurende de oorlogsjaren, Den Haag, 1945.
– www.barneveldgroep.nl
- Stephan Steinmetz, De tien van Den Haag
- Hinke Piersma, Vergeet de trieste dagen
- C van der Heijden, Joodse NSB’ers: De Vergeten Geschiedenis Van Villa Bouchina in Doetinchem (Utrecht 2006).
- Anton Mussert, Nagelaten Bekentenissen: verantwoording en celbrieven van de NSB-Leider (Nijmegen 2005).
- Jo Spier, Dat alles heeft myn oog
- Wally M. De Lang, Het oorlogsdagboek van dr G. Italie
- K.J. Frederiks, Op de bres 1940-1944: overzicht van de werkzaamheden aan het Departement van Binnenlandsche Zaken gedurende de oorlogsjaren, Den Haag, 1945.
- www.barneveldgroep.nl
- NPO, De lijst van Mengelberg
- Nieuwsuur, Het verhaal van de Joodse tekenaar Jo Spier
Jodenvervolging in Nederland tijdens de Duitse bezetting (1940-1945)
De NSB: ontstaan, leiders, aanhang en rol tijdens de bezetting
Topambtenaren namen tijdens de Tweede Wereldoorlog de touwtjes in handen
De zelfmoordgolf van mei 1940
Hans Frank en zijn bloedige schrikbewind in Polen
Het geroofde kookboek van Alice Urbach