De Nederlandse taal kent vele unieke woorden die ooit bedacht zijn om landschapselementen te benoemen. Vaak worden deze termen nauwelijks nog gebruikt, want wie weet nog wat de betekenis is van bijvoorbeeld balkengat, duinrel, strubben, geest en geriefhoutbosje? Natuurboekenschrijver Caspar Janssen nam in totaal zestig van zulke woorden als bestemming van zijn wandelingen door het Nederlandse landschap. De columns die hij voor de Volkskrant schreef over deze “topotijdreis” zijn gebundeld in het boek Tussen horst en griend.
Natuur en landschap
De auteur is een geliefd schrijver van boeken over natuur en landschap. Met Aard van het beestje, over dieren in Nederland, won hij de Natuurboekenprijs 2024. In 2019 verscheen van hem Caspar loopt, over zijn voettocht door de landschappen van Nederland. Ook voor zijn nieuwe boek ging hij eropuit, want hij wilde alle door hem behandelde verschijnselen eerst met eigen ogen zien. Daarover schrijft hij zelf:
Zoals de beleving in een bos veel rijker is als je de dierengeluiden weet te herleiden tot de bijbehorende beelden, komt ook een landschap tot leven als je weet waarom hier opeens een grote plas ligt, daar een merkwaardige verhoging en weer verderop een opvallende inkeping.

Vloeiweiden
Veel van de door Janssen beschreven ‘landmerken’ hebben een eeuwenoude geschiedenis. Op landgoed Het Lankheet in Overijssel bekeek hij de werking van een vloeiweidesysteem dat hier in ere is hersteld. Dit door boeren bedachte irrigatiesysteem stamt uit de Middeleeuwen. Door middel van watergangen, die met schuiven konden worden geopend of afgesloten, werden weidelanden onder water gezet. Aldus werd kalk- en mineraalrijk kwel- en beekwater over de weilanden verspreid. Dit diende als natuurlijke bemesting en ’s zomers om te irrigeren. Eric Brinckmann, de directeur van het landgoed, vertelde Janssen dat zo wel drie keer per jaar gras geoogst kon worden, dat diende als veevoer. De opkomst van kunstmest maakte een einde aan deze praktijk, maar Brinckmann wijst op de voordelen voor in onze tijd:
Wat we hier doen, is water bergen, water zuiveren, uitstoot van zware broeikasgassen beperken en meer CO2 vastleggen. Bevloeien is ook goed voor de bodem en helpt uiteraard tegen verdroging.

Balkengaten en de vlotterij
Een ander door Janssen beschreven fenomeen, het balkengat, vindt zijn oorsprong in de houtkap. Het betreft een ondiepe watergang bij houtzagerijen waarin boomstammen opgeborgen konden worden. Door de stammen hier meer dan een jaar in het water te laten liggen, zorgde men ervoor dat het hout na het drogen minder ‘werkte’ en langer meeging.
Ooit bevonden balkengaten zich verspreid door Nederland. Boomstammen werden in het verleden nog verplaatst over waterwegen met de zaagmolen als eindbestemming. De boomstammen zakten in vlotvorm over de rivieren af, van Centraal- en Oost-Europa naar Nederland. De industriële revolutie maakte een einde aan de vlotterij en ook aan het gebruik van balkengaten. Op de landgoederen Het Lankheet en Twickel (ook in Overijssel) worden balkengaten echter weer benut, omdat de werking van het water de kwaliteit van het hout daadwerkelijk verbetert.

Biodiversiteitslint
Een ander door Janssen beschreven verschijnsel dat grotendeels is verdwenen, is de vlechtheg. De schrijver bezocht natuurgebied De Maasheggen in Noord-Brabant, dat wel het oudste cultuurlandschap van Nederland wordt genoemd. Door middel van vlechtheggen, met meidoorn als basismateriaal, worden weilanden hier van elkaar gescheiden. Ooit was het in grote delen van Nederland gebruikelijk om weiden af te grenzen met zulke stekelige en moeilijk doordringbare heggen, om vee binnen en roofdieren buiten te houden. Het gebruik viel Julius Ceasar al op, die hierover in zijn Commentarii de bello Gallico, een verhandeling over de Gallische Oorlog, het volgende schreef:
Deze mensen hakten jonge boompjes om – echter zonder ze geheel door te hakken – en buigen ze en vervlechten de in de breedte groeiende takken…
De uitvinding van prikkeldraad, ruilverkaveling en schaalvergroting maakten grotendeels een einde aan de heggen, die het landschap niet alleen afwisselender maken maar ook schuilplaatsen vormen voor allerlei dieren. Dat groene grenzen goed zijn voor de biodiversiteit zag Janssen ook op een boomkwekerij in Boskoop in Zuid-Holland. Ooit waren houtakkers hier typische verschijnselen: “smalle eilandjes van veengrond met daarop een haag met inheemse bomen, die als windvanger fungeren om de boompjes en de kwekerijen zelf te beschermen”. Toen kwekers kleinere bomen gingen kweken, werd deze arbeidsintensieve en veel ruimte kostende praktijk grotendeels afgezworen. In de boomkwekerij van Fred Booy worden de houtakkers echter in stand gehouden en dat heeft zijn voordelen, vertelt de boomkweker:
Ze vormen een biodiversiteitslint, en ze houden mijn kwekerij schadevrij. Kijk, die koolmeesjes, die eten de rupsen van mijn heesters, zweefvliegen houden de luizen in toom. We kweken hier volledig biologisch en we hebben in […] dertig jaar de gifspuit geen seconde gemist.

Geesten
De namen van sommige eeuwenoude landschapselementen zijn terug te vinden in plaatsnamen. Oegstgeest en Uitgeest worden door de auteur genoemd als voorbeelden. Het woord ‘geest’ is niet gebaseerd op een spookachtige verschijning, maar op wat de auteur beschrijft als “een hogere zandrug in een tamelijk nat gebied, waar akkerbouw werd bedreven en waar nederzettingen ontstonden”. Het woord vindt zijn oorsprong in het Germaanse gaistro, wat ‘hoog en droog’ betekent.
Geesten zijn tegenwoordig niet makkelijk te herkennen. Janssen bezoekt met Henk Baas, hoofd landschap bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het monumentale dorpje Oud-Velsen in Noord-Holland dat op een geest ontstond met de kerk op de oostpunt. “Je moet het weten, want zien doe je het eigenlijk niet, behalve misschien aan de subtiele hoogteverschillen”, stelt Janssen vast. Baas wijst hem erop dat je de ovalen vorm van geesten ook terugziet in het patroon van delen van steden, waaronder Den Haag en Haarlem.

Trekvaart
Janssen verklaart dat ook de basis van de Nederlandse infrastructuur zijn oorsprong vindt in een uitgestorven fenomeen, de trekvaart. In de zeventiende eeuw kon je door middel van door paarden getrokken trekschuiten in één dag van Amsterdam naar Den Haag of Rotterdam reizen. De komst van de stoomtrein maakte een einde aan de trekvaart, maar de kaarsrechte trekvaarten en de jaagpaden, waarover de trekpaarden liepen, bepaalden mede de vormen van de moderne infrastructuur. Janssen laat zich door historicus Ad van der Zee rondleiden in Halfweg, bij de N200 die begon als jaagpad. Het deel van de trekvaart tussen Halfweg en Amsterdam is nog altijd intact, maar volgens de historicus weet niemand meer waarom deze hier ligt.
Verbinding

Zonder belerend te zijn, laat Janssen ook zien dat we van het verleden kunnen leren. Veel van de door hem beschreven oude, vaak grotendeels verdwenen landschapselementen hebben functies die in onze tijd opnieuw van nut kunnen zijn, bijvoorbeeld bij het vasthouden van water en het vergroten van de biodiversiteit. Janssen laat zien dat landbouw en natuur van oudsher samengaan. In plaats van beschuldigend te schrijven over de teloorgang van de natuur en het cultuurlandschap probeert hij verbinding te leggen tussen boeren en natuurbeschermers. Dit maakt dit boekwerk inspirerend voor elke geïnteresseerde in het Nederlandse landschap, of dat nou vanuit het perspectief is van de landbouwer of de natuurliefhebber, en alles daartussenin.
Geen lege horizon aan zee
Onze vroegste infrastructuur: de alleroudste wegen van Nederland
Eeuwenoud Nederlands landschap bijna verdwenen
Maart, vernoemd naar de Romeinse god van de oorlog
Groene natuur en de Holocaust
Boerencultuur als herinnering aan arme sappelaars