Geen missing link, wel 10.000 fossielen: de herwaardering van Dubois’ werk op Sumatra

13 minuten leestijd
Eugène Dubois
Reproductie van een portret van Eugène Dubois, naar een schilderij van Frans Oerder - ca. 1928-1930 (Rijksmuseum)

Hoewel Eugène Dubois zelf teleurgesteld was omdat hij niet vond wat hij zocht, bestaat inmiddels grote waardering voor zijn oudheidkundige opgravingen in grotten op Sumatra (1888-1890). Lang stond dat werk in de schaduw van zijn spectaculaire resultaten in 1891-1892 op Java: de eerste resten ooit gevonden van de uitgestorven primitieve mensensoort Homo erectus.

Een van Dubois’ notitieboeken
Een van Dubois’ notitieboeken. (Collectie Naturalis Biodiversity Center)
Eugène Dubois (1858-1940) vond op Sumatra niet wat hij zocht: de ‘missing link’, de ontbrekende schakel tussen de aap en de mens. Maar hij was er toch ‘wetenschappelijk enorm succesvol’, aldus de samenstellers van een vrij recente Australische bundel met wetenschappelijke beschouwingen over de prehistorie op Sumatra (zie de bronnenlijst onder deze bijdrage). “Dubois’ verzamelingen vormen nog steeds een van de belangrijkste bronnen om het zeer verre verleden van het eiland te begrijpen”, staat in het concluderende hoofdstuk van het boek.

Hieronder komt eerst aan de orde waarom Dubois juist naar Sumatra wilde en hoe hij dat voor elkaar kreeg. Ten tweede wat hij er voor onderzoek deed en hoe dat in zijn werk ging. En tot slot wat Dubois’ Sumatraanse onderzoek, ondanks zijn eigen teleurstelling, toch heeft opgeleverd voor latere onderzoekers.

Al als jochie in Zuid-Limburg (geboren en wonend in Eijsden) raakte Dubois geboeid door wat in de grond te vinden is en iets vertelt over het verleden. Als geneeskundestudent in Amsterdam werd dat niet minder. Het leidde tot zijn hoofdvraag: zou het mogelijk zijn resten te vinden van een heel oude soort die de ontbrekende schakel vormde in de evolutie van de aap naar de mens?

Charles Darwin in 1862
Charles Darwin in 1862
Dubois meende dat hij moest zoeken in Nederlands-Indië en met name op Sumatra. Hoe hij daartoe was gekomen, raakte in de decennia daarna in de vergetelheid. Onderzoeker Dirk Albert Hooijer (1919-1993), in Leiden beheerder van de Dubois-collectie in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (tegenwoordig Naturalis Biodiversity Center), bracht het daarom in 1948 maar eens onder de aandacht. Twee Britse natuuronderzoekers hadden Dubois op dat spoor gezet. Ten eerste Charles Darwin (1809-1882), grondlegger van de evolutietheorie. Hij meende dat de mens zijn harige vacht had verloren in een warm klimaat. Voorts Alfred Russel Wallace (1823-1913). Die had erop gewezen dat in tropische grotten, waar zich nog steeds mensapen ophielden, wellicht bewijzen te vinden zouden zijn van de afstamming van de moderne mens.

In dienst van het KNIL

Dubois met zijn vrouw Anna Lojenga
Eugène Dubois en zijn vrouw, Anna Lojenga, kort voor hun vertrek naar Indië.
Om in Indië te komen trad Dubois als arts in dienst van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger (KNIL). Op 16 december 1887 zette hij met zijn zwangere vrouw Anna Lojenga en hun dochtertje Eugenie voet aan wal in Padang, aan Sumatra’s westkust. Op 15 juni 1888 beviel Anna van zoon Jean. Al snel begon Dubois in zijn vrije tijd de omgeving te verkennen. Dat werd makkelijker nadat hij in april 1888 op eigen verzoek was overgeplaatst naar het ziekenhuis in Payakumbuh, in wat destijds de Padangsche Bovenlanden werd genoemd. In dat gebied, onderdeel van de zeer lange bergketen Bukit Barisan, bevinden zich kalksteengrotten die Dubois’ belangstelling hadden.

De grotten in

Helemáál voor elkaar kreeg Dubois het in 1889. Op 6 maart besloot de gouverneur-generaal van Indië, op dat moment Cornelis Pijnacker Hordijk, Dubois ter beschikking te stellen van het Departement van Onderwijs, Religie en Handel voor oudheidkundig onderzoek in grotten bij Sumatra’s westkust en eventueel op Java. Ter ondersteuning moest het KNIL hem twee sergeants van de genie toewijzen. Verder moest Dubois de fossielen die hij vond ter beschikking stellen van de Indische regering (die ze doorstuurde naar het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie in Leiden, een van de voorgangers van Naturalis).

aantekeningen dubois
Twee pagina’s uit Dubois’ aantekeningenboeken. Linksboven begint hij met: ,,Zondag 3.6.88 (voorlopige schets) Grot zuidelijk van Balei-pandjang’’. (Collectie Naturalis Biodiversity Center)

Die laatste bepaling speelde veel later een rol in het debat over de vraag of de collectie-Dubois terug moest naar Nederlands-Indië, vervolgens naar de onafhankelijke Republiek Indonesië, de rechtsopvolger immers van de koloniale staat Nederlands-Indië. In 2025 kwam de zaak eindelijk tot een oplossing: in september besloot Nederland de collectie-Dubois aan Indonesië te retourneren. Half december verhuisden allereerst de drie topstukken van Naturalis in Leiden naar het Nationaal Museum in Jakarta: een schedelkapje, een dijbeen en een kies van Homo erectus, gevonden langs de Solorivier op Java.

Dankzij genoemde medewerking van de gouverneur-generaal kon Dubois vanaf begin mei 1889 (toen zijn vervanger, J. Vollema, was gearriveerd in Payakumbuh) al zijn tijd in oudheidkundig onderzoek steken. Tot zijn vertrek naar Java (mei 1890) heeft hij in West-Sumatra zeker zeventien grotten opgespoord en er opgravingen gedaan.

Ongedateerde tekening van de beroemdste objecten uit de Dubois-collectie: schedelkapje, dijbeen en kies.
Ongedateerde door Dubois zelf gemaakte tekening van de beroemdste objecten uit zijn collectie: schedelkapje, dijbeen en kies van Homo erectus, gevonden bij Trinil op Java.

Flinke uitdagingen

Alleen al het vinden van grotten was lastig in het met tropisch bos bedekte gebied. De plaatselijke bevolking wist waar ze te vinden waren, maar was, uitzonderingen daargelaten, niet geneigd Dubois te helpen. Om te beginnen zagen ze in hem een vertegenwoordiger van het koloniale gezag dat verder naar het noorden, in Atjeh, al sinds 1873 oorlog voerde tegen de autochtone bevolking. Bovendien waren tal van grotten voor de Minangkabauers in West-Sumatra economisch belangrijk. Ze wonnen er goud en gedroogde poep (guano) van vleermuizen. Van dat laatste vond Dubois eens een laag van liefst vier meter dik. Uit die poep haalden de Minangkabauers natriumnitraat, dat ze verkochten als grondstof voor buskruit. Ze vreesden dat Dubois ze van die inkomstenbronnen wilde beroven. Dat hij fossielen zocht, zagen ze als een smoes.

aantekeningen dubois
Eerste deel van lijst met dwangarbeiders die voor Dubois werkten. (Collectie Naturalis Biodiversity Center)
Ook met de KNIL-sergeants zat het Dubois niet mee. De ene, Franke, overleed enkele maanden na het begin van hun samenwerking aan malaria. De andere, Van de Nesse, vond Dubois zo ongeschikt als opzichter van dwangarbeiders dat hij hem liet vervangen. Via de regionale gouverneur was geregeld dat Dubois altijd de beschikking zou hebben over maximaal vijftig dwangarbeiders tegelijk. Was er uitval – door ontsnapping, wat overigens bij Dubois heel weinig voorkwam, of door ziekte (malaria!) – dan werd voor vervanging gezorgd. In een van zijn aantekeningenboeken maakte Dubois een lijst van de dwangarbeiders die op dat moment voor hem werkten: namen, vergrijpen en straffen. Tot de kleine groep zwaarst gestraften behoorde Klimin: twintig jaar dwangarbeid wegens moord. Tot de veel grotere groep lichtst gestraften behoorden Najawitoma (drie jaar wegens diefstal ’s nachts uit een woning) en Najawi al Ichodikromo (drie jaar wegens brandstichting).

Het grootste risico in het tropisch regenwoud was voor Dubois en zijn helpers malaria. Die ziekte sloeg om de havenklap toe en ook Dubois zelf is er daardoor een paar keer zeer slecht aan toe geweest. In elk geval in de Ngalau Bulan (ngalau betekent in het Minangkabaus grot) liet Dubois het werk staken, omdat de benauwde lucht hem niet beviel en hij vreesde voor een grote uitbraak van malaria. Pas later, in 1897, werd ontdekt dat de malariaparasiet wordt overgebracht door muggen.

Enkele van de notities over de Ngalau Lida Ajer.
Enkele van de notities over de Ngalau Lida Ajer. (Collectie Naturalis Biodiversity Center)

Wel kon in de grotten ander gevaar loeren. Zo schreef Dubois in zijn maandoverzicht over oktober 1889 dat hij in het plafond van de Ngalau Bandar kleine scheurtjes had ontdekt. Toen hij later zag dat die groter werden, liet hij het werk stoppen. “Gelukkig op tijd, want spoedig daarna stortte een groot deel van het plafond in (enkele honderden kubieke meters).”

Een andere keer leek een benarde situatie te ontstaan. Begin 1889 bezocht Dubois met een ongenoemde landgenoot de Ngalau Sampit, waar hij al eerder was geweest. Ze kropen door de nauwe toegang en kwamen in een grote ruimte waarop tal van gangen uitkwamen. Na een poosje wisten ze niet meer door welke gang ze waren gekomen, wat bij Dubois’ gast enige paniek veroorzaakte. Dubois probeerde de ene na de andere gang. Toen hij letterlijk aan het eind van een tunnel licht zag, ging hij terug om zijn metgezel te halen. Samen kropen ze door de nauwe gang en kwamen uit… aan de andere kant van de berg!

Minangkabause mannen
Groep Minangkabause mannen in 1900. (CC BY-SA 3.0 – Wereldmuseum – wiki)

Duizenden fossielen

Met zijn dwangarbeiders deed Dubois in grotten uitgebreid onderzoek, waarvoor geregeld metersdiepe gaten werden gehakt en gegraven. Nauwkeurig noteerde hij welke lagen hij aantrof, bijvoorbeeld zand en een klei-achtige substantie. Die lagen waren er volgens hem gedeponeerd door waterstroompjes die ooit door het onderaardse hadden gelopen. Fossielen vond Dubois in grote hoeveelheden – in ruim een jaar meer dan tienduizend. Alleen al uit de Ngalau Agung Agung haalde hij er zo’n 3.400. Ter vergelijking: later vergaarde hij op Java dertigduizend fossielen, maar wel in dik vijf jaar. Kwantitatief was Dubois’ onderzoek op Sumatra dus zeker zo succesvol als dat op Java.

Hij vond restanten van een grote verscheidenheid aan dieren, onder meer ossen, tijgers, neushoorns, herten, varkens, olifanten, tapirs en heel veel orangutans. Plus – in Ngalau Lida Ajer, letterlijk Watertong-grot – een kies die hij toeschreef aan de moderne mens (Homo sapiens) en, in een andere grot, een flink stuk houtskool, dat eveneens wees op menselijke aanwezigheid. Volgens Dubois was het meeste materiaal in de grotten beland doordat roofdieren (hij dacht aan tijgers en/of kleine beren) hun prooien erheen hadden gesleept. Later hebben er nog stekelvarkens aan geknaagd. Als proef op de som deed Dubois een niet eerder uitgevoerd experiment. Hij gaf botten aan een levend stekelvarken. De krassen die het knagende dier achterliet, leken als twee druppels water op de krassen die Dubois op fossielen had aangetroffen.

tanden dubois
Tanden van Homo sapiens die Hooijer aantrof in de collectie-Dubois en die staan afgebeeld in zijn publicatie uit 1948. Links (nummers 1 en 2) een snijtand, rechts (nummers 3, 4 en 5) een kies.

Eenmaal in Leiden zijn Dubois’ Sumatraanse fossielen lange tijd door geen enkele onderzoeker bestudeerd. Pas in 1948 publiceerde de al genoemde Hooijer over de nieuwe blik die had geworpen op wat Dubois had gevonden in de Ngalau Lida Ajer. Hij identificeerde niet alleen de door Dubois genoemde menselijke kies (afkomstig uit de rechterkant van een bovenkaak), maar ook een snijtand, eveneens uit de rechterkant van een bovenkaak. Zonder enige twijfel, schreef Hooijer, zijn ze afkomstig van Homo sapiens. Hij had niets aangetroffen dat kon worden toegeschreven aan Pithecanthropus erectus. Zo noemde Dubois de door hem op Java gevonden ‘missing link’, later is die term vervangen door Homo erectus. Op grond van de door hem onderzochte orang-oetan-tanden uit de Ngalau Lida Ajer concludeerde Hooijer dat deze mensaap sinds tijdens en na het Pleistoceen (2,5 miljoen tot 11.700 jaar geleden) een stuk kleiner is geworden.

Wetenschappelijk onderzoek op Sumatra

Sinds halverwege de negentiende eeuw is op Sumatra maar weinig oudheidkundig onderzoek gedaan. En dat ondanks de enorme omvang van het eiland (ruwweg 11,5 keer zo groot als Nederland) en ondanks de ligging tussen het Aziatische vasteland en Java, waar veel meer onderzoek is gedaan. Dubois klaagde daarover al in zijn maandrapport van september 1888. “Terwijl al lange tijd groot belang wordt gehecht aan prehistorisch en paleologisch onderzoek, waarvoor kalksteengrotten van Europa en andere delen van de wereld hebben bewezen zeer vruchtbaar te zijn, zijn op dit onderzoeksgebied in Nederlandsch-Indië tot nu toe slechts een paar futiele pogingen gedaan”, mopperde hij. In de jaren 1860 was voor het eerst over archeologische vondsten geschreven in rapporten en vergaderverslagen van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.

August Tobler
August Tobler
Nadat Dubois zeven jaar in de archipel actief was geweest (twee op Sumatra, vijf op Java) werd het opnieuw een poos stil. Pas in 1908 kwam de Zwitserse geoloog August Tobler naar de Sumatra. Voor de Dienst voor het Mijnwezen (eerder had hij in Indië gewerkt voor ondernemingen in olie en kolen) onderzocht hij in de landstreek (nu provincie) Jambi de Ulu Tjanko-grot. Daarna stond een aantal makkelijk bereikbare grotten op Sumatra alleen nog in de belangstelling als toeristische reisbestemming.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het er in wetenschappelijk opzicht niet beter op. Tot 1970 werden slechts drie archeologische projecten op Sumatra geteld. In de jaren 1980-2000 was er met tussenpozen enige belangstelling, maar pas na de eeuwwisseling nam dat echt toe. In 2008 leverde het de ontdekking op van de voor oudheidkundigen zeer rijke Gua Harimau (Tijgergrot) op Zuid-Sumatra. Een belangrijke rol daarbij speelde Indonesië’s wellicht prominentste hedendaagse paleontoloog, Harry Truman Simanjuntak, geboren overigens op Sumatra, in de stad Pematang Siantar.

sundaland
Lichtgrijs: de maximale omvang die Sundaland heeft gehad. (CC BY-SA 4.0 – ש.מירון – wiki)

Sundaland en Homo erectus

Mede aan de hand van de collectie-Dubois is inmiddels vastgesteld dat de oudste tot nu toe op Sumatra gevonden menselijke resten zo’n 70.000 jaar oud zijn. Het zijn tevens de oudst bekende resten van Homo sapiens in een regenwoudomgeving én het oudste bewijs van de oversteek van de moderne mens naar de Indonesische archipel.

Resteert de vraag of op Sumatra ooit zal worden aangetroffen wat Dubois er niet vond: resten van de uitgestorven Homo erectus. Moderne wetenschappers laten uiteenlopende geluiden horen. Daarbij is het van belang te weten dat de Javazee, de Golf van Thailand en delen van de Zuidchinese Zee ooit droog lagen. Die immense vlakte met een steppevegetatie is Sundaland gedoopt. Hij verbond de eilanden Sumatra, Java, Borneo, Madura en Bali met het Aziatische vasteland. Sundaland lag vanaf 2,6 miljoen jaar geleden meestal droog. Maar 400.000 jaar geleden begon het water onregelmatig te stijgen en 125.000 à 123.000 jaar geleden kwam Sundaland definitief onder water te staan.

Harold Berghuis in het Geologisch Museum in Bandung met een van de door hem gevonden schedelfragmenten van Homo erectus.
Harold Berghuis in het Geologisch Museum in Bandung met een van de door hem gevonden schedelfragmenten van Homo erectus. – Foto: Harold Berghuis
Wetenschappers Julien Louys (Griffith University, Australië) en Shimona Kealy (Australian National University) hebben mogelijke routes op een rijtjes gezet die Homo erectus kan hebben genomen van het Zuidoost-Aziatische vasteland naar Java. Ze keken naar scenario’s waarbij Sundaland geheel of maar (zeer) gedeeltelijk droog lag. Enkele routes lopen dwars door Sundaland naar Java. Bewijzen daarvan in de vorm van fossielen, voor zover aanwezig, liggen nu onbereikbaar onder water. Des te mooier is het dat Nederlander Harold Berghuis in 2015-2018 restanten van Homo erectus vond in Straat Madura, de zeestraat tussen Java en Madura die ooit droog lag.

Ook lopen enkele routes van het Maleisische schiereiland via Sumatra, maar dan wel over het zuidoosten van dat eiland, tot minder dan 150 kilometer van de oostkust, en niet door het door Dubois onderzochte gebied dat westelijker ligt. Toch sluiten de onderzoekers niet uit dat Homo erectus ook meer westelijk op Sumatra is doorgedrongen. Tot slot is er nog een route via de Riau-eilanden iets ten oosten van Sumatra.

Al met al achten Louys en Kealy het goed mogelijk dat nader onderzoek toch fossiele resten van Homo erectus op Sumatra of eilanden van de Riau-archipel aan het licht brengt, schrijven ze in de genoemde Australische bundel uit 2024. In een publicatie uit 2025 toont Louys zich echter pessimistischer naar aanleiding van een bezoek aan de Riau-archipel. Hij en zijn team zagen dat de mens de natuur van die archipel dermate heeft aangetast dat veel erosie is opgetreden, wat de kans op prehistorische vondsten sterk verkleint. Dat een groot deel van de ondergrond van de eilanden bestaat uit graniet en niet uit kalksteen werkt evenmin mee.

Uncaria gambir
Uncaria gambir
Ook aan de oostkant van Sumatra zelf heeft de huidige mens het oudheidkundig onderzoek geen goed gedaan. Wat Louys aantekent, klinkt bekend: alleen al tussen 1990 en 2020 verloor de provincie Riau 4,63 miljoen hectare regenwoud, gekapt voor de aanleg van palmolieplantages. Op de Riau-eilanden is de natuurvernieling van vroeger datum. De bossen daar zijn vanaf het midden van de zeventiende eeuw gekapt voor de aanplant van Uncaria gambir. Naar het blad van deze inheemse plant was veel vraag omdat er kleurstof uit kan worden gewonnen. In koloniale rapporten uit de negentiende eeuw vond Louys’ team dat op een Riau-eiland in een enkel jaar vijf procent van het bos was gekapt voor Uncaria gambir-aanplant. Na ongeveer 1870 zakte deze economische activiteit geheel in, “maar de eilanden hebben zich er nooit echt van hersteld”, aldus Louys.

Gereconstrueerd gezicht van een volwassen vrouwelijke Homo erectus
Gereconstrueerd gezicht van een volwassen vrouwelijke Homo erectus, tentoongesteld in het Smithsonian Museum of Natural History (CC BY-SA 2.0 – Tim Evanson – wiki)
Heel somber over de kans dat op Sumatra ooit sporen worden gevonden van Homo erectus was al in 1992 Gert-Jan Bartstra, verbonden aan het Biologisch-Archaeologisch Instituut van de Groningse universiteit. Met een team waaraan ook Pusat Penelitian Arkeologi Nasional (de Indonesische oudheidkundige dienst) deelnam, bezocht hij het door Dubois onderzochte grottengebied bij Payakumbuh. Ook zij vonden van Homo erectus ‘geen spoor’. Nadat hij door anderen geopperde mogelijke verklaringen daarvoor heeft nagelopen schrijft Bartstra:

Wellicht is een simpeler uitleg mogelijk. Homo erectus zou Sumatra wel eens nooit bereikt kunnen hebben, omdat het eiland pas laat deel is gaan uitmaken van Sundaland (…).

Of ooit nog resten van Homo erectus op Sumatra worden gevonden? De tijd zal het leren. Sinds de eeuwwisseling is de oudheidkundige belangstelling voor het eiland in elk geval toegenomen. Dat is mooi, want volgens de samenstellers van de Australische bundel hebben onderzoekers tot nu toe ‘slechts gekrabd aan het oppervlak’ van de prehistorie op Sumatra. Tekenend is wellicht dat het door Dubois bijna 140 jaar geleden verzamelde materiaal voor hedendaagse onderzoekers nog steeds heel belangrijk is.

Bronnen

– Julien Louys: Quaternary palaeontological and archaeological research in Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024). De bundel is geheel of per hoofdstuk gratis te downloaden via deze link https://press-prod.anu.edu.au/publications/series/terra-australis/quaternary-palaeontology-archaeology-sumatra
– Paul C.H. Albers et al.: Eugène Dubois’ work in Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Paul C.H. Albers: An expedition in colonial times: Some notes regarding Dubois’ fieldwork in Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Gerrell M. Drawhorn: Dubois and beyond: The historical background of cave exploration in Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Julien Louys, Shimona Kealy: How did Homo erectus reach Java? Least-cost pathway models and a consideration of possible Sumatran routes. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Gilbert J. Price et al.: The material culture and heritage value of Lida Ajer Cave in West Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Julien Louys et al.: Concluding remarks: Continuing the work in Sumatra connections. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– G.-J. Bartstra: Het BAI op Sumatra: een kort bezoek en geen Homo erectus. In: Paleo-Aktueel (Biologisch-Archaeologisch Instituut, Rijksuniversiteit Groningen, 1992).
– D.A. Hooijer: Prehistoric teeth of man and of the orang-utan from Central Sumatra, with notes on the fossil orang-utan from Java and Southern China. In: Zoölogische Mededelingen 29 (Leiden 1948).
– Julien Louys: The Vanishing Traces of Our Earliest Ancestors in Indonesia. In: Sapiens (New York), online 29 januari 2025.
×