Grote Indonesië-onderzoek nog eens kritisch bekeken door vakhistorici

Historisch vakblad publiceert themanummer
8 minuten leestijd
Omslag van het themanummer van BMGN – Low Countries Historical Review
Omslag van het themanummer van BMGN – Low Countries Historical Review. Op de foto’s worden slachtoffers van Nederlands geweld herdacht.

Opnieuw ligt het grote Indonesië-onderzoek van wetenschappelijke instituten KITLV, NIMH en NIOD onder het vergrootglas. Ditmaal niet van de publieke opinie, maar van vakhistorici. Zes van hen werpen nog eens een kritische blik op het onderzoek in een themanummer van vaktijdschrift BMGN – Low Countries Historical Review.

Het grote onderzoek ‘Onafhankelijkheid, Dekolonisatie, Geweld en Oorlog in Indonesië, 1945-1950’ (ODGOI) had een flinke aanloop. In 2012 hadden het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies een plan voor uitgebreid nieuw onderzoek naar het Nederlands-Indonesische conflict in 1945-1950. Aan het kabinet vroegen ze subsidie. Die werd geweigerd.

Over de grens. Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949
 
Begin 2017 zegde het kabinet alsnog 4,1 miljoen euro toe als bijdrage aan het project (de rest betaalden de initiatiefnemers zelf). Het onderzoek ging alsnog van start, geleid door de directeuren van de drie instituten: Gert Oostindie (KITLV), Frank van Vree (NIOD) en Ben Schoenmaker (NIMH). De Haagse ommezwaai kwam na onder meer publicatie van Remy Limpachs De brandende kampongs van generaal Spoor (2016) en de publieke ophef daarover. Limpach liet zien dat grof geweld en wandaden van Nederlandse zijde in 1945-1950 in Indonesië geen uitzonderingen waren – ‘excessen’ in de terminologie van het kabinet-De Jong in 1969 – maar structureel voorkwamen.

Op 17 februari 2022 werden de uitkomsten van het ODGOI-onderzoek gepresenteerd, tegelijk met het samenvattende boek Over de grens (Engelstalige versie: Beyond the Pale). Het deed (opnieuw) veel stof opwaaien. Enerzijds waren er critici die onder meer de vraag opwierpen waarom het ODGOI-onderzoek de term oorlogsmisdaden zo angstvallig vermeed, anderzijds waren er conservatieve groepen die de conclusies (veel) te ver vonden gaan. Nu het stof in de publieke ruimte alweer geruime tijd is neergedaald vond de redactie van BMGN – Low Countries Historical Review (voorheen: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden) het tijd het onderzoek nog eens te laten bekijken door vakhistorici.

Standrechtelijke executies van kampongbewoners door militairen van het Depot Speciale Troepen in kampong Salomoni in ZuidCelebes (het huidige Sulawesi). In totaal zouden ongeveer twintig mannen zijn geëxecuteerd.
Standrechtelijke executies van kampongbewoners door militairen van het Depot Speciale Troepen in kampong Salomoni in Zuid-Celebes (het huidige Sulawesi). In totaal zouden ongeveer twintig mannen zijn geëxecuteerd. (Foto: Collectie NIMH – H.C. Kavelaars / Arbeiderspers)

Extreem geweld

Bij lezing van het themanummer vallen meteen een paar dingen op. Ondanks soms pittige kritiek op het ODGGOI-project vinden auteurs het onderzoek en de uitkomsten toch ‘een mijlpaal’. Want geheel anders dan de ‘Excessennota’ uit 1969 concludeert dit grote onderzoek dat van Nederlandse kant in 1945-1950 in Indonesië wel degelijk structureel extreem geweld is toegepast. Een paar uur na openbaring van de onderzoeksresultaten kwam premier Mark Rutte namens de regering met excuses voor dat extreme geweld.

Wat ook in het oog springt, is dat naast kritiek op het Nederlandse onderzoek ook kritiek wordt geformuleerd op de Indonesische geschiedschrijving. Die laatste kritiek sluit naadloos aan bij het actuele Indonesische debat over een nieuwe ‘officiële geschiedenis’ waaraan sinds eind 2024 wordt gewerkt. Geen van de auteurs in het themanummer van BMGN – Low Countries Historical Review verwijst overigens naar dat felle debat in Indonesië, maar dat lijkt goed verklaarbaar. Aan te nemen valt dat de auteurs hun bijdragen al hadden ingeleverd toen eind mei de ophef in Indonesië losbarstte.

Premier Rutte biedt excuses aan (2022)

De scherpste kritiek op het ODGOI-project formuleert historica/journalist Anne-Lot Hoek, auteur van het uitstekende, ook bij Historiek besproken boek De strijd om Bali (2022). Ze wijst er bijvoorbeeld op dat de sterk op Nederland gerichte aanpak (het Nederlandse geweld in Indonesië analyseren en verklaren) vanaf het begin samenwerking met Indonesische historici bemoeilijkte. Voor Indonesische vakgenoten was immers al lang duidelijk dat Nederland heel veel geweld gebruikte, niet alleen in 1945-1950, maar ook in de koloniale tijd daarvoor. Uiteindelijk voerden de Indonesiërs een eigen deelproject uit. Hoek verwijt de ODGOI-leiding te weinig te hebben gedaan om de Indonesische vakgenoten ‘integraal onderdeel’ te laten zijn van het totale project.

Lange traditie van koloniaal geweld

Daarnaast stelt Hoek dat de centrale ‘vraag over de legitimiteit van het geweld’ een beperking was. Het maakte het Rutte mogelijk om wel excuses aan te bieden voor het extreme geweld, maar niet voor het beginnen van de oorlog tegen Indonesië, aldus Hoek. Opmerkelijk, vindt ze, want al in 2005 zei toenmalig minister van buitenlandse zaken Ben Bot dat Nederland in 1945 in Indonesië ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ was beland. Dat het onderzoek zich beperkte tot het geweld na 17 augustus 1945 (proclamatie Republiek Indonesië) betekent volgens Hoek bovendien dat lezers het zicht is ontnomen op de lange traditie van koloniaal geweld, die na 17 augustus 1945 werd voortgezet.

Soekarno leest de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring voor. Rechts in witte kleding Hatta. Het is 17 augustus 1945 en heel veel is nog onzeker.
Soekarno roept op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uit.

Onderlinge twist

Dat het binnen de onderzoeksgroep niet altijd boterde, blijkt eveneens uit Hoeks beschouwing. Alleen al over de naam van het onderzoek ontstond onenigheid. Diverse onderzoekers wilden de term ‘dekolonisatie’ daarin vervangen door ‘onafhankelijkheid’. Die onafhankelijkheid was immers op 17 augustus 1945 uitgeroepen; waaraan Nederland vervolgens begon, was een poging tot hernieuwde kolonisatie. Dus: geen dekolonisatie maar rekolonisatie. De onderzoeksleiding handhaafde de term ‘dekolonisatie’, al werd er als concessie wel ‘onafhankelijkheid’ aan toegevoegd.

Een tweede intern dispuut ging erover wie het samenvattende boek Over de grens zou(den) schrijven. De onderzoeksleiding zette Oostindie als enige auteur in, maar daartegen rezen bezwaren. Na liefst twee jaar onderlinge twist, noteert Hoek, kwam er een aanpassing: de leiders van de deelprojecten werden als auteurs toegevoegd. Maar het pleidooi ook onafhankelijke internationale ‘stemmen’ toe te laten tot het schrijverscollectiefje werd terzijde gelegd.

Net als critici van buiten stelt Hoek aan de orde dat – behoudens een paar vermeldingen in andere dan het samenvattende boek – de term ‘oorlogsmisdaden’ is vermeden. Ook daarover hoefde Rutte dus geen excuses aan te bieden. Best raar vindt Hoek het dat een van de onderzoeksleiders, Frank van Vree, kort na de bekendmaking van de conclusies zei dat het misschien toch beter was geweest te reppen over ‘extreem geweld inclusief oorlogsmisdaden’.

Straffeloosheid

Uit de ODGOI-resultaten valt op te maken dat ‘straffeloosheid’ een rol speelde bij het extreme geweld van Nederlandse zijde. Militairen die zich aan wandaden te buiten gingen, werden zelden ter verantwoording geroepen en bestraft. Als dat de toepassing van extreem geweld al niet heeft bevorderd, dan heeft het er in elk geval niet toe bijgedragen dat geweld in te perken.

Frantz Fanon
Frantz Fanon
Maar met die termen extreem geweld en straffeloosheid is volgens Susie Protschky en Pepijn Brandon (beiden verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam) een probleem. Ze vinden dat ‘deze termen te weinig theoretisch onderbouwd blijven’. Daardoor worden naar hun mening ‘de belangrijke verschillen tussen het geweld van de kolonisator en de gekoloniseerden onzichtbaar’. Tevens bieden die termen daardoor volgens hen ‘onvoldoende houvast in de discussie over historische verantwoordelijkheid en implicatie’. En dat, memoreren ze, terwijl al sinds Frantz Fanons befaamde boek Les Damnés de la Terre (De verworpenen der aarde, 1961) duidelijk is dat geweld van antikoloniale opstandelingen anders moet worden bekeken dan geweld van de koloniale macht. Jammer is wel dat Protschky en Brandon niet goed weten uit te leggen wat met de onderbouwing van de termen extreem geweld en straffeloosheid in de ODGOI-publicaties precies mis zou zijn en hoe het dan volgens hen wel zou moeten.

‘Gewone mensen’

Katharine McGregor (University of Melbourne, Australië) is op zichzelf goed te spreken over het tweetalige boek Meniti Arti/Sporen vol betekenis dat uit het ODGOI-onderzoek voortkwam. Daarin wordt een stem gegeven aan gewone mensen, die in de archieven niet voorkomen. Hoe ondergingen zij de periode 1945-1950 in Indonesië? Wel hadden de samenstellers van dit boek volgens McGregor de vraag moeten opwerpen hoe het komt dat bepaalde perspectieven die in dit boek wel aan de orde komen elders niet of nauwelijks aandacht krijgen. Ze doelt onder meer op Nederlandse communisten die weigerden in Indonesië dienst te doen. En op politiek linkse vrouwen in Indonesië die een belangrijke rol speelden in het verzet tegen Japan (1942-1945) en Nederland (1945-1950).

Sporen vol betekenis / Meniti Arti
 
Politiek links in de geschiedschrijving veronachtzamen is volgens McGregor geen exclusief Nederlands verschijnsel, het speelt nog vele malen sterker in Indonesië sinds de militaire machtsgreep in 1965. Ook etnische Chinezen in Indonesië rekent McGregor tot de groepen die in de geschiedschrijving te weinig aandacht krijgen.

De Indonesische auteurs Farabi Fakih (Universitas Gadjah Mada, Yogyakarta) en Grace T. Leksana (Universiteit Utrecht) komen via het ODGOI-onderzoek als vanzelf uit bij de geschiedschrijving in Indonesië. Zo stelt Grace Leksana de vraag: “Hoe kunnen Indonesiërs baat hebben bij een publicatie over Nederlands geweld?’’ Haar antwoord: “Publicaties als ‘Beyond the Pale/Over de grens’ kunnen zinvol zijn ter versterking van het democratisch proces van geschiedschrijving in Indonesië.’’ En:

Gezien de erfenis van een door de staat en het leger gedomineerde Indonesische geschiedschrijving sinds het tijdperk van de Nieuwe Orde (1966-1998) worstelen Indonesiërs met het loskomen van een nationale historiografie waarin de neiging zichtbaar is om het eigen gewelddadige verleden ofwel te verzwijgen of om het te rechtvaardigen vanuit het idee dat de nationale eenheid zo wordt gevrijwaard.

Als voorbeelden van verzwegen of goedgepraat geweld noemt ze de moorden op echte of vermeende communisten (1965-1966), de militaire invasie in Oost-Timor (1975-1999), het militaire geweld in Atjeh (1990-1998) en het aanhoudende geweld in Papua.

Anticommunistische propaganda in Indonesië
Anticommunistische propaganda in Indonesië in 1965. In 1965 en 1966 werden een half miljoen tot een miljoen communisten en vermeende communisten vermoord. (CC BY 3.0 – Davidelit – wiki)

Heldendom

Ook op de neiging in Indonesië om historisch heldendom te scheppen valt volgens Leksana heel wat af te dingen. Als voorbeeld noemt ze het bloedbad dat Nederlandse troepen in februari 1949 aanrichtten in het dorp Peniwen bij Malang (Oost-Java). In 1983 is daar een monument neergezet voor de ‘helden’ die het leven lieten. Leksana schrijft dat ze in 2023 in Peniwen een vrouw sprak, Rida, wier oom in 1949 door Nederlandse militairen is doodgeschoten. “Ik denk’’, aldus Rida, “dat degenen die in Peniwen worden herdacht geen helden waren. Het waren slachtoffers.’’ Leksana onderschrijft dat:

Ik zou zeggen dat het idee dat de revolutie ‘helden’ creëerde een mythe is. (…) de Revolutie bracht eerst en vooral slachtoffers voort.

Farabi Fakih sluit daarbij vrijwel naadloos aan. Allereerst constateert hij dat de conclusie dat Nederland in 1945-1950 heel veel geweld gebruikte Indonesische historici niet heeft verbaasd, aangezien die daaraan nooit hebben getwijfeld. En dan: “In plaats van de Nederlandse fixatie op wat er verkeerd ging en wie daaraan schuldig was, focust de Indonesische geschiedschrijving zich op het scheppen van helden en een romantisch verhaal over een opkomende natie-staat.”

Voorts constateert hij dat het geweld in 1945-1950 één ding is, maar dat Indonesië het moeilijker heeft met het bloedbad uit 1965-1966. De auteur spreekt de hoop uit dat de Indonesische maatschappij kan beginnen ‘de ziel van de Indonesische geschiedenis en identiteit’ te onderzoeken. Het project dat momenteel in Indonesië loopt om de ‘officiële geschiedenis’ te herschrijven biedt vooralsnog weinig hoop voor de pleidooien van bovengenoemde Indonesische historici.

×