Boerenvreugde & boerenverdriet. Schilderijen van feestgedruis door de Brueghel-dynastie en tijdgenoten zijn alom gekend. Toch waren de volksfeesten, de huwelijksdansen, de processies, de blijde intredes van machthebbers, de kermissen, de carnavals, de rederijkerstornooien… meer dan louter vertier. De openbare vrolijkheid was een uitlaatklep in tijden van oorlog en rampspoed van de zestiende en zeventiende eeuw. En tegelijkertijd ook verbinding én veerkracht van mensen in woelige en beangstigende tijden.
De Koning Drinkt! Jacob Jordaens (1593-1678) schilderde wel tien versies van dit wellustig Driekoningenfeest. Het imposante schilderij (rond 1638-1640) geeft de eigenheid van de katholieke Zuidelijke Nederlanden weer: baldadig, nuchter en dronken van zelfspot. In een cartouche bovenaan prijkt het devies:
In een vry gelach ist goet gast syn (gelach niet enkel in de betekenis van grappenmakerij maar ook van drinkgelag)
Deze spreuk overbluft de traditionele christelijke huiszegen:
Christus Mansionem Benedicat (Christus zegent dit huis)

De religieuze achtergrond van Epifanie (openbaring van de Heer) wordt hiermee helemaal naar de achtergrond geduwd. Voor de vrolijke koning neemt Brouwer zijn schoonvader en leermeester Adam van Noort, als model. Zelf is hij de dronkenlap die zijn teveel uitkotst. De wafels en koeken zijn uitgestald. De zotskap met zijn pijp blaast de rook uit zijn mond. De oude vrouw grijnst; de drinkebroers brallen. Op het voorplan veegt een vrouw het achterste van een kind af.
Majestatisch en scabreus, zo alleen kon de onstuimige schilder die zijn naam niet stal, dit anekdotische tafereel bedenken en daarbij gekscheren met deugdelijkheid. Het omkeren van een maatschappelijke werkelijkheid, zoals ook het geval bij carnaval… De koning draagt een kroon van papier, zoals bij de moderne koningstaarten van zes januari voor de gelukzak die de boon beet heeft.
De wanorde heeft wel zeker een geschiedenis. De wanorde heeft een betekenis. Daarom mag men de kunst van het feesten niet versimpelen of onderwaarderen. Sabine van Sprang, conservator Koninklijke Musea voor Schone Kunsten Brussel & Blaise Ducos, conservator Louvre, beiden curatoren van de tentoonstelling Vlaamse Feesten
Molenbeker
Dorpskermissen, bruiloften, stoeten, ommegangen, processies… de Zuidelijke Nederlanden waartoe ook een grote lap van het huidige Noord-Frankrijk en Lille/Rijsel behoorden, kenden een uitgebreide traditie van tal van feesten, zowel op het platteland als in de steden. Zowel voor vorstelijke als voor burgerlijke of voor volkse gelegenheden. Herinneringen eraan zijn uitgebreid terug te vinden in genreschilderijen maar ook in overblijfsels van reuzen bij optochten, bij tooien en zelfs in bekers en borden.
Zo is er een Molenbeker… eigenlijk een soort fopbeker in glas, zilver en goud uit de zeventiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden. Molenbekers waren onderdeel van de mannelijke drinkspelen. Bovenaan de beker zonder voet staat een molentje. Als de drinker onderaan in het pijpje blaast, beginnen de wieken te draaien. Het drinkglas wordt dan omgekeerd en de kuip gevuld. Naar verluidt stoppen de wieken pas met draaien als ‘de kelk tot op de bodem is leeggedronken’.

Liters drank, kleurrijke kermissen, pantagruëleske eetgelagen, tafels met rijstpap, doedelzakmuziek die bijna uit de prenten klinkt, springende, drinkende, vechtende, slapende boeren, kroegtaferelen… Altijd was er wel een aanleiding om uit de bol te gaan: een huwelijk, een patroonheilige, een meiboomplanting… De schilderijen van de dynastie Brueghel, van de familie Teniers spreken nog altijd tot de verbeelding.
De Vlaamse feesten waren een mengelmoes van het religieuze en het profane. Het plechtige en het ludieke liepen in elkaar over. Voor hele gemeenschappen vormden de feesten een uitlaatklep.
Want iedereen in het dorp of in de stad nam deel aan het feest: door het versieren van de gevel, met muziek, hulp bij eetfestijnen of bij het maken van de praalwagens, maar ook in de optochten.

Leve de Geus!
Daarvan is het merkwaardige, maar ook sublieme schilderijtje van Pieter Brueghel de oude een toonbeeld. Het paneeltje stelt een soortement rondedans van vijf (of zes?) kreupelen voor. Vermoedelijk nemen ze deel aan een carnavalsstoet want ze zijn opgetut met ‘papieren’ hoedjes en hun kledij is versierd met… vossenstaarten. Dat is meer dan een symbool voor listigheid. Zoals veelal bij Brueghel heeft het meerdere complexere betekenislagen, zoals de vermaarde kunsthistoricus Roger Marijnissen in zijn referentiewerk over Brueghel neerpent. Het is een eigengereide reflectie op de tijd van toen, ook op de eertijdse Koppermaandag. De vossenstaarten verwijzen naar ketterij en ‘geuzen’, de scheldnaam voor de toenmalige andersdenkenden en protestanten. Gueux is immers het oud-Franse woord voor bedelaar(s) of mendiants, zoals het schilderijtje (1568) is getiteld.

Boerenverdriet
Het leven was precair. Een Gouden Eeuw kenden de Zuidelijke Nederlanden niet. De Spaanse katholieke knoet, de verhoogde belastingen, de economische rampspoed, de heksenvervolgingen, de politieke afrekeningen… De boerenbevolking – toch ruim 80 procent van de bevolking – leefde in voortdurende vrees voor plunderende oorlogsgarnizoenen.
Boerenverdriet met evocaties van dat vandalisme, brandstichtingen en volksverhuizingen, werd een geliefd thema voor genretaferelen. Maar ook de opflakkerende vreugde bij een (gewapende) vrede. David Rijckaert konterfeit daarover een dubbeltafereel Boerenverdriet en Boerenvreugde en dat naar aanleiding van het einde van de Tachtigjarige Oorlog tussen de Lage Landen en Spanje.
De schijnbaar onbezonnen amusementen verhullen dus wreedaardige tijden toen de Zuidelijke Nederlanden één groot slacht-veld waren. Met hongersnood, armoe, epidemieën, vervolgingen, verwoestingen… Alle feestneuzen kenden eveneens de keerzijde van de medaille:
Het is fascinerend om te zien dat deze Vlaamse feestkunst, verbonden aan een regio, haar wortels doopt in een ware Europese renaissance. Sabine van Sprang, conservator Koninklijke Musea voor Schone Kunsten Brussel & Blaise Ducos, conservator Louvre, beiden curatoren van de tentoonstelling Vlaamse Feesten
Gezamenlijke uitlaatklep
In een hiërarchische maatschappij met codes en rituelen werkten feesten vaak als een pansement, een zwachtel, vooral met de dreiging in het achterhoofd dat de volgende oorlog, de volgende rampspoed al om de hoek stond.
Feesten zorgen niet enkel voor verbondenheid en structuur, ook binnen de middeleeuwse corporaties, maar zijn ook een ventiel voor allerlei spanningen. Een feest geeft de schone schijn van een samenhorige gemeenschap en het kan een pleister op wonden of een gipsverband voor breuken worden.
Dat gold zeker voor het stedelijk decor waar de macht samentroepte. Vorsten en landvoogden werden feestelijk onthaald tijdens de Blijde Intredes, waarbij ze officieel voorgesteld werden aan de plaatselijke stadsbevolking.

Voor de intrede van de kardinaal-infant Ferdinand van Habsburg in 1635 in Antwerpen wordt niemand minder dan Pieter Paul Rubens gevraagd om de ‘decoratie’ te verzorgen. De ‘hofschilder’ bedenkt een monumentale portiek met triomfbogen en imposante staatsbeelden van de voormalige Habsburgse keizers en van hun ‘sponsors’, de… bankiers Fugger.
Landvoogden en monarchen woonden wel eens festiviteiten, ook dorpskermissen of banketten, bij. Aartshertogin Isabella schoot de hoofdvogel af tijdens een Brussels schuttersfeest. Een groot schilderij toont het defilé van die hoofdstedelijke schuttersgilden en bewijst dat feesten ingezet werden als diplomatiek instrument.

Dansen op de vulkaan
Elke stad had zo zijn ommegangen, waarbij een patroonheilige werd gevierd met een ommegang rond de kerk. De religieuze processie kreeg geleidelijk een werelds karakter en werd profane folklore. Tal van plaatselijke vedetten werden uitvergroot tot Reuzen die aan de optocht deelnamen. Het folkloristisch gebeuren lokt nog altijd veel volk, ook nu nog in Brussel en zelfs in Noord-Frankrijk en Lille, waar Reuzen ook tot het erfgoed behoren. In Antwerpen wordt nog altijd de legendarische dragonder Druon Antigoon meegevoerd. Alleen al zijn reuzenkop in papier maché, naar een ontwerp uit 1534-1535 van Pieter Coecke van Aelst, schoonvader van Brueghel, is bijna twee meter hoog.
De kop van Antigoon prijkt eveneens op het schilderij van Alexander van Bredael van de Ommegang op de Meir (1697). Een uitvergrote reuzenvis met Neptunus op zijn rug is de blikvanger.
Processies, optochten, ommegangen, banketten… waren een onmisbare kans voor de bevolking om te pronken maar ook om hun eigenheid op te eisen.

Toneel spelen
Daadwerkelijke wedstrijden om een eigenheid te bewijzen, werden georganiseerd door de rederijkerskamers. In heel de Nederlanden werden gilden en confreries opgericht die de kunst van welsprekendheid op een hoger niveau wilden tillen. Hun leden – gezellen, confraters, later liefhebbers – werden gevormd om teksten en verzen te reciteren en om theater met de gepaste dramatiek te spelen. Feesten allerhande, vorstelijke intredes, processies, ommegangen… fleurden deze amateurtoneelgenootschappen op.
In de woelige zeventiende eeuw deemsteren de rederijkerskamers – vooral in het Zuiden – weg. Maar rond 1700 vindt die traditionele rederijkerscultuur zichzelf – als een feniks – opnieuw uit.
Medicijn
Begin negentiende eeuw, en vooral in het jonge, onafhankelijke België, dagen opnieuw tal van vrolijke feestgenootschappen, Sociétés Joyeuses, op. Fantasierijke esbattementen zijn dan evenzo een medicijn tegen de pijn-van-het-zijn.
“Feesten is eigenlijk een maatschappij opbouwen. Feesten is verbinding maken!”, aldus Martine Aubry, tot voor kort burgemeester van Lille/Rijsel, die Vlaamse feesten ook als haar erfgoed ziet.
Pieter Brueghel in Brussel · Belgische volksmuziek uit Vlaanderen
De tentoonstelling Fêtes et célébrations Flamandes (Vlaamse feesten en vieringen) is tot 1 september 2025 te zien in het Palais des Beaux-Arts, in Lille, Noord-Frankrijk. De zaalteksten zijn ook in het Nederlands.

Gewone Hollanders in de Gouden Eeuw
Jubelpark in Brussel: geschiedenis, beelden en musea
Art Deco, het decorum van het Interbellum