Afgelopen vrijdag konden media na drie jaar wachten eindelijk melden dat de wereldberoemde fossielencollectie van Eugène Dubois van Naturalis in Leiden teruggaat naar Indonesië. Een blik op de onderliggende documenten leert dat die beslissing is gebaseerd op gedegen onderzoek. Het leverde overtuigende argumenten op voor de conclusie dat de Indonesische aanspraken op de collectie-Dubois zo sterk zijn dat teruggave ervan het enige juiste besluit is.
Gegrepen door de evolutietheorie van Charles Darwin ging de in Zuid-Limburg geboren en in Amsterdam tot medicus opgeleide Eugène Dubois (1858-1940) in de toenmalige kolonie Nederlands-Indië op zoek naar fossielen, eerst op Sumatra, maar al snel op Java. Bij het plaatsje Trinil (Oost-Java) boekte hij succes. Uit de oevers van de Solo-rivier kwamen daar, naast heel veel ander materiaal, in 1891 en 1892 botfragmenten aan het licht die tot op de huidige dag topstukken zijn van de Dubois-collectie: een kies, een bijbeen en een schedelkapje.
Missing link

In 1895 keerde Dubois terug naar Nederland. Het schedelkapje, het dijbeen en de kies nam hij zelf mee in een bruin leren koffertje, de rest van zijn fossielenverzameling volgde in honderden kisten. Uiteindelijk kwam alles terecht in Leiden bij het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie. Sinds 1998 heet dat Naturalis Biodiversity Center. Het was dan ook in Naturalis dat minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Gouke Moes (BBB), luttele drie weken na zijn aantreden het besluit bekendmaakte de Dubois-collectie terug te geven aan Indonesië. Aan de Indonesische minister van Cultuur, Fadli Zon, overhandigde hij een brief waarin dat is vastgelegd.

De collectie
Op de eigen website geeft Naturalis kernachtig weer waarom het hier eigenlijk gaat. Zo is de Dubois-collectie en wat aan Indonesië wordt teruggegeven niet helemaal hetzelfde. De vraag wat de collectie omvat, beantwoordt Naturalis zo:
En dus ook het bruine koffertje waarin Dubois de drie topstukken meenam naar Nederland. Over wat nu aan Indonesië wordt teruggegeven schrijft Naturalis dit:
De oorspronkelijk uit Indonesië afkomstige Dubois-collectie, inclusief de zogeheten metadata (beschrijvingen, red.) gaan nu terug naar Indonesië. Dat zijn in elk geval zo’n 28.000 fossielen, waaronder de topstukken: de schelp, het schedelkapje, de kies en het dijbeen van de door Dubois beschreven Pithecanthropus (nu Homo erectus).
Genoemde schelp is inderdaad ook iets heel bijzonders. Het is een ongeveer een half miljoen jaar oude mosselschelp. In 2014 werd daarop een ingekrast zigzaglijntje ontdekt – een van de oudste creatieve uitingen van mensachtigen, of wellicht dé oudste.

Omslag in beleid
De hamvraag is uiteraard waarom nu is besloten tot teruggave. De Dubois-collectie is immers al bijna een eeuw onderwerp van getouwtrek, eerst (1931) tussen Nederlands-Indië en Nederland, in de jaren vijftig en zeventig van de twintigste eeuw tussen Indonesië en Nederland. Bij die gelegenheden gaf Nederland geen krimp, nu wel. Voor een goed begrip van die omslag moeten we terug naar 2021.
In januari dat jaar stuurde minister van OCW Ingrid van Engelshoven (D66) aan de Tweede Kamer haar Beleidsvisie collecties uit een koloniale context. In gewoon Nederlands uitgedrukt, stond daarin, ultrakort samengevat: als we op een niet zo’n nette manier aan een collectie zijn gekomen, moeten we die teruggeven. In juli 2022 zond staatssecretaris van OCW Gunay Uslu (D66) de Kamer een brief over ‘de implementatie van de beleidsvisie’. Belangrijk bij die implementatie was de instelling, op 6 september 2022, van de Adviescommissie teruggave cultuurgoederen uit koloniale context, kortweg de Commissie Koloniale Collecties. Voorzitter werd juriste en oud-staatsraad Lilian Gonçalves-Ho Kang You.
De commissie kon meteen aan de bak, want kort daarvoor, op 1 juli 2022, had Indonesië de staatssecretaris van OCW officieel gevraagd om teruggave van de Dubois-collectie. Die is in beheer bij Naturalis, maar volgens lang volgehouden Nederlands standpunt eigendom van de Nederlandse staat. Daar begon voor de adviescommissie meteen de vraagstelling. Want is de Nederlandse staat wel de rechtmatige eigenaar? En als dat niet zo zou zijn, hoe zit het dan wel? Bovendien: is de Nederlandse staat, indien inderdaad de eigenaar, wel op een nette manier aan de collectie gekomen?

Breed onderzoek
Om te beginnen heeft de commissie zelf met allerlei deskundigen uit binnen- en buitenland gesproken. Vervolgens is aan Naturalis gevraagd in een rapport de collectie-Dubois en het wetenschappelijke belang ervan te beschrijven, tevens te beschrijven hoe de opgravingen van Dubois zijn verlopen en wat er daarna met de collectie is gebeurd. Aan het Expertise Centrum Restitutie van oorlogsinstituut NIOD is ook onderzoek en rapportage gevraagd.
Vier NIOD-onderzoekers bogen zich over vragen als: hoe zat het tijdens Dubois’ opgravingen juridisch met grondeigendom ter plekke, hoe keek de lokale Javaanse bevolking aan tegen het verwijderen van de fossielen, hoe zat het juridisch met de eigendomsverwerving van de fossielen en hun export naar Nederland en hoe verliepen de discussies in de jaren vijftig en zeventig over eventuele teruggave van de collectie aan Indonesië? Aanvullend is aan twee juristen gevraagd om hun kijk op de zaken te geven. Die twee zijn dr. Tristam Pascal Moeliono, verbonden aan de Universitas Katolik Parahyangan in Bandung, en prof.mr. Jelle E. Jansen, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Uit al deze onderzoeken en rapportages blijkt dat het bij de Dubois-collectie gaat om een complexe materie met ook wel witte vlekken. Wat betreft die witte vlekken: de relevante archieven zijn koloniale archieven, samengesteld door of onder verantwoordelijkheid van de koloniale machthebbers van destijds. Plaatselijke eigendomsverhoudingen in en rond dorpen en meningen of protesten van lokale Javaanse boeren vonden naar die archieven niet hun weg. De Commissie Koloniale Collecties spreekt over ‘stiltes’ in de bronnen. Dat betekent dat onderzoekers bepaalde vragen niet met volledige zekerheid kunnen beantwoorden. Wel blijkt uit de rapportages dat ze bij de belangrijkste vragen ver zijn gekomen.
Opdrachtgevers en eigendomsrechten
Het eenvoudigst was de vraag hoe het zat met Dubois’ opdrachtgevers. Dat is van belang voor een begin van het antwoord op de vraag wie eigenaar of was van de Dubois-collectie. In 1887 arriveerde Dubois op Sumatra als medisch officier van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Hij wist tijd te regelen om zijn zoektocht naar fossielen te beginnen. In 1889 werd hij ter beschikking gesteld van het (Indische) Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid, dat hem in staat stelde zijn onderzoek voort te zetten, eerst nog even op Sumatra, daarna op Java.

En dan is er nog het eigendomsvraagstuk vanaf het moment dat de collectie-Dubois in Nederland arriveerde. Vanuit Batavia werd gesteld dat het niet ging om een simpele gift aan het toenmalige Nationaal Museum voor Geologie en Mineralogie in Leiden. In juli 1895 schreef minister van Koloniën Jacob Hendrik Bergsma dat de collectie aan dat museum zou worden gedoneerd nadat Dubois het geheel eenmaal zou hebben bewerkt en onderzocht. In de jaren dertig viel datzelfde te vernemen van minister van Koloniën (en premier) Hendrikus Colijn. Het punt hierbij is: toen Dubois in 1940 overleed, was hij met dat werk aan de collectie nog niet klaar.
Alleen al deze zaken wijzen erop dat het hier gaat om een weerbarstig vraagstuk. Dat wordt nog lastiger als de vraag wordt gesteld uit wiens grond Dubois’ fossielen bij Trinil tevoorschijn zijn gehaald. Dat is van belang omdat fossielen onlosmakelijk met de grond zijn verbonden. Was het grond van de Indische staat, dan gold het Burgerlijk Wetboek van Nederlandsch-Indië. Maar zeer waarschijnlijk was het ofwel grond van een of meer individuele boeren ofwel collectieve grond van de dorpsgemeenschap als geheel. Dan gold het traditionele, ongeschreven adatrecht.
Hoe dan ook zou er een overeenkomst moeten zijn waarin het eigendom van de fossielen werd overgedragen – logischerwijs aan de Indische staat. Zo’n document is niet aangetroffen. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden dat door of namens Dubois (schade)vergoeding is betaald aan een of meer boeren of de dorpsgemeenschap, terwijl de Javaanse schilder/onderzoeker Raden Saleh dat elders op Java wel had gedaan toen hij met opgravingen schade aan rijstvelden had toegebracht.

Koloniale context
Verder laten de rapporten zien dat Dubois’ opgravingen plaatsvonden in een koloniale context en wat dat betekende. Voor lokale boeren, die vaak heel goed wisten waar fossielen te vinden waren, hadden die fossielen onder meer economische waarde. Ze konden ze verkopen aan Chinese handelaren, die ze fijnmaalden en verwerkten in medicinale middeltjes. Er zijn redelijk sterke aanwijzingen dat onwillige dorpsbewoners onder bedreiging met straf onder druk zijn gezet om vindplaatsen aan te wijzen. Behalve economische hadden fossielen voor de lokale bevolking ook culturele waarde. Zo geloofden ze dat een locatie waar veel fossielen in de grond zaten een ‘slagveld van reuzen’ was geweest – mythische reuzen. Ze spraken dan ook over ‘balung buto’ of ‘tulang raksasa’ (reuzenbotten).
Verder deed Dubois dat opgraven niet zelf maar stelde de regionale koloniale overheid hem daarvoor enkele tientallen dwangarbeiders ter beschikking. Als er arbeidskrachten uitvielen, wat door ziekte (malaria bijvoorbeeld) nogal eens gebeurde, dan werden plaatsvervangers gestuurd. Zo maakte Dubois dus ten volle gebruik van de koloniale machtsverhoudingen.
Ethische kwestie
Met behulp van al deze en nog veel meer in de rapporten opgevoerde gegevens moest de Commissie Koloniale Collecties tot een oordeel komen. Nu gaat het hier niet om teruggave van ‘gewone’ roofkunst, maar om een collectie ‘natuurhistorische specimina’ – heel oude voorwerpen (fossielen) die in de natuur zijn gevonden. Dus vroeg de commissie zich af: is de beleidsvisie die minister Van Engelshoven ontvouwde wel van toepassing? Ja, stelt de commissie. Het betreft immers niet zomaar iets vinden in de natuur, maar…
…het zijn mensen geweest die de fossielen hebben gelokaliseerd, opgegraven, onderzocht, beschreven en tentoongesteld en daarmee (wetenschappelijke) waarde aan de fossielen hebben toegevoegd.
Wat betreft het eigendomsvraagstuk concludeert de commissie het volgende. Als Dubois’ fossielen zijn opgegraven uit grond van de koloniale staat, dan zijn ze eigendom geworden van Nederlands-Indië. Kwamen de voorwerpen uit grond van individuele boeren of de hele dorpsgemeenschap, dan is Nederlands-Indië geen eigenaar geworden, maar slechts ‘houder’ van de fossielen. Maar in elk geval was Nederlands-Indië eigenaar dan wel houder van de fossielen en niet Nederland. Verder concludeert de commissie – in navolging van de bevindingen van prof. Jansen – dat ‘er nooit eigendomsoverdracht van Nederlands-Indië aan de Nederlandse staat heeft plaatsgevonden’.

Dat is des te meer nodig, vindt de commissie, omdat naar haar oordeel uit de rapportages duidelijk blijkt dat het opgraven en afvoeren van de fossielen is gebeurd ‘in de context van een koloniaal systeem dat gestoeld was op geweld, uitbuiting en ongelijke machtsverhoudingen’. Tegen die achtergrond maken de door de onderzoekers op tafel gelegde feiten en omstandigheden het volgens de commissie ‘aannemelijk dat de fossielen tegen de wil van de bevolking zijn weggenomen en dat de bevolking hiermee onrecht is aangedaan’. Alles overziend adviseert de commissie de minister van OCW tot ‘onvoorwaardelijke teruggave’ van de collectie-Dubois. En minister Moes heeft inmiddels dus besloten dat advies te volgen.
De overdracht
Een Nederland-Indonesische team van experts gaat nu uitwerken hoe de overdracht van de Dubois-collectie heel praktisch moet worden geregeld. Hoe lang de overdracht gaat duren valt niet precies te zeggen, zo blijkt uit berichten in Nederlandse en Indonesische media. De meldingen variëren van ‘ongeveer een jaar’ tot ‘enkele jaren’. Tot wanneer het schedelkapje, het dijbeen, de kies en de schelp nog in Naturalis te zien zijn, is onbekend, aldus de website van het museum.

Ook is nog onbekend waar de collectie in Indonesië wordt ondergebracht. Persbureau ANP schreef ‘hoogstwaarschijnlijk het nationale museum van Jakarta’, maar het Indonesische persbureau Antara en andere Indonesische media meldden er niets over. Op zichzelf is het Nationaal Museum in Jakarta – in de volksmond wel ‘museum gajah’ (olifantmuseum) of ‘gedung gajah’ (olifantgebouw) genoemd vanwege het beeld van een olifant op het voorplein – een logische plek. Maar een andere optie zou kunnen zijn het Geologisch Museum in Bandung (West-Java), waar al veel fossielen liggen opgeslagen en worden onderzocht. Daar liggen bijvoorbeeld ook de 6.372 fossiele botfragmenten en tanden van dieren en Homo erectus die Nederlander Harold Berghuis vond in Straat Madura (Oost-Java) en waarover Historiek eerder berichtte.
Wie zelf de onderzoeksdocumenten wil bekijken die hebben geleid tot het advies van de commissie en het besluit van de minister tot teruggave van de Dubois-collectie aan Indonesië kan die hier vinden.
Eugène Dubois, de ontdekker van de Javamens
Nederlander doet unieke archeologische vondst bij Surabaya
Lang wachten op besluit teruggave Dubois-collectie aan Indonesië
Geen missing link, wel 10.000 fossielen: de herwaardering van Dubois’ werk op Sumatra
Doodgeslagen met de gaspijp
KAIS – Een gewaagde redding in Nieuw Guinea (1944)
Rare snoeshaan! – Betekenis en herkomst