Hoewel Eugène Dubois zelf teleurgesteld was omdat hij niet vond wat hij zocht, bestaat inmiddels grote waardering voor zijn oudheidkundige opgravingen in grotten op Sumatra (1888-1890). Lang stond dat werk in de schaduw van zijn spectaculaire resultaten in 1891-1892 op Java: de eerste resten ooit gevonden van de uitgestorven primitieve mensensoort Homo erectus.

Hieronder komt eerst aan de orde waarom Dubois juist naar Sumatra wilde en hoe hij dat voor elkaar kreeg. Ten tweede wat hij er voor onderzoek deed en hoe dat in zijn werk ging. En tot slot wat Dubois’ Sumatraanse onderzoek, ondanks zijn eigen teleurstelling, toch heeft opgeleverd voor latere onderzoekers.
Al als jochie in Zuid-Limburg (geboren en wonend in Eijsden) raakte Dubois geboeid door wat in de grond te vinden is en iets vertelt over het verleden. Als geneeskundestudent in Amsterdam werd dat niet minder. Het leidde tot zijn hoofdvraag: zou het mogelijk zijn resten te vinden van een heel oude soort die de ontbrekende schakel vormde in de evolutie van de aap naar de mens?

In dienst van het KNIL

De grotten in
Helemáál voor elkaar kreeg Dubois het in 1889. Op 6 maart besloot de gouverneur-generaal van Indië, op dat moment Cornelis Pijnacker Hordijk, Dubois ter beschikking te stellen van het Departement van Onderwijs, Religie en Handel voor oudheidkundig onderzoek in grotten bij Sumatra’s westkust en eventueel op Java. Ter ondersteuning moest het KNIL hem twee sergeants van de genie toewijzen. Verder moest Dubois de fossielen die hij vond ter beschikking stellen van de Indische regering (die ze doorstuurde naar het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie in Leiden, een van de voorgangers van Naturalis).

Die laatste bepaling speelde veel later een rol in het debat over de vraag of de collectie-Dubois terug moest naar Nederlands-Indië, vervolgens naar de onafhankelijke Republiek Indonesië, de rechtsopvolger immers van de koloniale staat Nederlands-Indië. In 2025 kwam de zaak eindelijk tot een oplossing: in september besloot Nederland de collectie-Dubois aan Indonesië te retourneren. Half december verhuisden allereerst de drie topstukken van Naturalis in Leiden naar het Nationaal Museum in Jakarta: een schedelkapje, een dijbeen en een kies van Homo erectus, gevonden langs de Solorivier op Java.
Dankzij genoemde medewerking van de gouverneur-generaal kon Dubois vanaf begin mei 1889 (toen zijn vervanger, J. Vollema, was gearriveerd in Payakumbuh) al zijn tijd in oudheidkundig onderzoek steken. Tot zijn vertrek naar Java (mei 1890) heeft hij in West-Sumatra zeker zeventien grotten opgespoord en er opgravingen gedaan.

Flinke uitdagingen
Alleen al het vinden van grotten was lastig in het met tropisch bos bedekte gebied. De plaatselijke bevolking wist waar ze te vinden waren, maar was, uitzonderingen daargelaten, niet geneigd Dubois te helpen. Om te beginnen zagen ze in hem een vertegenwoordiger van het koloniale gezag dat verder naar het noorden, in Atjeh, al sinds 1873 oorlog voerde tegen de autochtone bevolking. Bovendien waren tal van grotten voor de Minangkabauers in West-Sumatra economisch belangrijk. Ze wonnen er goud en gedroogde poep (guano) van vleermuizen. Van dat laatste vond Dubois eens een laag van liefst vier meter dik. Uit die poep haalden de Minangkabauers natriumnitraat, dat ze verkochten als grondstof voor buskruit. Ze vreesden dat Dubois ze van die inkomstenbronnen wilde beroven. Dat hij fossielen zocht, zagen ze als een smoes.

Het grootste risico in het tropisch regenwoud was voor Dubois en zijn helpers malaria. Die ziekte sloeg om de havenklap toe en ook Dubois zelf is er daardoor een paar keer zeer slecht aan toe geweest. In elk geval in de Ngalau Bulan (ngalau betekent in het Minangkabaus grot) liet Dubois het werk staken, omdat de benauwde lucht hem niet beviel en hij vreesde voor een grote uitbraak van malaria. Pas later, in 1897, werd ontdekt dat de malariaparasiet wordt overgebracht door muggen.

Wel kon in de grotten ander gevaar loeren. Zo schreef Dubois in zijn maandoverzicht over oktober 1889 dat hij in het plafond van de Ngalau Bandar kleine scheurtjes had ontdekt. Toen hij later zag dat die groter werden, liet hij het werk stoppen. “Gelukkig op tijd, want spoedig daarna stortte een groot deel van het plafond in (enkele honderden kubieke meters).”
Een andere keer leek een benarde situatie te ontstaan. Begin 1889 bezocht Dubois met een ongenoemde landgenoot de Ngalau Sampit, waar hij al eerder was geweest. Ze kropen door de nauwe toegang en kwamen in een grote ruimte waarop tal van gangen uitkwamen. Na een poosje wisten ze niet meer door welke gang ze waren gekomen, wat bij Dubois’ gast enige paniek veroorzaakte. Dubois probeerde de ene na de andere gang. Toen hij letterlijk aan het eind van een tunnel licht zag, ging hij terug om zijn metgezel te halen. Samen kropen ze door de nauwe gang en kwamen uit… aan de andere kant van de berg!

Duizenden fossielen
Met zijn dwangarbeiders deed Dubois in grotten uitgebreid onderzoek, waarvoor geregeld metersdiepe gaten werden gehakt en gegraven. Nauwkeurig noteerde hij welke lagen hij aantrof, bijvoorbeeld zand en een klei-achtige substantie. Die lagen waren er volgens hem gedeponeerd door waterstroompjes die ooit door het onderaardse hadden gelopen. Fossielen vond Dubois in grote hoeveelheden – in ruim een jaar meer dan tienduizend. Alleen al uit de Ngalau Agung Agung haalde hij er zo’n 3.400. Ter vergelijking: later vergaarde hij op Java dertigduizend fossielen, maar wel in dik vijf jaar. Kwantitatief was Dubois’ onderzoek op Sumatra dus zeker zo succesvol als dat op Java.
Hij vond restanten van een grote verscheidenheid aan dieren, onder meer ossen, tijgers, neushoorns, herten, varkens, olifanten, tapirs en heel veel orangutans. Plus – in Ngalau Lida Ajer, letterlijk Watertong-grot – een kies die hij toeschreef aan de moderne mens (Homo sapiens) en, in een andere grot, een flink stuk houtskool, dat eveneens wees op menselijke aanwezigheid. Volgens Dubois was het meeste materiaal in de grotten beland doordat roofdieren (hij dacht aan tijgers en/of kleine beren) hun prooien erheen hadden gesleept. Later hebben er nog stekelvarkens aan geknaagd. Als proef op de som deed Dubois een niet eerder uitgevoerd experiment. Hij gaf botten aan een levend stekelvarken. De krassen die het knagende dier achterliet, leken als twee druppels water op de krassen die Dubois op fossielen had aangetroffen.

Eenmaal in Leiden zijn Dubois’ Sumatraanse fossielen lange tijd door geen enkele onderzoeker bestudeerd. Pas in 1948 publiceerde de al genoemde Hooijer over de nieuwe blik die had geworpen op wat Dubois had gevonden in de Ngalau Lida Ajer. Hij identificeerde niet alleen de door Dubois genoemde menselijke kies (afkomstig uit de rechterkant van een bovenkaak), maar ook een snijtand, eveneens uit de rechterkant van een bovenkaak. Zonder enige twijfel, schreef Hooijer, zijn ze afkomstig van Homo sapiens. Hij had niets aangetroffen dat kon worden toegeschreven aan Pithecanthropus erectus. Zo noemde Dubois de door hem op Java gevonden ‘missing link’, later is die term vervangen door Homo erectus. Op grond van de door hem onderzochte orang-oetan-tanden uit de Ngalau Lida Ajer concludeerde Hooijer dat deze mensaap sinds tijdens en na het Pleistoceen (2,5 miljoen tot 11.700 jaar geleden) een stuk kleiner is geworden.
Wetenschappelijk onderzoek op Sumatra
Sinds halverwege de negentiende eeuw is op Sumatra maar weinig oudheidkundig onderzoek gedaan. En dat ondanks de enorme omvang van het eiland (ruwweg 11,5 keer zo groot als Nederland) en ondanks de ligging tussen het Aziatische vasteland en Java, waar veel meer onderzoek is gedaan. Dubois klaagde daarover al in zijn maandrapport van september 1888. “Terwijl al lange tijd groot belang wordt gehecht aan prehistorisch en paleologisch onderzoek, waarvoor kalksteengrotten van Europa en andere delen van de wereld hebben bewezen zeer vruchtbaar te zijn, zijn op dit onderzoeksgebied in Nederlandsch-Indië tot nu toe slechts een paar futiele pogingen gedaan”, mopperde hij. In de jaren 1860 was voor het eerst over archeologische vondsten geschreven in rapporten en vergaderverslagen van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het er in wetenschappelijk opzicht niet beter op. Tot 1970 werden slechts drie archeologische projecten op Sumatra geteld. In de jaren 1980-2000 was er met tussenpozen enige belangstelling, maar pas na de eeuwwisseling nam dat echt toe. In 2008 leverde het de ontdekking op van de voor oudheidkundigen zeer rijke Gua Harimau (Tijgergrot) op Zuid-Sumatra. Een belangrijke rol daarbij speelde Indonesië’s wellicht prominentste hedendaagse paleontoloog, Harry Truman Simanjuntak, geboren overigens op Sumatra, in de stad Pematang Siantar.

Sundaland en Homo erectus
Mede aan de hand van de collectie-Dubois is inmiddels vastgesteld dat de oudste tot nu toe op Sumatra gevonden menselijke resten zo’n 70.000 jaar oud zijn. Het zijn tevens de oudst bekende resten van Homo sapiens in een regenwoudomgeving én het oudste bewijs van de oversteek van de moderne mens naar de Indonesische archipel.
Resteert de vraag of op Sumatra ooit zal worden aangetroffen wat Dubois er niet vond: resten van de uitgestorven Homo erectus. Moderne wetenschappers laten uiteenlopende geluiden horen. Daarbij is het van belang te weten dat de Javazee, de Golf van Thailand en delen van de Zuidchinese Zee ooit droog lagen. Die immense vlakte met een steppevegetatie is Sundaland gedoopt. Hij verbond de eilanden Sumatra, Java, Borneo, Madura en Bali met het Aziatische vasteland. Sundaland lag vanaf 2,6 miljoen jaar geleden meestal droog. Maar 400.000 jaar geleden begon het water onregelmatig te stijgen en 125.000 à 123.000 jaar geleden kwam Sundaland definitief onder water te staan.

Ook lopen enkele routes van het Maleisische schiereiland via Sumatra, maar dan wel over het zuidoosten van dat eiland, tot minder dan 150 kilometer van de oostkust, en niet door het door Dubois onderzochte gebied dat westelijker ligt. Toch sluiten de onderzoekers niet uit dat Homo erectus ook meer westelijk op Sumatra is doorgedrongen. Tot slot is er nog een route via de Riau-eilanden iets ten oosten van Sumatra.
Al met al achten Louys en Kealy het goed mogelijk dat nader onderzoek toch fossiele resten van Homo erectus op Sumatra of eilanden van de Riau-archipel aan het licht brengt, schrijven ze in de genoemde Australische bundel uit 2024. In een publicatie uit 2025 toont Louys zich echter pessimistischer naar aanleiding van een bezoek aan de Riau-archipel. Hij en zijn team zagen dat de mens de natuur van die archipel dermate heeft aangetast dat veel erosie is opgetreden, wat de kans op prehistorische vondsten sterk verkleint. Dat een groot deel van de ondergrond van de eilanden bestaat uit graniet en niet uit kalksteen werkt evenmin mee.


Wellicht is een simpeler uitleg mogelijk. Homo erectus zou Sumatra wel eens nooit bereikt kunnen hebben, omdat het eiland pas laat deel is gaan uitmaken van Sundaland (…).
Of ooit nog resten van Homo erectus op Sumatra worden gevonden? De tijd zal het leren. Sinds de eeuwwisseling is de oudheidkundige belangstelling voor het eiland in elk geval toegenomen. Dat is mooi, want volgens de samenstellers van de Australische bundel hebben onderzoekers tot nu toe ‘slechts gekrabd aan het oppervlak’ van de prehistorie op Sumatra. Tekenend is wellicht dat het door Dubois bijna 140 jaar geleden verzamelde materiaal voor hedendaagse onderzoekers nog steeds heel belangrijk is.
– Paul C.H. Albers et al.: Eugène Dubois’ work in Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Paul C.H. Albers: An expedition in colonial times: Some notes regarding Dubois’ fieldwork in Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Gerrell M. Drawhorn: Dubois and beyond: The historical background of cave exploration in Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Julien Louys, Shimona Kealy: How did Homo erectus reach Java? Least-cost pathway models and a consideration of possible Sumatran routes. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Gilbert J. Price et al.: The material culture and heritage value of Lida Ajer Cave in West Sumatra. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– Julien Louys et al.: Concluding remarks: Continuing the work in Sumatra connections. In: Julien Louys, Paul C.H. Albers, Alexandra A.E. van der Geer (ed.): Quaternary Palaeontology and Archaeology of Sumatra (Canberra 2024).
– G.-J. Bartstra: Het BAI op Sumatra: een kort bezoek en geen Homo erectus. In: Paleo-Aktueel (Biologisch-Archaeologisch Instituut, Rijksuniversiteit Groningen, 1992).
– D.A. Hooijer: Prehistoric teeth of man and of the orang-utan from Central Sumatra, with notes on the fossil orang-utan from Java and Southern China. In: Zoölogische Mededelingen 29 (Leiden 1948).
– Julien Louys: The Vanishing Traces of Our Earliest Ancestors in Indonesia. In: Sapiens (New York), online 29 januari 2025.
Waarom de Dubois-collectie van Naturalis teruggaat naar Indonesië
Eugène Dubois, de ontdekker van de Javamens
‘Mensheid stamt uit Indonesië’
Solnitsata, de oudste neolithische ‘stad’ in Europa
Tjerk Vermaning: ‘messias der Nederlandse oudheidkunde’ of oplichter?
De vuistbijl: het stenen werktuig van de prehistorische mens