De Slag bij Nieuwpoort op 2 juli 1600 werd vanwege het makkelijke jaartal de bekendste veldslag uit de Tachtigjarige Oorlog, die vooral een belegeringsoorlog was en daarom arm aan veldslagen. De slag was een klinkende Staatse overwinning, maar zonder positief gevolg voor de Nederlandse zaak.
Voorgeschiedenis
Oostende was de enige resterende vesting in de Zuidelijke Nederlanden die nog in Staatse handen was. De belangrijkste Spaanse stad aan de kust van de Nederlanden was Duinkerke(n). Alexander Farnese had de Spaanse vloot die in deze streken actief was in 1585 verplaatst naar deze stad. Zij ontwikkelde zich rap tot een kapersnest, die de bevoorrading van Oostende en de overige scheepvaart en visserij van de jonge Republiek teisterde. In 1587, toen Farnese ook de vesting Sluis veroverde, werd besloten om de Duinkerkers als gewone zeerovers te behandelen en ze bij gevangenneming zonder pardon ‘de voeten te spoelen’, dat wil zeggen overboord te gooien.
Ook Nieuwpoort aan de monding van de IJzer was een Spaans kapersnest, en Sluis ontwikkelde zich na 1587 eveneens als zodanig. Ondanks Staatse blokkades kreeg men de Duinkerkers en hun collega’s er niet onder. In 1599 besloten de Hollandse raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt en zijn medestanders dat militair ingrijpen onvermijdelijk was.

De hele Vlaamse kuststrook moest ‘onder contributie’ (belastingheffing) worden gebracht en Duinkerke ingenomen. Het zou een eind maken aan de kaapvaart en hopelijk de Franse koning Hendrik IV ertoe brengen om de strijd tegen Spanje te hervatten, aangezien ook hij belangen in deze regio had. Duinkerke zelf kon aan Engeland worden overgedragen, waarmee dit land de controle over Het Kanaal zou krijgen en de oorlogsschuld van de Republiek aan het land zou worden afgelost.
Moeizaam voorwaarts
Behalve de Staten van Holland waren ook die van Zeeland voor de veldtocht. Maar de man die deze moest leiden, prins Maurits, had net als zijn neef Willem Lodewijk, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, grote twijfels. Als het Staatse leger zo ver in vijandelijk gebied omsingeld zou worden, kon dit het einde van de weerbaarheid van de Republiek betekenen. Toch moest Maurits gehoorzamen.
In Vlissingen werd een leger samengetrokken van ruim 12.000 man voetvolk, 3000 man cavalerie en 37 stuks geschut. In 1450 schepen stak men op 22 juni over naar Philippine aan de Braakman, omdat men niet direct naar Nieuwpoort kon varen wegens het slechte weer. In de Republiek moesten legeronderdelen onder Filips van Hohenlohe en Willem Lodewijk afleidingsmanoeuvres uitvoeren met aanvallen op Heusden en ’s-Hertogenbosch.

Het leger trok over land via Brugge in de richting van Duinkerke. Er bleek een gebrek aan paarden voor de vele wagens met levensmiddelen, gereedschappen en geschut. Ook bleef de door de Staten-Generaal verwachte steun van de Vlaamse bevolking uit. Die werd al lange tijd geplaagd door muitende Spaanse soldaten en zou de Staatsen met vreugde verwelkomen, zo was de verwachting. Maar integendeel: meermalen werd zelfs het drinkwater door Vlaamse boeren vergiftigd. Het Staatse leger stak op zijn beurt op 26 juni 1600 Eeklo in brand.

Leffinge
De Spaanse bevelhebber Velasco was intussen in snelle marsen met zijn troepen naar Gent getrokken, waar hij zich voegde bij de strijdmacht van Albrecht van Oostenrijk. De financiering daarvan geschiedde deels doordat aartshertogin Isabella haar sieraden had verkocht. Het gezamenlijke leger van ongeveer achtduizend man, met soldaten uit Spanje, Italië, Wallonië en Ierland, ijlde vervolgens achter het Staatse leger aan.
Deze snelle opmars verraste Maurits; het was bovendien pijnlijk dat de Spanjaarden zo snel konden zijn omdat ze gebruik maakten van de wegen die de Staatsen voor hun eigen opmars begaanbaar hadden gemaakt. Het Spaanse leger heroverde op 1 juli fort Oudenburg en sloeg zijn kamp op in Leffinge.

De Staatse achterhoede was de IJzer nog niet overgestoken en moest onder leiding van Maurits’ neef Ernst Casimir de confrontatie aangaan. Het werd een grote nederlaag in de vroege ochtend van 2 juli. Bij het zien van de overmacht sloegen de Staatsen op de vlucht; het Schotse deel van achthonderd man week uit in de richting van de Noordzee en werd daar op bevel van Albrecht van Oostenrijk uitgeroeid door de achtervolgers. Ernst Casimir vond met de resterende Zeeuwse soldaten toevlucht in Oostende. Maurits gaf bevel het debacle voor zijn overige troepen geheim te houden. Een finale confrontatie was nu onvermijdelijk.
De slag begint

Op 2 juli, ’s ochtends om elf uur, stelde Maurits zijn troepen, verdeeld in zestien bataljons van 500 à 600 man, in drie verspringende linies op vanaf de hoogwaterlijn tot in de duinen. Maurits liet zijn vloot Nieuwpoort uitvaren, opdat deze niet in Spaanse handen zou vallen en zijn troepen zonder uitwijkmogelijkheid harder zouden strijden. Bij het waarnemen hiervan besloot Albrecht de strijd aan te gaan.
Kerende kansen
Wegens de opkomende vloed verplaatste de strijd zich naar de duinen. Door de opstelling van de Staatse troepen moesten de Spanjaarden tegen de wind en de zon in vechten, en ook moeizaam de duinen opklimmen. Toch leken de Spanjaarden gaandeweg aan de winnende hand; ze braken door de eerste en tweede Staatse linie en dreven de troepen van Maurits terug.

De Spaanse kanonnen zakten echter weg in het rulle zand, terwijl die van Maurits op houten bokken waren geplaatst. Maurits gooide bovendien cavaleriereserves in de strijd, die de naar voren gedrongen Spaanse keurtroepen in de flank aanvielen. Aan Spaanse zijde raakte Albrecht door een speer aan zijn keel en wang gewond en moest het slagveld verlaten.
De Spaanse troepen raakten in verwarring en begonnen op de vlucht te slaan. Dit was het keerpunt. Het Spaanse leger verloor in totaal ruim 3000 man, tegen ongeveer 1700 man aan Staatse zijde (ongeveer 1000 doden en 700 gewonden). Eén van de dodelijke slachtoffers aan Spaanse kant was Rodrigo de Cervantes, de broer van de beroemde schrijver Miguel de Cervantes, die al lange tijd in de Nederlanden diende.

Naar huis
Onder de ongeveer zeshonderd Spaanse krijgsgevangenen bevond zich generaal Francesco de Mendoza. Prins Maurits bracht de avond met hem door en dreef de spot met hem, door op te merken dat hij nu eindelijk in het gewest Holland zou komen, wat hij met zijn leger al verschillende malen vergeefs had geprobeerd. Mendoza werd in 1602 geruild tegen vierhonderd Staatse zeelui, die op Spaanse schepen dienden als galeislaven.

Duinkerke bleef dus ongemoeid en Maurits negeerde ook het verlangen van de Staten-Generaal om Hulst (Spaans sinds 1596) en Sluis (Spaans sinds 1587) aan te vallen. Hij keerde na het met matig succes belagen van enkele schansen rond Oostende terug naar de Republiek; een deel van de troepen bleef achter om het garnizoen van Oostende te versterken.
Maurits’ reputatie
Hoewel de Vlaamse campagne als mislukt moest worden beschouwd, veroorzaakte de uitkomst van de Slag bij Nieuwpoort grote vreugde in de Republiek, getuige bijvoorbeeld leg- en rekenpenningen die ter ere van de overwinning werden geslagen. Ook het internationale prestige van Maurits als veldheer steeg.

Maurits’ faam zou de komende jaren verbleken wegens het rijzen van een andere ster aan het krijgskundig firmament, namelijk die van zijn tegenstander, de Italiaanse bevelhebber in Spaanse dienst Ambrogio Spinola. Die kwam in 1601 naar de Nederlanden en nam de leiding bij het Beleg van Oostende op zich. De stad gaf zich in 1604 over, waarmee het laatste Staatse bolwerk in de Zuidelijke Nederlanden verloren ging.

De Vlaamse bevolking betaalde intussen de oorlogstol. Historicus L.J. Rogier schreef in 1945/47:
De troepenconcentratie voor het langdurige beleg van Oostende en de slag bij Nieuwpoort maakten de eerste jaren van de zeventiende eeuw voor het bisdom Brugge tot een hel. Omstreeks 1604 moet bijna het gehele platteland ontvolkt geweest zijn. In het hele bisdom stonden nog maar zeven of acht pastoors ten plattelande.
Ooggetuigen
We zijn goed ingelicht over de Slag bij Nieuwpoort door de verslagen van verschillende betrokkenen. Een van de Staatse aanvoerders, Lodewijk Gunther van Nassau, schreef er uitgebreid over aan zijn vader Jan VI van Nassau, de jongere broer van Willem de Zwijger; Lodewijk zou in 1604 overlijden tijdens het Beleg van Sluis.
Anthonie Duyck, die als hoofd van de Raad van State Maurits vergezelde tijdens de campagne, documenteerde de gebeurtenissen in zijn uitvoerige Journaal. De Engelse infanterie-aanvoerder Francis Vere, één van degenen die in 1587 Sluis aan Alexander Farnese had moeten overgeven, berichtte eveneens over de slag.
Aan Spaanse kant bestempelde de militair en chroniqueur Antonio Carnero de Slag bij Nieuwpoort als een van de grootste Spaanse nederlagen sinds het begin van de oorlog. De slag kwam uitgebreid aan bod in zijn Historia de las guerras civiles over de periode 1559-1609. Carnero uitte bewondering voor aartshertog Albrecht en schreef diens nederlaag vooral toe aan externe omstandigheden, zoals het zand, de hitte en de vermoeidheid van de Spaanse troepen, na hun geforceerde opmars vanuit Gent.

Nawerking
De roem van de Slag bij Nieuwpoort uitte zich in de navolgende eeuwen op allerlei manieren. Bijvoorbeeld als onderwerpje in een historiespel voor de ‘Beschaafde Jeugd’ uit 1816. Koning Willem II liet in 1847 een zilveren tafelstuk van de slag maken. Isaäc da Costa publiceerde in 1860 het lange gedicht De slag by Nieuwpoort. Eene bladzijde uit de geschiedenis van Neerlands roem en grootheid, waarin het galmde van Maurits’ vroomheid en krijgsmanschap:
De Veldheer overschouwt de weifelende kansen,
En peilt het slagveld, dat geen wemeling van lansen,
Geen rook of sulfervlam onttrekken aan den blik
Diens aadlaars, even vrij van aarzling als van schrik.
Ook veel later sprak en spreekt de slag nog tot de verbeelding, zoals onder meer blijkt uit de Suske en Wiske-strip Jeanne Panne (1999). Het Keunepark in Nieuwpoort is in 2000 omgedoopt tot Prins Mauritspark, bij de vierhonderdjarige herdenking; hier werd op 1 juli 2000 ook een bronzen beeldengroep rondom Maurits onthuld, gemaakt door Frank Neirynck. De slag werd eveneens een onderwerp in de Canon van Nederland (2007).
– Leen Dorsman, 1600: Slag bij Nieuwpoort (2000).
– Ronald P. de Graaf, Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog, 1565-1648 (2004).
– Petra Groen (red.), De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog 1568-1648. Militaire geschiedenis van Nederland deel I (2013).
– Jan J.B. Kuipers, De Staats-Spaanse linies. Monumenten van conflict en cultuur (3de dr., 2023).
– L.J. Rogier, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en de 17e eeuw (1945-1947).
– Werner Thomas (red.), De val van het nieuwe Troje. Het beleg van Oostende 1601-1604 (2004).
De ‘mythische’ Spaanse Armada en de Slag bij Grevelingen
De Engels-Nederlandse Oorlogen (1652–1784)
Maurits en Oldenbarnevelt: het conflict dat de Republiek verdeelde
Vive le Gueux!
Pacificatie van Gent (1576) verenigde de opstandige gewesten
Geuzen bezorgden verdeelde Lage Landen een gemeenschappelijke identiteit