Van Brabant tot Brazilië
z Marsem na krew Bellona, gdzie o cudzej szkodzie,
miast szturmem braniu albo polnej bitwy modzie,
albo floty bieganiu z wiatrami w zawody
z całego prawie świata uczyły narody.
Daar hadden Bellona en Mars reeds
een school van bloed gesticht, waar volkeren uit bijna
de gehele wereld leerden over de ondergang van anderen,
het belegeren van steden of de laatste mode in veldslagen,
of de race tussen de vloot en de wind.
Met deze woorden introduceerde de Poolse dichter Wacław Potocki omstreeks 1675 de Tachtigjarige Oorlog als decor van zijn poëtische tweeluik over Tressa en Gazele: Nederlandse vrouwen die moedig weerstand bieden aan de Spanjaarden. Toen Potocki zijn verzen schreef, was de strijd allang gestreden, maar contemporaine lezers zullen zijn dichterlijke weergave ongetwijfeld hebben herkend: voor veel Polen golden de Lage Landen als oorlogsschool, vooral tussen 1600 en 1648.

Van 1569 tot 1795 vormden het Koninkrijk Polen en het Groothertogdom Litouwen samen het Pools-Litouwse Gemenebest: een unie die bovendien forse delen besloeg van het huidige Letland, Belarus en Oekraïne. Ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog vormde de staat een Europese grootmacht, waarin een gekozen koning de macht deelde met de adel, die met 6,6 tot 9 procent van de bevolking relatief talrijk was. Het Poolse engagement bij de verwikkelingen tussen de Nederlanders en Spanjaarden is niet verwonderlijk, gezien de nauwe contacten tussen Polen en de twee strijdende partijen. Enerzijds steunden veel katholieken de Spaanse koning. Zo ook een aantal Poolse vorsten, die diplomaten afvaardigden naar de Nederlanders met de boodschap dat het afgelopen moest zijn met de Opstand. Sterker nog: in de eerste helft van de zeventiende eeuw smeedden de Poolse en Spaanse hoven (tevergeefs) plannen tot het sluiten van een alliantie en het vormen van een Spaanse vloot in de Baltische Zee.
Anderzijds onderhielden Poolse protestanten vriendschappelijke relaties met Nederlanders, en zelfs met Willem van Oranje. Vele Nederlandse vluchtelingen vestigden zich bovendien in Polen, terwijl Poolse edellieden in groten getale afreisden naar de Lage Landen om te studeren. Daarnaast waren de commerciële contacten tussen Polen en Holland, met name op het gebied van de graanhandel tussen Gdańsk en Amsterdam, van groot belang voor beide staten. De omvangrijke betrokkenheid bij de Tachtigjarige Oorlog van zowel het Poolse hof als veel Poolse individuen valt daarom goed te begrijpen.

Ketters of vrijheidsstrijders?
We hebben de verschillende krijgskunsten van de Italiaanse bevelhebber, waarmee hij de Antwerpse troepen geselde, niet veronachtzaamd.
Zo vatte de Poolse dichter Jan Rybiński het Beleg van Antwerpen van 1584-1585 samen. In een Latijns gedicht, gedrukt in Toruń in 1592, beschreef Rybiński hoe hij in 1585 na een studieverblijf in Duitsland terugkeerde naar Polen en in Poznań aan de praat raakte met ‘Nicolaus’, een geestelijke. Deze wilde zo veel mogelijk nieuwtjes van Rybiński horen, en zodoende kwam ook het Beleg van Antwerpen onder aanvoering van Alessandro Farnese ter sprake.
Wat de twee mannen elkaar precies gezegd hebben, en wat ze vonden van de Nederlands-Spaanse strijd, blijft helaas ongewis – al vormt het feit dat Rybiński lid was van de protestantse Boheemse Broeders (of broederuniteit) waarschijnlijk wel een indicatie. Hoe kort ook, de versregels belichten direct dat de Tachtigjarige Oorlog in Polen onderwerp was van gesprek. Bovendien illustreert het gedicht dat zulke gesprekken aanleiding gaven tot geschreven reflecties.
Hoe kwam men in Polen eigenlijk aan nieuws over de oorlog – behalve door ontmoetingen met reizigers zoals Rybiński? Vanaf het begin van het conflict vormde persoonlijke correspondentie een belangrijk nieuwskanaal: er zijn meerdere voorbeelden bekend van hooggeplaatste Poolse edellieden die per post op de hoogte werden gehouden van de strijd, bijvoorbeeld door diplomaten. Sommigen kregen zelfs buitenlandse kranten of plattegronden van veldslagen toegestuurd. Daarnaast zorgde een levendige, georganiseerde nieuwsmarkt voor de uitwisseling van handgeschreven berichten over de oorlog. Weliswaar bestonden er in Polen meerdere grote drukkerscentra, maar de publicatie van pamfletten en kranten bleef relatief beperkt. In plaats daarvan verzamelden, kopieerden en vertaalden correspondenten allerhande berichten uit binnen- en buitenland en maakten daarmee een soort manuscriptkranten, die met name bedoeld waren voor de adel en vermogende burgers.

Berichten in dergelijke kranten over de Tachtigjarige Oorlog waren regelmatig afkomstig uit de Noordelijke Nederlanden en konden dan ook een onmiskenbaar Nederlands perspectief vertolken. Zo stelt een bericht van 20 november 1628 over Piet Hein en de befaamde Zilvervloot, afkomstig uit Amsterdam:
Dit bericht heeft duidelijk zijn oorsprong in de Republiek en moet vrij letterlijk – vanuit het origineel of via een andere, bijvoorbeeld Duitse versie – zijn vertaald naar het Pools, waardoor de toe-eigening van de overwinning en de trotse toon bewaard zijn gebleven. Toekomstig onderzoek moet aantonen in hoeverre dit de norm was. De frequentie en de inslag van de berichten hingen immers mede af van de netwerken, belangen en beoogde lezers van de correspondenten: in Gdańsk circuleerden vermoedelijk bovengemiddeld veel pro-Nederlandse stemmen, vanwege het drukke handelsverkeer met Holland en de aanwezigheid van talrijke Nederlandse migranten. Een eerste inventarisatie doet echter vermoeden dat zeventiende-eeuwse manuscriptkranten in Polen vol stonden met nieuws over de Tachtigjarige Oorlog en wijst uit dat Poolse correspondenten met regelmaat gebruikmaakten van (oorspronkelijk) Nederlandse berichtgeving, die uiteraard sterk gekleurd was.
Gedrukte Poolse pamfletten over de oorlog waren daarentegen amper in omloop: er zijn slechts twee voorbeelden bekend, uit 1589 en 1630, waarvan in beide gevallen maar één exemplaar bewaard is gebleven. Dat is opvallend weinig, zelfs met inachtneming van de betrekkelijk kleinschalige Poolse pamfletproductie over het algemeen en de enorme roof en verwoesting van Pools cultuurgoed door vooral Duitsers en Russen in de laatste paar eeuwen. Misschien had men wat betreft nieuws over de Nederlands-Spaanse strijd simpelweg genoeg aan persoonlijke correspondentie, buitenlandse publicaties en manuscriptkranten. Alleen in uitzonderlijke gevallen haalde men de drukpers erbij, zo suggereren de twee bewaard gebleven pamfletten.

Beide teksten gaan terug op Duitse voorbeelden en zijn sterk propagandistisch van aard: de eerste heiligt de Nederlandse Opstand en haalt hard uit naar de Spanjaarden, terwijl de tweede juist een klinkende Spaanse overwinning op de Nederlanders in de Caraïben viert – een gebeurtenis die in werkelijkheid heel anders was verlopen. In tegenstelling tot het Duitstalige archetype, bevat dit tweede Poolse pamflet bovendien een aantal zinnen en versregels die reageren op de eerste Nederlandse successen in Brazilië, waar de WIC in 1630 gebied veroverde op de Portugezen en daarmee de grondslag legde voor een eigen kolonie. Volgens het pamflet zouden de berichten hierover onbetrouwbaar zijn en louter bedoeld voor economisch gewin. Het versje luidt:
ze de Indische landen succesvol binnenvallen.
Evenzo zingt een vogelvanger prachtig wanneer hij iets vangen wil,
want anders vangt hij geen vogels.
Het is een middel om financiële steun te strikken – pas op, zeg ik je –,
maar als je me niet gelooft, dan laat ik dat aan jou.
De Warschause drukker van het pamflet had een koninklijk mandaat. Het is daarom waarschijnlijk dat de katholieke vorst Zygmunt III Waza (Sigismund III Wasa) middels deze publicatie weerwoord wilde bieden aan pro-Nederlandse geluiden over de strijd om Brazilië die zijn rijk klaarblijkelijk bereikten. De Tachtigjarige Oorlog woedde op papier dus ook in Polen, al bleef de schaal van het (gedrukte) mediageweld beperkt.
Ook uit andere bronnen blijkt dat het conflict de Poolse gemoederen flink bezighield en tweespalt zaaide. Een concreet voorbeeld betreft twee Latijnse gedichten over het Beleg van Oostende, dat duurde van juli 1601 tot september 1604, toen de stad zich overgaf aan de Habsburgse troepen onder leiding van generaal Ambrogio Spinola.

Het tweede gedicht staat daar diametraal tegenover. Het is overgeleverd in ten minste drie manuscripten en komt op naam van Samuel Przypkowski, een lid van de Poolse Broeders (ook bekend als socinianen of arianen), een afsplitsing van de gereformeerde kerk. De herkomst van de manuscripten suggereert dat het gedicht vooral gekopieerd en geapprecieerd werd door Przypkowski’s geloofsgenoten. Bovendien gaat het steevast vergezeld van een Poolse vertaling door Zbigniew Morsztyn, die eveneens tot de Poolse Broeders behoorde. In de openingsregel staat dat de auteur Oostende zelf gezien had, wat erop wijst dat Przypkowski het gedicht schreef naar aanleiding van zijn verblijf in de Lage Landen, tussen 1616 en 1618/1619. Volgens Przypkowski was Oostende veranderd in…
…een wreed monument van Mars en een teken van overwonnen deugd, een nobele brandstapel van reeds zovele volkeren.
…doordrenkt met bloed en overdekt met botten, waaraan zelfs ‘de bedroefde Spanjaard’ een hekel had. Ergo: de gesneuvelde Nederlandse soldaten waren martelaren en de Spaanse triomf was eigenlijk een pyrrusoverwinning. Zodoende sloten beide auteurs aan bij twee tegengestelde, wijdverspreide visies op het beleg: Przypkowski verwees bijvoorbeeld duidelijk naar een gedicht van Hugo de Groot. Jurgiewicz en Przypkowski interpreteerden het Beleg van Oostende dus op uiteenlopende manieren om hun eigen verhalen te vertellen.

Geloofsovertuigingen bepaalden vaak hoe zulke verhalen klonken – en dus aan welke kant men stond. Hoewel het merendeel van de Polen katholiek was, telde het land ook andere geloofsgemeenschappen, waaronder joden, calvinisten en de genoemde Poolse Broeders. Vrijheid van godsdienst en religieuze tolerantie werden in 1573 zelfs bij wet vastgelegd – al kregen niet-katholieken in de eeuwen daarna alsnog te maken met marginalisatie en onderdrukking. Katholieke Polen wezen de Nederlanders uiteraard geregeld aan als ketterse rebellen die het ware geloof verraden hadden en de oorlog hadden ontketend. Vanwege de toenadering tussen Den Haag en Istanbul zagen sommigen de Nederlanders zelfs als de aartsvijanden van Polen en het hele christendom. Veel Poolse katholieken zullen dan ook ontevreden hebben gereageerd toen de oorlog ten einde kwam. Zo ook de Litouwse grootkanselier Albrycht Stanisław Radziwiłł, die in mei 1648 koeltjes in zijn memoires optekende:
Tussen de Spanjaarden en Nederlanders is een eeuwige vrede gesloten; het Nederlandse volk is vrij verklaard; bij de Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden is de vrije uitoefening van godsdienstige praktijken toegestaan, zo is het niet bij de Nederlanders.
Deze eenzijdige, ronduit foutieve weergave van de werkelijkheid laat geen twijfel bestaan over Radziwiłłs gevoelens. Gedurende de zeventiende eeuw bleven katholieke Polen bovendien de discriminatie van Nederlandse katholieken en de gevolgen van de Beeldenstorm bewenen. Zo spat de afschuw van het papier in het reisverslag van de geestelijke Kazimierz Jan Wojsznarowicz, die in 1667 opmerkte dat ‘de verraderlijke calvinisten’ in een Utrechtse kerk (wellicht de Dom) de beelden van Christus en Maria hadden onthoofd. Voor protestantse Polen golden de Nederlanders daarentegen als vrijheidsstrijders. Te denken valt aan de dichter Joachim Pastorius, een lid van de Poolse Broeders, die rond 1640 een lofzang schreef op het graf van Willem en Maurits van Oranje, ‘de ouders van de Bataafse vrijheid’. Religieuze loyaliteiten vertaalden zich dus stelselmatig naar politieke voorkeuren.

Anderzijds ondervonden de Poolse Broeders ferme tegenstand van de Nederlandse gereformeerde kerk, en hadden ze in de Republiek vooral contact met de remonstranten en andere gemarginaliseerde protestantse groeperingen, met wie ze veel denkbeelden gemeen hadden. Hoewel de Poolse Broeders daarom zonder meer partij kozen voor de Nederlanders, waren ze niet onverdeeld positief: in 1673 uitte een van hen nog scherpe kritiek op de veroordelingen van Johan van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot uit 1619, die op de hand waren geweest van de remonstranten.

Ik weet niet of jullie het zouden goedkeuren als de adel in opstand zou komen tegen de koning en de boeren tegen de adel en, nadat ze de adel zouden hebben geëlimineerd, alleen boeren hier zouden heersen, zoals in Holland.
De auteur was duidelijk iemand uit de adellijke stand die zijn rebellerende collega-edellieden angst wilde aanpraten middels een vergelijking met de Tachtigjarige Oorlog. Andere bronnen tonen dan weer diverse Poolse meningen over de Nederlandse handelsgeest. Al met al tekent zich dus een genuanceerd beeld af van de manier waarop Polen oordeelden over de strijdende partijen, waarbij iemands geloof weliswaar als kompas diende, maar de koers niet ondubbelzinnig vastlegde.
De rest van dit hoofdstuk is te vinden in De Tachtigjarige Oorlog in Europese ogen.
Tachtigjarige Oorlog – Opstand in de Nederlanden
Het Pools-Litouwse Gemenebest (1573-1795)
Reinier Pauw, een invloedrijke Amsterdamse regent
De citadel van Alva
Het bloedbad van Naarden (1572)