//

De ontdekking van de natuur

Toekan - Levaillant 1806
Toekan - Levaillant 1806 (Terra)

Wist u dat de pelikaan door de beroemde plantkundige en zoöloog Carolus Linnaeus in hetzelfde rijtje werd genoemd als de draak en de eenhoorn? Of dat lange tijd gedacht werd dat de rups en de vlinder twee verschillende dieren waren? En dat eeuwenlang werd aangenomen dat fossielen door God in de grond waren gestopt om het (on)geloof van de mens op de proef te stellen?

In De ontdekking van de natuur laat Hans Mulder, historicus en conservator, ons in twintig boeiende en kleurrijke verhalen kennismaken met de onderwerpen en mensen die een – in meer of mindere mate – belangrijke rol hebben gespeeld in het ontdekken van de natuur.

Serie draken - Jonston
Serie draken – Jonston (Terra)

Ambitieus en hoogmoedig

In de afgelopen (honderden) jaren is er natuurlijk al heel veel goed onderzoek gedaan naar de natuur. Het boek – en vooral de gekozen titel – schept dan ook hoge verwachtingen. Het is namelijk nogal een opdracht om dé ontdekking van de natuur te willen beschrijven. Aan ambitie geen gebrek bij de auteur.

Gelukkig realiseert Mulder zichzelf dat natuurlijk ook. Hij geeft in de inleiding al aan dat het ondoenlijk is om hét verhaal van de ontdekking van de natuur te schrijven. Daarom kiest Mulder ervoor om in de twintig verhaaltjes de rode draden van de ontdekking te beschrijven. Een ‘hoogmoedig’ project, vind hij zelf.

Maar zo’n project is bij Mulder in goede handen. Als conservator van de natuurhistorische collecties van de Universiteit van Amsterdam, nu ondergebracht bij het Allard Pierson, is Mulder gewend om aan bezoekend publiek verhalen te vertellen over de boeken, archieven en aquarellen uit de collectie. Nu Mulder – vanwege de COVID-19-crisis – niet meer fysiek over de collectie kan vertellen, heeft hij de aanstekelijke verhalen in boekvorm gevat.

Titelprent van deel drie van 'Nederlandsche Vogelen'
Titelprent van deel drie van ‘Nederlandsche Vogelen’ (Terra)

Natuuronderzoek in stroomversnelling

De natuur is al eeuwenlang bron van fascinatie en verwondering. Grote wetenschappers, zoals Aristoteles (384-322 v. Chr.) en Rabanus Maurus (ca. 780-856), zetten in de Oudheid en de Vroege Middeleeuwen al stapjes om de geheimen van de natuur verder te ontrafelen. Hoewel die vroege natuurontdekkers wel de revue passeren in Mulders boek, focust hij zich op de periode na 1500. Rond die tijd werd namelijk de boekdrukkunst uitgevonden en maakten avonturiers ontdekkingsreizen naar alle uithoeken van de wereld. Het was een periode waarin het vergaren en verspreiden van kennis in een stroomversnelling belandde.

Ook de Reformatie was een impuls voor het natuuronderzoek. In die kerkelijke hervormingsbeweging stond namelijk het zelf lezen en het zelf interpreteren van de Schrift centraal. Op die manier werd de nieuwsgierigheid naar de ware aard van God aangewakkerd. En bedacht men dat je God niet alleen kon leren kennen door het Woord te bestuderen; ook door de natuur werd Zijn bedoeling duidelijk.

Raggi's paradijsvogel - Gould, 1875-1888
Raggi’s paradijsvogel – Gould, 1875-1888 (Terra)

Conrad Gessner

Een van de belangrijkste protestantse geleerden was Conrad Gessner (1516-1565). De in Zürich geboren natuurhistoricus maakte naam met zijn Historiae animalium. In die boekenreeks veegde Gessner als het ware alle (hem bekende) informatie over het dierenrijk bijeen en maakte hij er één geheel van. De kennis van onder andere Aristoteles en Rabanus werd systematisch geordend. Hij beschreef voor alle denkbare dieren het leefgebied, de fysieke kenmerken en de gewoonten, het karakter, en wat je met het dier kon doen. Voor latere onderzoekers was de Historiae animalium een schat aan informatie.

Ondanks dat Gessner heel secuur en grondig te werk ging, vinden we bij sommige dierenbeschrijvingen soms wat opmerkelijke passages. Zo beschreef hij dat honden ‘naar hazenvlees’ smaakten, dat het karakter van de luipaard vergeleken kan worden met dat van de boze, geërgerde en gevaarlijke vrouw, en dat de slang, de hydra en de basilisk verwant zijn aan de draak. Want ook al had Gessner zelf nog nooit een draak gezien, hij was er van overtuigd dat de draak bestond. De draak stond immers in de boeken van Aristoteles én in de Bijbel beschreven.

Binnentuin van de menagerie van Blauw Jan aan de Kloveniersburgwal,  ca. 1700
Binnentuin van de menagerie van Blauw Jan aan de Kloveniersburgwal, ca. 1700 (Terra)

Ook bundelde Gessner allerlei informatie over fossielen. Daaronder schaarde hij alles dat in de aarde verborgen lag en ter observatie naar het oppervlakte was gebracht. Dat waren dus niet alleen verstaande levensvormen, maar ook mineralen en edelstenen. Gessner – en veel ontdekkers met hem – waren ervan overtuigd dat die objecten door God in de grond waren gestopt om het geloof van de mens op de proef te stellen. Ook dacht hij dat de fossielen restanten waren van het leven dat tijdens de zondvloed om was gekomen. Dat verklaarde immers waarom fossielen van vissen hoog in de bergen werden gevonden. Die waren doodgegaan toen het water zich terugtrok. Later – veel later – begonnen onderzoekers zich pas af te vragen of de wereld misschien niet al veel ouder was dan in de Bijbel werd verondersteld.

Pelikaan, draak en eenhoorn

Ook de veel latere natuurhistoricus Carolus Linnaeus nam de draak op in zijn dierenlijstjes. In de eerste editie van zijn Systema naturae (1735) vinden we in de categorie ‘paradoxa’ het reptielachtige wezen terug. In de ‘paradoxa’-categorie beschreef Linnaeus de dieren waarvan hij het bestaan heel onwaarschijnlijk (maar niet uitgesloten) achtte.

Ontdekking van de mosasaurus
Ontdekking van de mosasaurus (Terra)

Naast de draak – en de eenhoorn – nam Linnaeus ook de pelikaan in het rijtje van ‘paradoxa’ op. Dat is natuurlijk opmerkelijk, want pelikanen komen gewoon voor in Zuidoost-Europa en Rusland. Mulder vermoedt dat ‘het verhaal’ over de pelikaan voor Linnaeus aanleiding is geweest om de pelikaan onder de ‘paradoxa’ te scharen. De pelikaan legt in ruststand namelijk zijn grote snavel over de borst. Het scherpe uiteinde van de snavel was bovendien rood gekleurd. Daardoor ontstond de mythe dat de pelikaan zijn of haar jongen voedt met het eigen bloed dat uit de zelfgemaakte wond uit de borst komt. En dat de pelikaan op die manier haar dode jongen weer tot leven kon wekken.

“Conrad Gessner – en veel ontdekkers met hem – waren ervan overtuigd dat fossielen door God in de grond waren gestopt om het geloof van de mens op de proef te stellen.”

Daarin zagen natuurontdekkers ook een belangrijke verwijzing naar het leven en het lijden van Christus. God offerde namelijk ook Zijn zoon om de mensen hun zonden te vergeven. Drie dagen later liet God Christus weer herrijzen. Net als met de dode pelikaanjongen gebeurde.

Religie, kunst en natuur

De anekdote over de pelikaan laat goed zien dat – zelfs tot diep in de achttiende eeuw – religie, en vooral het christendom, onlosmakelijk verbonden was met natuuronderzoek. Religie was namelijk een belangrijke drijfveer voor natuurontdekkers, want zij wilden God beter leren kennen via de natuur. Bovendien waren alle wetenschappers – tot in de loop van de zeventiende eeuw – in meer of mindere mate religieus. Het niet-geloven in God was toen onmogelijk, stelt Mulder. Het denkkader en de taal van die tijd voorzagen niet in atheïsme.

De verwevenheid met religie heeft het natuuronderzoek overigens geen windeieren gelegd. In religieuze kringen werd – al lang voor de introductie van de boekdrukkunst – al eeuwenlang geoefend met het maken van tekeningen, schilderingen en illustraties. Van die kunsttraditie wisten natuurwetenschappers goed gebruik te maken. De onderzoekers – waaronder Gessner, die zelf een buitengewoon verdienstelijk tekenaar was – maakten vaak heel gedetailleerde en kleurrijke tekeningen van hun onderzoeksobjecten. Die prachtige platen van planten en dieren vonden ook hun weg naar studies, boeken en encyclopedieën. En – gelukkig voor ons – ook naar het boek van Hans Mulder.

Afbeelding van een struisvogel
Afbeelding van een struisvogel (Terra)

De ontdekking van de natuur

De ontdekking van de natuur is een ontzettend rijk boek: niet alleen door de twintig betekenisvolle en wetenswaardige verhalen, maar ook door prachtige illustraties. Mulder weet in de verhalen knap het ‘kleine’, zoals de individuele wetenschapper of de ontdekking van een bepaald insect, te verbinden aan het ‘grote’, zoals de ingewikkelde relatie tussen religie en natuurontdekking of ontwikkelingen in de wetenschapsbeoefening.

De ontdekking van de natuur - Hans Mulder
De ontdekking van de natuur – Hans Mulder
Het is net alsof je van dichtbij naar een glas-en-lood-raampje kijkt: alle kleurrijke paneeltjes zijn individueel het bestuderen waard, en vervolgens, als je op wat meer afstand gaat staan, zie je dat de paneeltjes ook nog eens mooi samenhangen.

Goed, terug naar de inleiding. De kwesties over de pelikaan en de fossiel zijn inmiddels opgehelderd. Maar u vraagt zich wellicht nog af waarom de rups en de vlinder als twee aparte dieren werden gezien. Wees nieuwsgierig en ga vooral – net als Gessner en Linnaeus – zelf op onderzoek uit. De ontdekking van de natuur is daar een uitstekend startpunt voor.

~ Mark Barrois

Boek: De ontdekking van de natuur
Ook interessant: De avonturen van Alexander von Humboldt
…of: Carolus Linnaeus – Zweedse arts en plantkundige

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Auteur Hans Mulder over zijn boek: