1666 – Pest, hellevuur en de Engels-Nederlandse oorlogen

Vandaag verschijnt bij uitgeverij Spectrum het boek ‘1666. Pest, hellevuur en de Engels-Nederlandse oorlogen‘. In het boek, geschreven door televisiemaker en historica Rebecca Rideal, wordt stilgestaan bij het rampjaar uit de Britse geschiedenis: 1666. Met de ergste pestepidemie in decennia, de ontploffing van het schip The London, de verloren Engels-Nederlandse oorlog en de Grote Brand van Londen, waarbij het grootste deel van de Britse hoofdstad in vlammen op ging, kon 1666 inderdaad een rampjaar genoemd worden. Rideal beschrijft het jaar, maar staat ook stil bij de positieve gevolgen van de rampspoed, die de voedingsbodem werd voor creatieve, wetenschappelijke en politieke ontwikkelingen die Groot-Brittannië tot een wereldmacht zouden maken. Op Historiek een fragment uit het boek.


‘De London’ staat in brand

[…] want het is een bekend feit dat de zonen en dochters van de meeste Engelse families die opvallen door hun schranderheid of schoonheid, door moed en ijver, of door een andere bijzondere eigenschap, Londen beschouwen als hun kompas, en zij hebben geen rust totdat zij daarheen wijzen.
Edward Chamberlayne, The present state of England

Dinsdag 7 maart 1665

De dag was begonnen zoals alle andere de laatste tijd. Een bleek winterzonnetje kondigde de ochtend aan en wierp een vaal schijnsel over de bevroren ruiten en verijsde modderpoelen in de straten; de zon scheen dan wel, maar warm kon je hem niet noemen. In Londen hield de zware vorst nu al een maand aan. De mensen in de stad ontwaakten door beierende kerkklokken en straatgeluiden: blaffende honden, ratelende karren, koerende duiven en pratende stadsbewoners die al vroeg uit de veren waren. Kandelaars en haarden werden aangestoken, kamerpotten geleegd, er werd ontbeten en de inwoners van de metropool maakten zich op voor een nieuwe werkdag. Slagers, bakkers en kaarsenmakers; koffiehuisbazen, boekverkopers, en kruideniers; apothekers, smeden en stoffenwinkeliers daalden de trappen van hun woonvertrekken af naar hun winkels en werkplaatsen op de begane grond. Anderen gingen op pad in de grote wijde wereld, en de ademwolken uit hun monden stegen op boven de middeleeuwse straten.

Animatie Londen voor de brand (still YouTube)

Animatie Londen voor de brand (still YouTube)

Wie de hoofdstad op deze dag van bovenaf zou kunnen bekijken, zou een stad zien die al lang geleden de strijd had opgegeven zichzelf te beheersen. Londen leek één groot pannendak, met gotische torenspitsen en schoorstenen waar zwarte rook uit kwam, met daaronder een doolhof van steegjes en straten, sommige geplaveid en andere bestaand uit stenen en harde klei. Deze straten, vaak ‘smal en moeilijk begaanbaar’ volgens John Evelyn, doorkliefden een samenraapsel van overhangende vakwerkhuizen. Volgens de dichter John Milton, die zelf in de Artillery Walk in het oosten van de stad woonde, kenmerkte het oude stadscentrum zich door ‘dicht opeengepakte huizen en stinkende riolen’. Van de ongezonde lucht die er hing, werden bezoekers van de stad soms behoorlijk ziek. Een van de ongelukkigen was Thomas Ellwood, die zich drie jaar geleden genoodzaakt had gezien voortijdig zijn biezen te pakken vanwege de ‘zwaveldampen in de stad’. Tientallen jaren later beweerde de dichter John Gay dat ’s morgens de beste tijd was om de oude stad in te gaan, omdat dan ‘geen voetgangersstromen de straten onveilig maken’. Degenen die zich te voet in dit doolhof begaven – en dat waren er velen – liepen zo dicht mogelijk langs de gevels om de troep uit de ‘verraderlijke dakgoten en waterspuwers’ van boven te vermijden en om van achteren niet door huurrijtuigen en draagstoelen omvergereden en -gelopen te worden. Als het erg druk was, vonden er bij ‘de muur’ geregeld vechtpartijtjes plaats. In 1664 noteerde Samuel Pepys in zijn dagboek dat

- advertentie -

‘twee mannen […] voor de muur, ongeveer ter hoogte van het nieuwe beursgebouw, slaags waren geraakt en elkaar hadden doodgestoken’

Zoals de Franse filosoof Samuel de Sorbière heeft opgemerkt, was Londen vanwege de vele kronkelige straatjes het soort stad ‘waar je een jaar moet wonen voordat je er goed de weg weet’, en hoewel de huizen in de wijken waar de welgestelden woonden uit baksteen waren opgetrokken, was het middeleeuwse karakter van de stad toch overheersend.

Londen in 1658. Bron: 1666

Londen in 1658. Bron: 1666

Londen was ooit een bescheiden Romeinse nederzetting geweest, maar in de loop der tijden waren de oude stadsmuren niet opgewassen tegen de uitdijende bevolking en de toenemende welvaart en was de stad ver buiten haar oude grenzen getreden. De metropool bestond inmiddels uit drie stadsdelen. Het commerciële centrum van de stad, dat zich binnen de oude stadsmuren bevond en toegankelijk was via zes stadspoorten, werd bestuurd door de burgemeester, zijn wethouders en de machtige stadsgilden. Veel van de grote, ooit door adellijke families bewoonde huizen in de oude stad waren omgevormd tot huurhuizen. In het historische centrum van de stad woonden ook de welgesteldere stedelingen. Een lange straat, de Strand, verbond de oude stad als een navelstreng met de in het zuidwesten gelegen City of Westminster, die met haar paleizen Whitehall en Westminster de zetel vormde van de politieke en koninklijke macht van de natie. Ten slotte bestond Londen uit de wijken buiten de stadsmuren, die zich in alle windrichtingen uitbreidden, vooral naar het westen, en steeds meer omliggende nederzettingen en landerijen opslokten. Zowel deze oprukkende buitenwijken als de statige herenhuizen langs de oever van de Theems en in Westminster lieten al iets zien van de architectonische toekomst van Londen. In de wijk Bloomsbury had de graaf van Southampton opdracht gegeven om, in de woorden van Evelyn, een ‘indrukwekkend plein of piazza’ aan te leggen. Het was het eerste tuinplein in Londen, waarna er nog vele zouden volgen. In Lincoln’s Inn Fields bezat Thomas Povey, handelaar in koloniale waren en tevens de penningmester van de Tanger-commissie, een ‘luxueus huis’ met imitatieporfieren vazen, stallen die betegeld waren met Delfts aardewerk, fonteinen en een ‘goedgevulde wijnkelder’, aldus Evelyn. In Piccadilly verkeerden de bouwwerkzaamheden voor de grote nieuwe residenties van zowel de regeringsleider, de graaf van Clarendon, als van Sir John Berkeley en Sir John Denham in een vergevorderd stadium. Alle huizen boden uitzicht over de brede, zilveren Theems in het zuiden.

Animatie van Londen voor de brand (still YouTube)

Animatie van Londen voor de brand (still YouTube)

Op een dag als vandaag waren er verschillende mensen aan het werk. Op de rivier waren de veermannen actief, zoals meneer Delkes die ‘altijd spijkers in zijn mond had’, en zo nu en dan optrad als souteneur van zijn mooie dochter, die haar klanten ontving in een van de dobberende bootjes die aan de steiger lagen te wachten om Londenaren over te zetten. Verderop maakten scheepslieden koopvaardijschepen gereed voor de grote tocht over de Atlantische Oceaan, met gevangengenomen quakers aan boord die als dwangarbeiders tewerk werden gesteld op ‘de plantages’ in de Engelse nederzettingen op Jamaica, Barbados of in Virginia (zeer waarschijnlijk de eerste van de drie). Dan waren er nog de talloze haringvissers die hun vangst in de stad uitventten. In het stadscentrum, in de buurt van Angel Alley in Bishopsgate, waren de gebroeders Matthew en Thomas Aldred kort geleden begonnen met het behandelen van ‘melancholische en verwarde mensen’. Vlak bij koffiehuis Rainbow in Fleet Street verkocht Thomas Grey hoesttabletten die ook zouden helpen tegen verkoudheid en vliegende tering. Eveneens in Fleet Street had men de kunstenares Mary Beale, die zeven jaar in de stad had gewoond, haar bezittingen kunnen zien inpakken in verband met haar verhuizing naar Hampshire. Op koude dagen zoals deze kon men vaak een zesenzeventigjarige heer genaamd Thomas Hobbes, gekleed in een zwarte fluwelen mantel en met ‘laarzen van Spaans leer, aan de zijkant dichtgesnoerd met zwarte linten’, het huis van de hertog van Devonshire zien verlaten voor zijn ochtendwandeling. Wie verplichtingen had ergens buiten de stad spoedde zich misschien naar herberg de Red Lion in Lambeth, waar Thomas Fisher en Thomas Ryder een dagelijkse koetsverbinding exploiteerden naar het plaatsje Epsom, ten zuidwesten van de stad. De koets vertrok elke ochtend om acht uur precies. Ten westen van St. Paul’s Cathedral kon voor een geringe prijs een ‘collectie zeldzame objecten’ worden bewonderd, waaronder Egyptische mummies, het ‘dijbeen van een reus’ en ‘de huid van een zeemeermin’. Londenaren die even krap bij kas zaten, konden overwegen een bezoek te brengen aan ene ‘George Gray, barbier en pruikenmaker’, die ‘tien of twaalf shilling gaf voor dertig gram lang, vlasblond haar en drie of zes shilling per ounce voor ander lang blond haar’. Pruiken voor zowel mannen als vrouwen waren zeer gewild.

In Londen woonden en werkten naar schatting 460.000 mensen. Vanuit het hele land – en daarbuiten – werden landbouw- en nijverheidsproducten aangevoerd om de bevolking van de metropool te onderhouden. Kolen werden verscheept uit de Tyne, lood kwam uit Derbyshire, tin uit Cornwall, groente en fruit waren afkomstig uit de nabijgelegen graafschapen Hertfordshire en Kent, textiel kwam uit Wiltshire en Sussex, tabakspijpen van aardewerk van het eiland Wight, en slachtvee uit Ierland. Ook uit verre streken werden goederen aangevoerd: glaswerk uit Delft, exotische specerijen en zijde kwamen uit India, suiker en tabak werden uit Noord- en Zuid-Amerika geïmporteerd. Zelfs het water dat de meeste mensen dronken kwam van buiten de stad. Bier, cider en wijn waren weliswaar het veiligst om te drinken, maar drinkwater van uiteenlopende kwaliteit was beschikbaar. Overal in Londen waren waterputten en vuil water van de Theems werd via een groot waterrad bij de Londen Bridge de stad ingeleid. Het schoonste drinkwater werd geproduceerd door de New River Company, die aan het begin van de zeventiende eeuw was opgericht. Deze waterfabriek had een vijfenzestig kilometer lange kunstmatige waterweg aangelegd van de waterbronnen van Caldwell en Amwell in Hertfordshire tot aan Clerkenwell in Londen. Tegen een vergoeding konden stadsbewoners een loden pijp naar hun huis laten aanleggen, waardoor zij regelmatig over vers water konden beschikken.

The royall exchange, getekend in 1668

The royall exchange, getekend in 1668

Zoals elke stad bestond Londen zowel uit een echte, tastbare wereld van voedsel, drank, geld, huizen en goederen als uit een geestelijke, denkbeeldige en ideologische. De restauratie van het koningshuis in 1660 – na een puriteins en republikeins bewind dat meer dan tien jaar had geduurd – had het dagelijks leven een nieuwe kleur gegeven. Weliswaar bleef de zondagsrust gehandhaafd, maar op de andere dagen van de week waren de winkels tot tien uur ’s avonds geopend. In koffiehuizen en tijdens bijeenkomsten van de Royal Society, het wetenschappelijke genootschap, discussieerde een select maar luidruchtig gezelschap over natuurfilosofische vraagstukken en voerde het wetenschappelijke experimenten uit, terwijl taveernes en commerciële centra zoals St. Paul’s Churchyard en de Beurs bruisten van leven en gezelligheid. Vooral de Beurs was een broeinest van nieuwtjes en roddels. Het beursgebouw stond tussen Threadneedle Street en Cornhill en vormde al bijna honderd jaar het middelpunt van de handel in de stad. Dit geesteskind van Sir Thomas Gresham (die ook het gebouw had ontworpen waar de Royal Society zijn bijeenkomsten hield) lag aan een vierkant plein met aan alle kanten winkels op verschillende verdiepingen. Verder stonden er kraampjes en bood het plein talloze ontmoetingsplekken.

Bearbaiting

Bearbaiting

Behalve de traditionele festiviteiten en jaarmarkten bood Londen steeds meer mogelijkheden voor publiek vertier, uiteenlopend van theaters, bearbaitings (het vechten van honden tegen een geketende beer) en gokhuizen tot gelegenheden voor nieuwe vormen van dans en muziek. Ook bestond een levendige belangstelling voor modeverschijnselen uit andere Europese landen (zoals schoenen met gespen, de voorloper van het driedelig kostuum, en vooral de pruik). Er vielen nieuwe plekken te ontdekken, zoals parken en winkelgalerijen, en onder degenen die bovenaan de sociale ladder stonden raakten kijksporten als tennis en paardenrennen steeds meer in zwang. Zo maakte het hof twee keer per jaar een uitstapje naar Newmarket om naar de paardenrennen te kijken en wordt over de Engelse koning Karel II zelfs verteld dat hij elke morgen tenniste. Kortom, afgezien van werk en kerk, was er voor Londenaren veel te doen in de stad.

Een Londens gezin

Een groot deel van de bijna half miljoen inwoners van Londen bestond uit binnenlandse migranten, die vanuit het hele land naar de stad waren getrokken in de hoop op een beter leven. De Taswells waren zo’n gezin dat de stap had gewaagd. In 1660 had het koopmansgezin het eiland Wight verlaten en zich in de Londense Bear Lane gevestigd, in een herenhuis vlak bij het douanekantoor in het oosten van de stad. De statisticus John Graunt, zelf de zoon van immigranten, had berekend dat elk Londens huishouden uit ongeveer acht personen bestond: ‘man en vrouw, drie kinderen, en drie bedienden of huurders’. Als typisch koopmansgezin beantwoordden de Taswells vermoedelijk aan dit patroon. Vader James en moeder Elizabeth Taswell hadden minstens twee zonen, van wie de op één na oudste, William, op de Westminster School zat aan de andere kant van de stad. In Westminster zou William in contact gekomen kunnen zijn met een ander Londens koopmansgezin, de Mitchells. Zij woonden in een huis met vijf haarden en met ‘een armzalig klein tuintje’ in Wood Street in Westminster. Vader Miles en zijn vrouw Anne hadden op zijn minst twee volwassen zonen, en vermoedelijk woonde bij hen ook de buitenechtelijke dochter van Anne in die zij dertig jaar eerder had gekregen. Als boekverkopers handelde het gezin in informatie en de afgelopen jaren hadden zij goed geboerd in Westminster Hall in het westen van de stad.

Westminster hall in 1821

Westminster hall in 1821

Zoals zoveel andere semipublieke ruimten was Westminster Hall – waar bijna twintig jaar daarvoor de Engelse koning Karel I ter dood was veroordeeld – uitgegroeid tot een druk winkelcentrum met handelaren en afdingende kopers, die zich een weg baanden door de drukte. Wie op 7 maart 1665 naar het gebouw toe liep, zag allereerst de op de spijlen van het hek gespietste hoofden van Oliver Cromwell en twee andere koningsmoordenaars, Henry Ireton en John Bradshaw. Vijf jaar eerder waren hun lichamen op bevel van Karel II uit de graftomben van Westminster Abbey gehaald, waarna zij in Tyburn als verraders waren ‘terechtgesteld’. Wie doorliep, kwam in de grote hal terecht waar van alles te koop was, variërend van kleren en boeken tot pruiken en knopen. Volgens een van de boeken die zij zelf verkochten, was het bedrijfje van de Mitchells ‘de eerste winkel in Westminster Hall’. De boekhandelaars gingen vriendschappelijk om met John en Elizabeth Howlett, die al minstens twintig jaar in Westminster Hall handelden in fournituren. De band tussen de twee gezinnen was zo innig dat de oudste zoon van de Mitchells zich had verloofd met de lieftallige dochter van de Howletts, Elizabeth, die door iedereen Betty werd genoemd. De verloofden waren van plan om, als zij eenmaal waren getrouwd, te verhuizen naar Thames Street, waar de zoon van de Mitchells het beroep van zijn schoonvader zou gaan uitoefenen en dus niet in het voetspoor van zijn vader zou treden.

Philosophical Transactions

Philosophical Transactions

Londen kende tal van boekwinkels en het aanbod was zeer divers. Bij de Temple verkocht John Playford boeken over dans en muziek; vlak bij de Beurs zat Henry Herrington, gespecialiseerd in operalibretto’s en toneelteksten; bij Peter Dring, die pal naast de Rose Tavern zijn winkel had, kocht je het werk van kookboekenschrijfster Hannah Woolley; en James Allestry verkocht in St. Paul’s Churchyard de wetenschappelijke publicaties van de Royal Society, waaronder de eerste aflevering van het nieuwe wetenschappelijke tijdschrift Philosophical Transactions, dat de vorige dag voor de eerste keer was uitgekomen. Wat de winkel van de Mitchells in Westminster Hall zo bijzonder maakte, was haar nabijheid van de politieke macht: het was een uitgelezen plaats om geruchten en roddels te horen over degenen die het in de stad voor het zeggen hadden.

Behalve boeken en pamfletten verkochten de Mitchells vermoedelijk ook de Intelligencer, de belangrijkste krant van Londen die om de twee weken verscheen. De krant was kleiner dan moderne dagbladen en telde vier of vijf pagina’s met berichten over gebeurtenissen in het binnenland en op het Europese vasteland. Na de restauratie van de monarchie was onder de bezielende leiding van Roger L’Estrange de pers weliswaar aan banden gelegd, maar voor de doorsnee lezer bevatte de krant nog genoeg wetenswaardigs. In de meest recente editie stonden stukken over de moord op een Engelse edelman aan de overkant van het Kanaal, de inbeslagname van een buitenlands koopvaardijschip in Portsmouth door een oudgediende royalist en over een grote storm in Frankrijk waarover ‘voorlopig weinig anders te melden is dan rampspoed’. Tevens stond in de Intelligencer te lezen dat de Nederlandse vloot in rap tempo werd uitgebreid en dat zij tegen het einde van de maand ‘gereed’ zou zijn.

1666 - Rebecca RidealDe meeste Londenaren wisten wel wat er bedoeld werd met ‘gereed’, maar wie het ontgaan mocht zijn, kon altijd nog de bekendmakingen lezen die drie dagen tevoren overal in de stad waren aangebracht. Het waren de overblijfselen van een grootse optocht, compleet met bazuingeschal, die de afgelopen zaterdag door de hoofdstad was getrokken. Om tien uur die ochtend waren de herauten van de koning, samen met de ceremoniemeester en acht trompetblazers, de poort van Whitehall uitgekomen en via Cheapside opgetrokken naar de Beurs. Zoals eveneens in de bekendmakingen stond te lezen, hadden herauten van de koning de Londense bevolking meegedeeld dat voor de tweede keer in iets meer dan tien jaar de Engelsen de oorlog hadden verklaard aan de Nederlanders.

~ Rebecca Rideal

Boek: 1666. Pest, hellevuur en de Engels-Nederlandse oorlogen – Rebecca Rideal
Lees ook: Grote brand Londen 1666 kon geen toeval zijn
Bekijk: Het Londen van voor de grote brand van 1666 (animatie)

Bestel dit boek bij:

Gabriël Gostiaux Monsieur Sans-Douleur, Dentiste et Pédicure, 1868, litho, met de hand gekleurd, 331 x 512 mm
Vroeger ging men met plezier naar de tandarts. Als men niet zelf…
nieuwe geschiedenisboeken
Wekelijks verschijnen er nieuwe geschiedenisboeken. Van lijvige studies tot publieksboeken en van…

- advertentie-


Historiek heeft een gratis mobiele app



Geschiedenis zoeken


Gerelateerde uitgaven:





Download onze gratis app voor smartphone en tablet!

Historiek heeft een mobiele app, zowel beschikbaar voor Android als voor iPhone en iPad. Via de geschiedenis-app blijft u altijd op de hoogte van onze laatste berichten. Ook boekbesprekingen, blogs en onze historische achtergrondverhalen zijn via de app te lezen. Alle berichten die online staan, staan ook in de app. De geschiedenis-app wordt voortdurend uitgebreid en is natuurlijk helemaal gratis. Geschiedenis in de broekzak!

Download de app via de volgende links: