Een ander perspectief op het Beleg van Breda
Op donderdag 24 oktober 1624 noteerde Francesco Pieri het volgende in zijn dagboek:
Er was een soldaat uit Breda die zich had overgegeven. Hij zei dat er in de stad een grote ziekte heerste en dat men slechts een half pond boter per week kon krijgen. Ook was er een gebrek aan vlees en zout. Bovendien had men de hoop op hulp verloren, nu graaf Maurits was vertrokken.

Vluchtelingen waren er in allerlei soorten en maten. In september liet Spinola een achttal Franse edelen bijvoorbeeld nog kiezen of ze wilden terugkeren naar Breda of doorreizen naar hun thuisland. Ze kozen voor het eerste. In veel gevallen zal het zijn gegaan om gevluchte militairen, oftewel deserteurs, zoals de soldaat uit het verslag van Pieri. Een ander voorbeeld betreft drie Franse militairen, die zich op 21 oktober overgaven aan de belegeraars.

Desertie kwam echter ook voor aan koninklijke zijde. Sommige pro-Staatse publicaties noemen forse aantallen. Zo vermeldt een Amsterdamse kaart dat er in oktober tweehonderd Italiaanse soldaten overliepen naar de ontzettingsmacht van Maurits. Maanden later, in mei 1625, verkondigde een Franstalig pamflet uit Parijs dat veertig ruiters uit Spinola’s leger zich hadden aangesloten bij de troepen van Frederik Hendrik. In hoeverre zulke verhalen de waarheid weerspiegelen, is onduidelijk, maar zeker is wel dat mensen uit beide partijen probeerden te ontsnappen aan het oorlogsgeweld of overliepen naar de vijand.
Met name in het geval van de inwoners van Breda is dit niet geheel verwonderlijk: de situatie in de stad was om meerdere redenen ondraaglijk (in een ander hoofdstuk komt dit uitgebreid ter sprake, red.). Ongetwijfeld waren er bovendien velen die weliswaar niet konden vluchten, maar het verzet wel vroegtijdig wilden staken. Een pro-Spaans, Franstalig pamflet van Abraham Verhoeven uit Antwerpen beweert ronduit dat de wanhopige stadsbevolking in mei 1625 dagelijks aan Justinus’ deur stond om vol pathos de overgave te eisen. Hoewel dit waarschijnlijk een karikatuur is van de werkelijkheid, zullen vooral katholieke inwoners een snelle terugkeer van het koninklijk bewind hebben verwelkomd.
Een Spaans toneelstuk
Het idee dat de bevolking van Breda voorstander was van overgave, speelt een sleutelrol in El sitio de Bredá (Het beleg van Breda): een toneelstuk van de befaamde Spaanse dramaturg Pedro Calderón de la Barca. Waarschijnlijk schreef hij het stuk binnen enkele jaren na de belegering, tussen 1625 en 1628, al dateert de eerste druk van 1636.

De auteur baseerde zich op onder meer nieuwspamfletten en het verslag van de al genoemde Hermannus Hugo, maar hij voegde ook eigen elementen toe. Zo verrijkte hij het hoofdverhaal over de strijd met een secundair liefdesplot, waarin twee Nederlandse vrouwen vallen voor een stel Spanjaarden. Het werk heeft de meningen in het verleden nogal verdeeld: kenners hebben de tekst onder andere bestempeld als episch-heroïsche komedie, simpel gelegenheidsstuk en smakeloze propaganda.
Recent onderzoek wijst echter op Calderón de la Barca’s innovatieve weergave van moderne oorlogvoering en Spaanse deugden. Anders dan eerdere martiale toneelstukken, bevat El sitio de Bredá geen ophemeling van bloedvergieten. In plaats daarvan ligt de nadruk op technisch en tactisch vernuft, zelfbeheersing en edelmoedigheid: zaken die ook werden geaccentueerd in Spaanse pamfletten uit de tijd. Dit alles vormde een tegenwicht voor de al genoemde Zwarte Legende: de hardnekkige stereotypen over Spanjaarden als bloeddorstige, harteloze fanatiekelingen.

In een scène tegen het einde van het beleg, zet Calderón de la Barca de verschillen nog eens op scherp: terwijl Justinus zichzelf en zijn medebewoners nog liever laat verhongeren dan dat hij de stad overgeeft, beweent Flora in een lange monoloog de verschrikkingen van de belegering. Bovendien bestempelt ze niet het Spaanse beleg, maar de Nederlandse koppigheid als de grootste vloek van Breda.
Het contrast tussen Justinus en Flora komt ook tot uiting in de metra die ze gebruiken: waar de gouverneur spreekt in redondillas, die passen bij felle discussies, bedient Flora zich van heroïsche, dramatische octavas reales, die de onvermijdelijkheid van de overgave benadrukken. Als Justinus ten slotte capituleert, prijst Spinola hem weliswaar om zijn grootmoedigheid, maar dan is het eigenlijk al te laat: in de visie van Calderón de la Barca zijn de Spanjaarden in feite de edele bevrijders van Breda.
Toneelstuk van Pedro Calderón de la Barca, Spaans dramaturg
Derde bedrijf
Justinus en Morgan komen op
| Spreker(s) | Nederlandse vertaling |
|---|---|
| Stemmen (binnen) | Zwicht en geef de stad op! |
| Morgan | Ziedend ben ik en verblind door woestheid. |
| Justinus | Schreeuwen moet ik om mijn droefheid, Vlammen uit mijn ogen schietend. Burgers! Luister naar uw spreker:5 Bent u zo door vrees bevangen Dat u geestkracht noch verlangen Heeft om terug te vechten? |
| Stemmen (binnen) | Zeker. |
| Justinus | Dan breng ik een tweede vraag in: Is het soms niet om het even10 Of wij door de vijand sneven Of door eigen koenheid? |
| Stemmen (binnen) | Waanzin. |
Flora komt op
| Spreker(s) | Nederlandse vertaling |
|---|---|
| Flora | Doe geen moeite, jouw pretentie En je doodsdrift zijn reusachtig. |
| Justinus | Praat je over mij? |
| Flora | Waarachtig,15 Zwijg en leen me jouw attentie: De harde krijg heeft zulk verdriet gebracht Aan heel de Lage Landen, dat dit werk Niet slechts een wonder scheen van aardse kracht, Maar ook een ramp afkomstig uit het zwerk.20 Zo ook voor Hem, de goddelijke macht Die op de blauwe sluier, als een merk, Zijn tekens stempelt en daarmee bepaalt Wanneer de Dood eenieder van ons haalt. Breda is thans van alle moed gespeend –25 Een prooi van honger en neerslachtigheid – Zodat haar wilskracht, weifelend versteend, Te midden van het licht en duister glijdt, Niet wetend of haar ziel nog is vereend Met haar fysieke deel, of is bevrijd;30 En daar zij pijn ervaart en schichtig beeft, Beseft zij niet wanneer zij sterft of leeft. De één doorkruist dit uitgestorven oord Met in zijn stem een klank van angst en rouw. Hij strompelt tussen vele lijken voort35 En speurt naar de omhelzing van zijn vrouw; Vertwijfeld zoekt hij naar een laatste woord Van afscheid, maar in weerwil van zijn trouw Verstomt hij, vrezend dat zodra hij praat Zijn geest zijn lippen onverwijld verlaat.40 Een ander, die haar povere rantsoen En schrale kost niet zelf verorbert, geeft Haar vader gul de helft, uit goed fatsoen, Die kreupel van zijn eigen adem leeft Zoals bepaalde hagedissen doen,45 Maar dan weer geestdrift in zijn ogen heeft; Gelijk de liefde twijfelt dan wel smacht Naar meer, bezwijkt hij of hervindt zijn kracht. Een derde loopt met lang, loshangend haar Dat langs haar rug stroomt en haar hals omstrikt;50 Intussen valt de uitputting haar zwaar, Zodat zij meent dat zij welhaast verstikt: Zij slaat de strengen met een wild gebaar Weer weg en als haar lokken zijn herschikt En voelen als de wind die zachtjes zucht,55 Wendt zij haar handen wenend tot de lucht. Een vierde stilt zijn vreselijke smart Nabij de Mark, die stroomt door deze stad; Hij drinkt, staart diep in het azuren hart, En maakt daarna zijn lippen nogmaals nat.60 Hoe worden wij door vrije wil getart! Hij lest zijn dorst, doch wordt nog afgemat Door honger: levensdrang is wat hem jaagt Naar water, schoon zijn lijf om voedsel vraagt. Hoeveel van ons zijn er niet van die klif65 Gerend, bezeten van een dolle vaart? Hoeveel van ons verhingen zich niet grif Of gooiden zich van gekte op hun zwaard, Verkozen liever dodelijk vergif, Of liggen onder rotsen opgebaard?70 Breda is, door de plagen die zij telt, Een graf dat ons bij leven al beknelt. Er is geen troost of hoop, waar ik ook zoek, Zo wij getuigen zijn van onze dood. Wijzelf zijn onze allergrootste vloek75 En stellen ons aan Spaanse wraakzucht bloot; Want welke hulp uit onverwachte hoek Kan ons nog redding bieden uit de nood, Wanneer wij, zo door rampen aangedaan, Onszelf bewust met eigen hand verslaan?80 Ontspringen er soms mijnen, luid en fel, Of voeren wij een hard en ruw gevecht? Bedreigt een aanval onze citadel Of wordt door buskruit onze muur geslecht? Wij maken zelf ons leven tot een hel,85 Wij hebben zelf het pleit voor hen beslecht: Zij winnen. Wacht dus niet, zo luidt mijn raad, Wij spinnen onze eigen levensdraad. De Prins van Nassau is reeds heengegaan En daar de wegen afgesneden zijn,90 Moet onze stad de strijd alleen doorstaan. De kommer groeit, de moed verliest terrein En ook al heb je noodgeld laten slaan – Wat maakt het uit? De waarde is maar klein Van zilver dat zo’n trieste boodschap draagt:95 “Breda obsessa”, of “Breda belaagd”. Is het soms geen krankzinnigheid dat hij Die hongert zelf zijn einde orkestreert? Zo ook is het krankzinnig dat wie mij Wil redden, tegelijk verderf serveert.100 Verwelkom dus de Spaanse razernij, Die zich al triomferend revancheert, Want het is waanzin, ook al win ik tijd, Als ik uit zelfbehoud mijn dood bereid. |
Poolse betrokkenheid bij ‘onze’ Tachtigjarige Oorlog
‘Las Lanzas’ en de overgave van Breda in 1625
Het Turfschip van Breda – Het Nederlandse Paard van Troje
Brief in geheimschrift van prins Maurits uit 1624