Sado, eiland in de Japanse Zee met een gouden verleden

4 minuten leestijd
Reconstructie van mijnwerkers in de Sado-goudmijn
Reconstructie van mijnwerkers in de Sado-goudmijn bij Aikawa. De poppen tonen het traditionele proces van ertswinning in de nauwe schachten van de berg. (CC BY 2.0 - inunami - wiki)

Sado, een eiland eenzaam gelegen in de Japanse Zee, verzekerde eens de economische macht van Japan. In de hoogtijdagen werd hier meer dan tien procent van de wereldvoorraad aan goud gedolven. Een half doorsneden berg staat nog altijd symbool voor dit mijnbouwverleden van het eiland.

Vanaf de zeventiende eeuw kwamen hier duizenden arbeiders naar toe om te graven naar het kostbare metaal en leverden daarmee een bijdrage aan Japans welvaart en onafhankelijkheid. Van het goud werden paleizen en expansieoorlogen bekostigd en het wekte jaloerse blikken van de Aziatische buurlanden.

Haar hoge bergen liggen er nog steeds bij als wachters die een duizenden jaar oude schat bewaken en haar klippen dalen honderden meters steil af in de zee. Drie miljoen jaar geleden ontstond Sado, daar waar de Noord-Amerikaanse en Euraziatische continentale platen op elkaar botsen. Sindsdien is de tektonische activiteit er sterk gebleven en is het eiland langzaam boven het aardoppervlak uitgeduwd. In het vulkanische gesteente ontstonden holtes waarin water wordt opgewarmd dat in hydrothermale bronnen aan het aardoppervlak komt, terwijl nog dieper in de aardkorst metalen als zilver, goud en lood bij nóg hogere temperaturen smelten en zich via scheuren en spleten een weg naar boven zoeken en daar tot aders stollen.

sado goudmijn japan
Een half ingesneden berg herinnert er op Sado nog aan hoe de eerste goudader in de zeventiende eeuw werd blootgelegd. (CC BY-SA 4.0 – Asturio Cantabrio – wiki)

Vierhonderd gangen

De Shoguns zagen in dit ruige eiland het ideale oord om er hun in ongenade gevallen onderdanen heen te verbannen. Daar haalden deze ongelukkigen dan samen met de inheemse bevolking kleine goudschilfers uit de rivieren. Want hoewel al in de twaalfde eeuw de eerste goudader was aangetroffen duurde het nog vijf eeuwen vooraleer de winning zich hierop ging richten.

In 1603 slaagde Shogun Tokugawa Ieyasu (1543-1616) erin om Japan sinds lange tijd weer te herenigen. Tijdens de Edo-periode die volgde hield het land haar grenzen vrijwel volledig gesloten. Het was mede dankzij het goud van Sado dat de Shoguns dit isolationisme konden handhaven en lange tijd werd het er ook tot munten geslagen. Het mijnenstelsel dat werd gegraven om de goudaders te kunnen exploreren omvatte zo’n vierhonderd gangen van gemiddeld drie kilometer lengte, waaraan gemiddeld zesduizend mensen werkten tot op een diepte van wel zeshonderd meter. Het gevaarlijkste werk liet men over aan gevangenen die vanuit Tokio en Osaka naar het eiland werden gevoerd. Het gesteente is zo hard dat men indertijd per dag maximaal tien tot vijftien centimeter voortgang boekte.

Hiroshige Utagawa, 'Sado Goudmijn', 1853.
Hiroshige Utagawa, ‘Sado Goudmijn’, 1853.

Voor de benodigde gereedschappen werd hetzelfde staal gesmeed als dat van de beroemde Japanse zwaarden. De mijnwerkers riskeerden iedere dag hun leven, dat voor velen sowieso al sterk bekort werd door de ademhalingsziekten ten gevolge van het ingeademde stof. Ieder jaar hield men een processie om goddelijke bescherming af te smeken, waarbij er al trommelend in een grote optocht langs de huizen werd getrokken. Deze lagen verspreid over drieëntwintig nederzettingen rond de mijnen van Aikawa.

Havenstadje

De contacten met de grote eilanden van de Japanse archipel verliepen via het havenstadje Shukenegi, gelegen op de zuidpunt van Sado, aan de baai van Ogi. Hier vestigden zich vanaf begin zeventiende eeuw kooplieden, zeevaarders en scheepsbouwers, samengepakt op een oppervlakte van amper vier vierkante kilometer. Zij verzorgden de aanvoer van arbeiders, proviand en gereedschappen voor de mijnen en uiteraard het transport van het goud. Al snel ontstond er ruimtegebrek, waardoor men er huizen met meerdere verdiepingen gingen bouwen, hetgeen destijds in Japan nog hoogst ongebruikelijk was.

De dicht opeengepakte huizen van Shukenegi.
De dicht opeengepakte huizen van Shukenegi.

Het stadje heeft tot op de dag van vandaag zijn karakteristieke straatbeeld behouden omdat eind negentiende eeuw haar rol ineens was uitgespeeld. In 1867 kwam er een einde aan de feodale tijd en de Meiji-periode die daarna aanbrak, stond in het teken van internationale handel en technische ontwikkeling.

Voor de goudwinning kwam dit geen moment te vroeg, want opbrengsten waren al decennialang aan het teruglopen en een modernisering van de mijnen naar Westers voorbeeld was dringend noodzakelijk. In 1896 ging Mitsubishi, een onderneming die begonnen was in de scheepsbouw maar toen al was uitgegroeid tot een conglomeraat van bedrijven in uiteenlopende sectoren, zich hiermee bezighouden.

Imperialistische ambities

Mitsubishi liet in Kitazawa een fabriek bouwen met een grote flotatie-installatie van maar liefst zeven verdiepingen, waarin het gouderts gezuiverd werd van andere metalen en verontreinigingen door het te verpulveren en in grote bassins met luchtstromen en chemicaliën te behandelen. Het succes van deze nieuwe technologie liet niet lang op zich wachten en begin vorige eeuw werd er meer goud gewonnen dan ooit te voren. En dat was vanaf dat moment hard nodig om de imperialistische ambities van de nieuwe machthebbers te verwezenlijken. Korea was hier al in 1910 aan ten prooi gevallen en sindsdien verrichtten ruim vijftienhonderd Koreanen dwangarbeid in de goudmijnen op Sado.

Ruïnes van de Kitazawa-flotatieinstallatie in Aikawa, Sado-eiland
Ruïnes van de Kitazawa-flotatieinstallatie in Aikawa, Sado-eiland (CC BY-SA 3.0 – 伊藤善行 – wiki)

Toen Japan zich begin jaren dertig voorbereidde om grote buur China aan te vallen, bereikte de goudwinning een nieuw hoogtepunt, en dat gold ook voor de wapenproductie die ervan bekostigd werd. De deelname aan de Tweede Wereldoorlog die hier uit voortkwam stortte het land in een diepe afgrond. Hoewel goud nauwelijks nog een rol speelde om als moderne staat op het wereldtoneel terug te keren, bleven de mijnen van Sado nog tot 1989 operationeel. Tot op de dag van vandaag luidt men er nog de klok die eens het einde van de werkdag aankondigde.

De goudmijnen van Sado zijn sinds 2024 erkend als UNESCO Werelderfgoed.

Bronnen

– ARTE-TV Invitation au voyage / Stadt, Land & Kunst 11-09-2025
×