Nederlander doet unieke archeologische vondst bij Surabaya

Eerste resten gevonden van mensen die leefden in Sundaland
11 minuten leestijd
Harold Berghuis in het Geologisch Museum in Bandung met een van de door hem gevonden schedelfragmenten van Homo erectus.
Harold Berghuis in het Geologisch Museum in Bandung met een van de door hem gevonden schedelfragmenten van Homo erectus. - Foto: Harold Berghuis

Nederlander Harold Berghuis deed een unieke archeologische vondst in de Straat Madura, de zeestraat tussen Java en Madura. Als eerste vond hij op het Sundaplat botresten van de uitgestorven mensensoort Homo erectus. Dat Sundaplat is nu zeebodem. Heel lang geleden was het een reusachtige, droog liggende vlakte (Sundaland) die de huidige Indonesische eilanden Sumatra, Borneo, Java, Madura en Bali verbond met het Aziatische vasteland. Berghuis’ uitzonderlijke vondst uit 2015 en 2018 geeft aanleiding tot intrigerende conclusies.

De vondst van Harold Berghuis (1969) roept herinneringen op aan die van een andere Nederlander, Eugène Dubois (1858-1940). Die deed bij Trinil (Oost-Java) beroemd geworden vondsten in de oever van Bengawan Solo (de Solo-rivier). In 1891 kwamen een schedelkapje en een kies aan het licht, in 1892 een dijbeen. De fossielen zijn tussen een half miljoen en een miljoen jaar oud. Dubois stelde dat hij de ‘missing link’ (ontbrekende schakel) had gevonden tussen aap en mens.

Schedelkapje, dijbeen en kies
De beroemdste stukken uit de Dubois-collectie in Naturalis in Leiden: schedelkapje, dijbeen en kies, gevonden op Java, bij Trinil langs de Solo-rivier. (CC BY-SA 4.0 – Peter Maas – wiki)
Schedelkapje, kies en dijbeen schreef hij toe aan wat hij noemde de Pithecantropus erectus (rechtopgaande aapachtige mens). Na latere vondsten in China is die term geschrapt. Tegenwoordig spreken wetenschappers over Homo erectus (rechtopgaande mens), waarvan Dubois dus als eerste enkele overblijfselen vond. Dat is ook precies waarom die drie stukken bot, die zich bevinden in Naturalis in Leiden, wereldberoemd zijn. Indonesië wil ze graag terug hebben, maar daarover heeft de Nederlandse overheid op dit moment (juli 2025) nog geen besluit genomen.

Graven in de oever van de Solo-rivier deed Dubois niet zelf. Voor dat werk waren hem ongeveer veertig dwangarbeiders toegewezen. Ook kon hij beschikken over twee militairen van het koloniale leger (KNIL) die op de dwangarbeiders toezicht hielden. Wat Dubois wél zelf deed, was de fossielen die in kisten bij hem thuis werden afgeleverd bekijken, selecteren en beschrijven.

Baggeren

Bij Berghuis ging dat heel anders. Met zijn Amsterdamse eenmansbedrijfje Sealand Coastal Consultancy, gespecialiseerd in kustbeheer en kustontwikkeling, werkte Berghuis in 2014 en 2015 voor een project in Straat Madura. Opdrachtgever was PT Pelabuhan Indonesia III (Pelindo III), het staatsbedrijf dat exploitant is van onder meer Tanjung Perak, de haven van Surabaya (Oost-Java). Vlak voor die haven zoog het Indonesische dochterbedrijf van een van ’s werelds grootste baggermaatschappijen, Koninklijke Van Oord uit Rotterdam, ruim vijf miljoen kubieke meter zand en zandsteen van de bodem van Straat Madura. Gezogen werd van 20 tot 32 meter onder het gemiddelde zeeniveau. Verderop in de zeestraat, bij de plaats Gresik, werd met dat zand een kunstmatig eiland gemaakt voor Pelindo III-dochter PT Berlian Manyar Sejahtera (BMS).

luchfoto PT Berlian Manyar Sejahtera
Luchtfoto van het voor terminaloperator PT Berlian Manyar Sejahtera (BMS) aangelegde eiland waar Berghuis fossielen verzamelde. – Illustratie uit Quaternary Environments and Humans

Toen dat honderd hectare grote BMS-eiland net klaar was, nam Berghuis er in juli 2015 een kijkje. Hij wist niet wat hij zag. “Het was niet normaal. Een onafzienbare zandvlakte, hélemaal vol met fossielen’’, vertelde hij onlangs in een interview met Leidsch Dagblad. Anders dan Dubois ging Berghuis eigenhandig aan de slag. Op zijn knieën vulde hij van juli tot september 2015 de ene na de andere kartonnen doos met fossielen die hij aan de oppervlakte zag. Later werd in het BMS-eiland gegraven om infrastructuur aan te leggen voor de afhandeling van zeevracht. Daardoor kwamen meer fossielen tevoorschijn. In 2016, 2017 en 2018 sloeg Berghuis daarom opnieuw aan het verzamelen.

Liefst 6.372 fossiele botfragmenten en tanden zijn overgebracht naar het Geologisch Museum in Bandung (West-Java). Driekwart varieert in grootte van vijf millimeter tot acht centimeter, een kwart is groter, met enkele uitschieters tot zo’n twintig centimeter. In Bandung zijn de fossielen eerst schoongemaakt en voorlopig geordend, klaargemaakt dus voor nader onderzoek. Vergelijkingsmateriaal is bekeken in het Trinil Museum (Java), in Naturalis (Leiden), in de zoölogische laboratoria van de universiteiten in Leiden en Tübingen en in het Museum für Naturkunde in Berlijn.

BMS eiland
De enorme vlakte van het BMS-eiland waar Berghuis de ene na de andere kartonnen doos vulde met botfragmenten die hij uit het zand haalde. – Illustratie uit Quaternary Environments and Humans

Assistentie

Bij zijn vondsten had Berghuis een voordeel en een nadeel. Het voordeel was dat hij is geschoold als geoloog, wat hielp bij het doorgronden van niet alleen de bodemlagen waaruit de fossielen tevoorschijn kwamen, maar ook van, in zijn woorden, ‘de grotere geologische context’. Daartegenover stond als nadeel: hij was geen archeoloog. De Leidse emeritus hoogleraar archeologie Thijs van Kolfschoten bood echter de helpende hand. Bij de wetenschappelijke publicaties over Berghuis’ vondsten staat Van Kolfschoten vermeld als degene die de ‘supervisie’ op zich nam.

Aan het onderzoek naar de vondsten hebben overigens nog zo’n twee handen vol andere wetenschappers uit Nederland, Indonesië, Australië, Duitsland en Japan meegewerkt. Later dit jaar (2025) hoopt Berghuis op zijn opmerkelijke project te promoveren – in de archeologie.

Sundaplat
Ooit lag het Sundaplat (Engels: Sunda Shelf) droog, waardoor de huidige eilanden Sumatra, Borneo, Java en Madura toen verbonden waren met het huidige Aziatische vasteland. – Illustratie uit Quaternary Environments and Humans

Een reusachtige vlakte: Sundaland

Het geologische tijdvak waaruit de vondsten uit Straat Madura stammen, is het Pleistoceen. Dat strekte zich uit van 2,6 miljoen tot 11.700 jaar geleden. Daarna begon het Holoceen, waarin we ook nu nog leven. Iets preciezer dateren de vondsten uit het late Midden-Pleistoceen, dat liep van 780.000 tot ongeveer 125.000 jaar geleden. Volgens het onderzoek is de ‘meest waarschijnlijke’ ouderdom van de botfragmenten uit Straat Madura tussen de 146.000 en 131.000 jaar.

De huidige Straat Madura was in het late Midden-Pleistoceen een deel van wat de Nederlandse geoloog Reinout Willem (Rein) van Bemmelen (1904-1983) in 1949 voorstelde om Sundaland te noemen. Die naam ontleende hij aan het koninkrijk Sunda, dat tussen het einde van de zevende en de late zestiende eeuw West-Java en de westelijke helft van Midden-Java omvatte.

Dat Sundaland lag vanaf 2,6 miljoen jaar geleden meestal droog. Het was een reusachtige vlakte die de Indonesische eilanden Sumatra, Borneo, Java, Madura en Bali verbond met het Aziatische vasteland. Dat duurde tot 125.000 à 123.000 jaar geleden. Toen kwam het door zeespiegelstijging definitief onder water te staan. Tegenwoordig vinden we er de vrij ondiepe Javazee, de Golf van Thailand en delen van de Zuid-Chinese Zee. En dus ook Straat Madura.

zand madura
Het gele ovaal geeft de plek aan waar in Straat Madura zand werd gewonnen en ook de duizenden door Berghuis verzamelde botfragmenten naar boven werden gehaald. Het geel linksboven is het met het zand gevormde kunstmatige BMS-eiland waar Berghuis zijn vondsten vergaarde. De donkere strook in het midden van Straat Madura geeft de prehistorische bedding aan van de Solo-rivier. – Illustratie uit Quaternary Environments and Humans

Voor Berghuis’ vondsten is het belangrijk dat zich op de plek van de huidige Straat Madura in het late Midden-Pleistoceen de benedenloop bevond van Bengawan Solo, de Solo-rivier. Op zeker moment – Sundaland zakte iets, de zeespiegel steeg iets – werd het laatste stuk van die rivier fors verbreed tot een estuarium (breed water dat de overgang vormt tussen de rivier en de zee). Nog weer later ‘verdronk’ Sundaland en ontstond ter plekke Straat Madura. De voormalige bedding van de benedenloop van de Solo-rivier werd in stappen opgevuld met klei, zand en helemaal bovenop een laagje modder van de oevers van de zeestraat. Verborgen in het zand lagen de fossielen die baggeraar Van Oord opzoog en Berghuis vervolgens vond.

solo rivier
Doorsnede van de voormalige, later opgevulde bedding van de Solo-rivier. De rode stippellijn markeert waar het zand werd opgezogen. Van de zeebodem ter plekke bestaat het bovenste laagje uit modder afkomstig van de huidige kust. Daaronder in de opgevulde rivierbedding voornamelijk uit zee afkomstig zand en zandige klei. – Illustratie uit Quaternary Environments and Humans

Enorme vondst

In een van de wetenschappelijke artikelen wijzen Berghuis en de zijnen erop dat het gaat om een van de grootste vondsten in deze regio van resten van gewervelde dieren sinds de grote opgravingen op Java eind negentiende en begin twintigste eeuw. Belangrijker nog: het is de eerste verzameling restanten van gewervelde dieren uit het ‘verdronken’ Sundaland. De auteurs verbazen zich erover dat niet eerder uit de Javazee of de Zuid-Chinese Zee fossielen zijn opgediept. Mogelijk, schrijven ze, komt dat doordat de huidige zeebodem is bedekt met een laag modder. Maar ze sluiten niet uit dat simpelweg gebrek aan aandacht de oorzaak is geweest. Er zijn immers bij Jakarta en Singapore wel landwinningsprojecten uitgevoerd waarvoor materiaal van de zeebodem is gehaald, net zoals in Straat Madura.

sleephopperzuiger Volvox Terranova
Volgeladen vaart de in het Zuid-Hollandse Kinderdijk gebouwde sleephopperzuiger Volvox Terranova naar de plek waar in die periode het kunstmatige BMS-eiland wordt aangelegd. – Illustratie uit Quaternary Environments and Humans
Tijdens het onderzoeken van Berghuis’ verzameling in het museum in Bandung zijn (tot nu toe) 1.212 botfragmenten ofwel 19,02 procent van het totaal geïdentificeerd. Er zijn restanten aangetroffen van 36 diersoorten plus twee botfragmenten van Homo erectus. De diersoorten vallen in te delen in drie groepen: zoogdieren die bij de rivier op land leefden, dieren die voorkwamen in de rivier en dieren die zich thuis voelden in een estuarium.

Geïdentificeerd zijn restanten van diverse soorten haaien en roggen, van varanen, krokodillen en schildpadden, van Javaanse neushoorns, van een luipaard en een aapje en van diverse soorten herten en vooral runderen. De dierlijke resten zijn voor wetenschappers om allerlei redenen interessant. Zo zijn diverse soorten aangetroffen die uit het Midden-Pleistoceen in de regio nog niet eerder waren gevonden, of die al wel eens waren gevonden maar nog ontbraken in Indonesische museumcollecties.

Opvallend is dat ook een soort antilope (Duboisia santeng) en een soort hert (Axis Lydekkeri) zijn aangetroffen waarvan was aangenomen dat ze op Java al eerder waren uitgestorven. Kennelijk hebben ze zich op de laagvlakte (Sundaland) langer kunnen handhaven dan op het hoger gelegen Java. Uit de aangetroffen diersoorten valt af te leiden dat de vlakte grotendeels een open vegetatie had, vergelijkbaar met huidige Afrikaanse savannen. Maar er moeten ook stukken bos zijn geweest, mogelijk open en soms zompig bosgebied nabij de Solo-rivier. Jaren bestonden destijds uit een lang droog seizoen en een korte regentijd.

Alles overziend concluderen de auteurs dat het zinvoller is om verzamelingen fossielen in de volle breedte te bestuderen dan er alleen wat pareltjes uit te lichten (‘cherry picking’). Ook denken ze dat het, met de kennis over de vondsten uit Straat Madura in het achterhoofd, ‘veelbelovend’ kan zijn nog eens te kijken naar materiaal in Indonesische musea dat dateert van eerdere opgravingen. Zo doet zich de vraag voor waarom bepaalde dieren die in Straat Madura zijn aangetroffen iets kleiner waren dan hun op Java gevonden soortgenoten. Valt dat te verklaren uit regionale verschillen in leefomgeving? Speelt evolutie mogelijk een rol?

Een uit Straat Madura opgediept menselijk schedelfragment
Een uit Straat Madura opgediept menselijk schedelfragment. – Foto Harold Berghuis

Menselijke resten

Los van de dierlijke fossielen is, zeker voor het grote publiek, het spectaculairst de vondst in Straat Madura van twee schedelfragmenten van Homo erectus (een uit een zijkant van een schedel, het andere uit de bovenkant). Berghuis vond ze in 2015 en 2018. Nooit eerder zijn op het onderzeese Sundaplat, het voorheen droog liggende Sundaland, menselijke overblijfselen aangetroffen. Van een van de schedelfragmenten (Madura Strait 1, MS1) is vastgesteld dat het komt van een lichtgebouwde volwassene of misschien een adolescent. Het andere fragment (MS2) is van iemand die bij zijn of haar dood nog niet volwassen was.

De vondsten tonen in elk geval aan dat Homo erectus die we kennen als de bij Trinil, Ngandong en Sangiran opgegraven ‘Javamens’ niet, zoals lang gedacht, geïsoleerd op Java leefde. De soort, die vanaf 1,3 miljoen jaar geleden op Java voorkwam, bewoonde in elk geval ook een stuk(je) van Sundaland. Het geeft de onderzoekers aanleiding tot boeiende vragen. Als Homo erectus zich vanaf Java in Sundaland kon begeven, waarom zouden mensensoorten dat ook niet hebben gekund vanaf het huidige Aziatische vasteland? En als dat zo is, zijn zij dan met elkaar in contact gekomen?

Homo erectus-schedelfragmenten
MS2, een van de twee door Berghuis gevonden Homo erectus-schedelfragmenten, van alle kanten gefotografeerd. – Illustratie uit Quaternary Environments and Humans

Op zoek naar antwoorden is het van belang dat de onderzoekers een flink aantal botten van runderen en herten aantroffen die, toen ze nog ‘vers’ waren, zijn opengemaakt, gespleten. Uit nader onderzoek bleek dat dat kraken van die botten niet is gebeurd door pakweg varanen, grote schildpadden, krokodillen of gieren. Bovendien zouden bijvoorbeeld krokodillen of varanen zich richten op jonge, nog weerloze exemplaren van hun prooidiersoorten, maar daarvan is bij de gekraakte botten niets gebleken. Integendeel, het gaat bij die gespleten botten meestal om overblijfselen van volwassen, krachtige dieren.

Gereconstrueerd gezicht van een volwassen vrouwelijke Homo erectus
Gereconstrueerd gezicht van een volwassen vrouwelijke Homo erectus, tentoongesteld in het Smithsonian Museum of Natural History (CC BY-SA 2.0 – Tim Evanson – wiki)
Daarin zien de onderzoekers bewijs voor selectieve jacht door mensen. Volwassen dieren in de kracht van hun leven hebben meer vet in hun lijf dan kwetsbare jonkies of oudjes. Alles wijst er dus op dat mensen selectief aan het jagen en slachten zijn geweest, kennelijk op zoek naar vet en voedzaam beenmerg. Overigens zijn bij de fossielen uit Straat Madura aanwijzingen gevonden dat Homo erectus er ook rivierschildpadden slachtte. Zulke aanwijzingen uit het late Midden-Pleistoceen zijn in Zuidoost-Azië nooit eerder gezien. Wel is eerder aangetoond dat mensen op Java schildpadden slachtten, maar dat is van veel later datum, zo’n 30.000 jaar geleden.

In de vakliteratuur wordt selectieve jacht beschreven als belangrijke evolutionaire stap van de mens om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voor het bejagen van krachtige, volwassen dieren zijn wapens nodig die op afstand kunnen worden gebruikt (zoals speren) en moeten jagers samenwerken om dieren in hinderlagen te overmeesteren. Hamvraag daarbij: heeft Homo erectus die leefde op Java en in een deel van Sundaland dat allemaal zelf bedacht? Of heeft hij het geleerd door contact, ergens in Sundaland, met modernere hominiden (mensachtigen) van elders?

Desgevraagd wijst Berghuis erop dat ‘we in het Midden-Oosten zien dat zodra de oudere Homo erectus-populatie wordt vervangen door een modernere Neanderthaler-populatie de jacht verandert naar deze vorm van selectieve jacht’. Homo erectus in Sundaland bij Java en Madura kan de selectieve jachttechniek dus hebben overgenomen ‘van bijvoorbeeld modernere mensen die al in China leefden (zoals Denisoviërs)’, aldus Berghuis.

Bronnen

– H.W.K. Berghuis et al.: A late Middle Pleistocene lowstand valley of the Solo River on the Madura Strait Seabed, geology and age of the first hominin locality of submerged Sundaland. In: Quaternary Environments and Humans 3 (2025). https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2950236524000409
– H.W.K. Berghuis et al.: First vertebrate faunal record from submerged Sundaland: The late Middle Pleistocene, hominin-bearing fauna of the Madura Strait. In: Quaternary Environments and Humans 3 (2025). https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2950236524000458
– H.W.K. Berghuis et al.: The taphonomy of the Madura Strait fossil assemblage, a record of selective hunting and marrow processing by late Middle Pleistocene Sundaland hominins. In: Quaternary Environments and Humans 3 (2025). https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S2950236524000537
– H.W.K. Berghuis et al.: The late Middle Pleistocene Homo erectus of the Madura Strait, first hominin fossils from submerges Sundaland. In: Quaternary Environments and Humans 3 (2025). https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S295023652500012X
– Harold Berghuis: email aan Ronald Frisart, 11 juli 2025.
– Ronald Frisart: Lang wachten op besluit teruggave Dubois-collectie aan Indonesië. Historiek, 17 augustus 2024.
– Kamer van Koophandel (kvk.nl).
– Chiara Mars: ‘Homo erectus heeft meer weg van moderne mens dan gedacht’. In: Leidsch Dagblad, Haarlems Dagblad, De Gooi- en Eemlander, Noordhollands Dagblad, 1 juli 2025.
– https://dredgepoint.org/dredging-database/equipment/volvox-terranova
– https://www.pelindotpk.co.id/en/group/pt-berlian-manyar-sejahtera-1
– https://en.wikipedia.org/wiki/Reinout_Willem_van_Bemmelen
×