Een storm van kritiek is in Indonesië opgestoken omdat ruim honderd historici in opdracht van de regering werken aan een nieuwe versie van de ‘officiële geschiedenis’ van het land. De vele critici vrezen dat tal van zwarte bladzijden, vooral uit de periode van president Soeharto’s Nieuwe Orde (1966-1998), zullen worden weggemoffeld of goedgepraat.
In opdracht van de regering komt er een nieuwe ‘officiële geschiedschrijving’ van Indonesië. Minister van cultuur Fadli Zon (volledige naam: Fadli Zon gelar Datuak Bijo Dirajo Nan Kuniang) kondigde het initiatief aan op 14 december 2024. Het moet resulteren in een tiendelige boekenreeks (per deel zo’n vijfhonderd pagina’s) die klaar moet zijn op 17 augustus 2025. Dan wordt gevierd dat de Republiek Indonesië precies tachtig jaar daarvoor werd uitgeroepen. Het is de bedoeling dat de nieuwe officiële geschiedschrijving ook wordt gebruikt in het Indonesische onderwijs, van basisschool tot en met universiteit. Het doel, verklaarde minister Fadli later, is ‘de Indonesische identiteit opnieuw uitvinden’.

Het eerste voorbeeld dat hij noemde, betreft vondsten die zijn gedaan in de Leang-Leang-grotten bij Maros (Zuid-Sulawesi). Tot voor kort werden die geschat op een ouderdom van zo’n vijfduizend jaar, maar ze blijken 40.000-52.000 jaar oud. “Onze prehistorie gaat verder terug dan die van bijvoorbeeld Egypte en landen in Europa’’, aldus Agus.
Het tweede voorbeeld betreft de Nederlandse aanwezigheid in de Indonesische archipel. Agus wees erop dat de kolonie niet 350 jaar heeft bestaan, zoals in schoolboeken staat, maar dat bijvoorbeeld Atjeh (op Sumatra) pas tegen 1920 geheel in Nederlandse handen was. Dat klopt. De Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) had het wel voor het zeggen in delen van wat nu Indonesië is, maar pas na de definitieve ondergang van de VOC op 31 december 1800 werd de koloniale staat Nederlandsch-Indië vormgegeven. En heer en meester in heel de archipel was Nederland inderdaad pas begin twintigste eeuw.

Felle protesten
Dat klonk allemaal vrij onschuldig en aanvankelijk bleef het na Fadli’s aankondiging dan ook stil. Dat veranderde echter in mei 2025 toen een dertig pagina’s tellend document naar buiten kwam met een beknopt overzicht van wat van de vernieuwde officiële geschiedschrijving kan worden verwacht. Toen gingen vele alarmbellen af. Onder meer historici, andere wetenschappers, verdedigers van mensenrechten en diverse media kwamen in het geweer. De storm is ook nu (1 juli 2025) nog allerminst gaan liggen.

Marzuki las een AKSI-manifest voor met vijf grote bezwaren tegen het project. Ten eerste: de geschiedschrijving wordt gemanipuleerd ten bate van de machthebbers. Ten tweede: officiële geschiedschrijving is een machtsmiddel om grenzen te stellen aan de vrijheid van meningsuiting. Punt drie: het project baant de weg voor autoritaire en zelfs totalitaire praktijken. Vier: het project betekent verraad aan het principe van de democratie, dat Indonesië eerder juist heeft gered van het Nederlandse kolonialisme en van het autoritaire Soeharto-bewind. Punt vijf tot slot: officiële geschiedschrijving verdonkeremaant de historische waarheid.
Vergelijking met Hitler en Mussolini
“Het gevaarlijkste is dat het nieuwe geschiedenisboek kan helpen de zonden weg te wassen van het huidige regiem (van president Prabowo Subianto, red.) en van het Nieuwe Orde-bewind (van president Soeharto, red.), toen schendingen van mensenrechten plaatsvonden’’, zei AKSI-voorman Marzuki tegen de DPR-commissie. Directeur Usman Hamid van Amnesty International Indonesia zette het nog scherper aan.
De geschiedenis laat zien dat alleen fascistische regiems als dat van Mussolini in Italië en dat van Hitler in Duitsland hun eigen pompeus herschreven versie van de geschiedenis maakten, vol manipulaties en censuur.
Hoewel het Indonesische parlement gewoonlijk niet erg moeilijk doet, kwamen ook vanuit de DPR enkele kritische opmerkingen. Voorzitter Hetifah Sjaifudin van de al genoemde commissie zei dat parlementariërs door het ministerie van cultuur niet zijn ingelicht over het herschrijf-plan. En DPR-voorzitter Puan Maharani, kleindochter van ’s lands eerste president, Soekarno, waarschuwde minister Fadli tegen wat ze noemde een verdraaide versie van de geschiedenis, een versie die past bij de politieke agenda van de regering.

Wat critici onder meer opviel in de voorlopige samenvatting van de nieuwe officiële geschiedenis is dat het erg mager is wat wordt vermeld over president Soekarno. Zo was hij de drijvende kracht achter de Azië-Afrika Conferentie in 1955 in Bandung. Het mondiale Zuiden sloot zich daar aaneen om zich te weren tegen het (oud-)koloniale Westen. Maar niets daarover in het samenvattende document.
Weggemoffelde wandaden

De voortekenen over de opgefriste ‘officiële geschiedenis’ zijn inderdaad niet bemoedigend. Op 30 september 1965 kwam een groep militairen in actie. Die vreesde dat een ‘raad van generaals’ de macht zou grijpen. Ze namen daarom een aantal generaals gevangen en doodden hen. Volgens het officiële verhaal van het Soeharto-bewind ging het om een door communistische partij PKI opgezette couppoging. Historici hebben die versie al lang naar het rijk der fabelen verwezen. Niettemin zei minister Fadli op 6 mei in een toespraak in Zuid-Jakarta: “Het is heel duidelijk hè. De PKI wilde destijds de staatsmacht overnemen. Waar is de controverse? Er is geen controverse.”
Alles overziend verwacht ook de redactie van het Indonesische weekblad Tempo van de officiële geschiedschrijving weinig goeds. In een commentaar in het blad viel eind mei te lezen:
Het publiek moet een ‘tegen-geschiedenis’ schrijven die completer is, die doelbewust terzijde geschoven historische gebeurtenissen opdiept en die expres gemaskeerde feiten presenteert.

Soeharto als Nationale Held
Politiek wetenschapper Ariel Heryanto, eerder verbonden aan de universiteit in Salatiga (Midden-Java), nu hoogleraar aan de Monash University in Melbourne (Australië), vroeg zich in mei af of het toeval is dat het geschiedschrijfproject samenvalt met aanwijzingen dat voormalig president Soeharto (overleden in 2008) zal worden uitgeroepen tot Nationale Held. De vraag was retorisch, want uit zijn beschouwing in dagblad Kompas valt op te maken dat Ariel Heryanto bedoelt: nee, dat is ongetwijfeld geen toeval.
Alvorens hierover verder te gaan, is het goed even heel kort te kijken naar het verleden van minister Fadli. Toen in 1998 enorme massa’s studenten in Jakarta de straat op gingen om het aftreden van president Soeharto te eisen, bevond de nog jonge Fadli (geboren in 1971) zich onder de demonstranten. Later koos hij echter de zijde van Soeharto’s bewonderaar en voormalige schoonzoon Prabowo. Een van de oprichters van diens rechts-populistische partij Gerindra in 2008 was Fadli. Sterker nog, de minister heeft zich in het recente verleden lovend uitgelaten over Soeharto, vooral vanwege de economische resultaten in de beginperiode van diens bewind. In mei deed de minister er nog een schepje bovenop:
Al lange tijd ben ik van mening dat Soeharto moet worden beschouwd als een nationale held.

En zie: begin juni werd Fadli voorzitter van de Dewan Gelar, Tanda Jasa dan Tanda Kehormatan (GTK, Raad voor eretitels, tekenen van verdienste en eerbewijzen). Deze raad adviseert de president jaarlijks wie het verdienen te worden verheven tot Nationale Held. De provincie Midden-Java, waar Soeharto in 1921 werd geboren, heeft de voormalige president dit jaar genomineerd voor de heldenstatus.

Critici denken nu een uitruil te zien: een toezegging van Prabowo over Marsinah om de vakbeweging rustig te houden als de in die kringen bepaald niet geliefde Soeharto later dit jaar tot Nationale Held wordt verheven, waartoe de bevoegdheid ligt bij de president. Activisten voor vrouwenrechten verwerpen Prabowo’s manoeuvre, tenzij de moord op Marsinah alsnog wordt onderzocht en erkend als schending van mensenrechten, zo meldde The Jakarta Post op 28 mei.
Verkrachtingen
Alsof de gemoederen in verband met de ‘officiële geschiedschrijving’ nog niet verhit genoeg waren, gooide minister Fadli op 11 juni nog extra olie op het vuur. Op het Youtube-kanaal van nieuwsplatform IDN Times verklaarde hij in een interview met hoofdredacteur Uni Zulfiani Lubis dat de massale verkrachtingen van etnisch-Chinese Indonesische vrouwen in 1998, in de van geweld vervulde weken vlak voor Soeharto’s aftreden, slechts ‘een gerucht’ zijn. De nieuwe officiële geschiedschrijving moet volgens de bewindsman geruchten ontzenuwen.
Bakken kritiek kreeg hij vervolgens over zich heen, ook van de Indonesische studentenvereniging in Nederland. Deze Perhimpunan Pelajar Indonesia Belanda stelde dat Fadli zich voor zijn uitspraken publiekelijk moet verontschuldigen bij de slachtoffers en hun families. De algemene teneur van alle kritiek: de minister ontkent feiten die niet alleen algemeen bekend zijn, die niet alleen door onderzoekers zijn vastgesteld, maar die ook door de staat zijn erkend. Verder bewijst de uitspraak van de minister volgens Amnesty-directeur Usman Hamid dat de regering met het herschrijven van de officiële geschiedenis zwarte bladzijden wil wissen die zijn achtergelaten door de machthebbers, inclusief huidig president Prabowo.

De werkelijkheid rond het verkrachtingsdrama is deze. Al snel nadat hij eind mei 1998 Soeharto was opgevolgd als president stelde Bacharuddin Jusuf Habibie een fact-finding team samen om de zaak te onderzoeken. Het ging voornamelijk om vergrijpen in Jakarta van 4 tot 8 mei 1998, maar ook een aantal in Surabaya (Oost-Java) en Medan (Noord-Sumatra). Eind oktober 1998 rapporteerden de onderzoekers over 52 gevallen van verkrachting (meestal in geplunderde huizen en op straat) en 33 andere gevallen van seksueel geweld. Nadien kwamen bij het onderzoeksteam nog rapporten binnen over honderden slachtoffers van seksueel geweld in Medan plus enkele in Jakarta, Surabaya en Solo (Oost-Java).
Ook de Nationale Commissie voor Mensenrechten (Komnas HAM) kwam na onderzoek met een rapport. Al het materiaal is in 2003 overgedragen aan de hoogste openbare aanklager, maar die heeft er geen vervolg aan gegeven. Wel verklaarde president Joko Widodo in januari 2023 dat het geweld uit mei 1998 plus elf andere ‘incidenten’ door de staat worden erkend als ernstige mensenrechtenschendingen. Sterke aanwijzingen dat het Indonesische leger de hand had in de verkrachtingen in mei 1998 zijn overigens nimmer onderzocht.

In reactie op de publieke verontwaardiging over zijn uitspraken tegenover IDN Times liet minister Fadli op 17 juni in een schriftelijke verklaring weten dat hij nooit heeft ontkend dat er in mei 1998 sprake was van seksueel geweld. Wel waarschuwde hij om voorzichtig te zijn met de term ‘massaal’. Volgens hem is het onjuist om te spreken over ‘massale’ verkrachtingen en ander seksueel geweld, aangezien onderzoek naar Fadli’s zeggen geen systematisch patroon heeft aangetoond.
Wijzend op de criteria die de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties hanteert voor massale verkrachting (wijdverspreid, systematisch, begaan door meer dan één persoon, gericht tegen slachtoffers uit een bepaalde etnische of religieuze groep) verwees weekblad Tempo de beweringen van de minister naar de prullenbak. Op 26 juni protesteerden activisten voor de deur van Fadli’s ministerie. Ze keerden zich zowel tegen de uitspraken van de minister over de verkrachtingen in mei 1998 als tegen het herschrijven van de officiële geschiedenis.
Eerder al deed Fadli alle kritiek op de nieuwe ‘officiële geschiedschrijving’ af als prematuur en holle praat. Eind mei en begin juni zei hij dat diverse van de tien boekdelen voor 50 tot 70 procent af waren, enkele al helemaal. Als het geheel tot zo’n 60 à 70 procent is gevorderd begint een ‘publieke testfase’, dan kunnen volgens de minister per thema discussies worden gevoerd met experts die niet bij het project zijn betrekken. Hij dacht daarbij aan eind juni of in juli. Op dit moment (1 juli 2025) is nog niets gepubliceerd. Even afwachten dus.
Prabowo: president Indonesië met bezoedeld verleden
Pater Joop Beek: de wajangspeler die in Jakarta aan veel touwtjes trok
Een dag uit het leven van een Indische ‘voormoeder’
Nederlandse moordcommando’s op Java
‘Er was in Indonesië orde en rust, totdat de Nederlanders terugkeerden’