Opkomst van de Fatimiden en hun kalifaat (875-910)

13 minuten leestijd
Gouden munt van Abdallah al-Mahdi
Gouden munt van Abdallah al-Mahdi (CC0 - PHGCOM - wiki)
Na de opkomst van de Omajjaden en Abbasiden ontstond aan het begin van de tiende eeuw in Noord-Afrika een concurrerend islamitisch rijk: het kalifaat van de Fatimiden. In het eerste deel van een nieuwe reeks beschrijft Willem Peeters hoe ismaïlitische missionarissen en Kutama-Berbers de weg vrijmaakten voor de machtsovername door de als Mahdi optredende Abdallah.

De opkomst van de Fatimiden

Vanaf 875 doet de ismaïlitische tak van het sjiisme een greep naar de macht in het westelijk deel van het moslimrijk. Hun geestelijk leider, al-Mahdi, wordt geacht de enige ware opvolger te zijn van de Profeet en maakt zich bekend als zodanig aan het volk na een geslaagde veroveringstocht waarin de Kutama’s, Berbers uit Algerije, een hoofdrol spelen.

Ismaïlieten

Het ontstaan van het kalifaat der Fatimiden is het enige grote succes van de sjiitische stroming binnen de islam tijdens de middeleeuwen, een stroming die ontstaat naar aanleiding van de discussie in de kleine moslimgemeenschap als Mohammed in 632 overlijdt en er een opvolger moet worden gekozen. Sommigen – bekend geworden als de soennieten – hechten eraan dat de nieuwe leider, de imam, gekozen wordt op basis van het criterium van bekwaamheid, terwijl anderen – de sjiieten – ervan overtuigd zijn dat verwantschap met de Profeet doorslaggevend is. Omdat dit volgens de sjiieten Mohammeds neef Ali is, worden de sjiieten ook wel aangeduid als Aliden. Oorspronkelijk is dit een politiek schisma dat pas na een halve eeuw een theologisch lading krijgt.1

Later ontstaan er binnen het sjiisme diverse grote en kleine afsplitsingen, dikwijls met een sektarisch karakter, waarvan de ismaïlieten oftewel de zevener-sjiieten en de twaalver-sjiieten de meest bekende zijn.2 Binnen al deze stromingen wordt uitgegaan van de messianistische gedachte dat op enig moment hun leider in de verborgenheid is getreden en ooit als de ware verlosser, de Mahdi, zal opstaan. Het laat zich raden dat in de loop van de tijd er zich tal van imams aandienen die beweren de Mahdi te zijn waarop gewacht wordt.

De twaalver-sjiieten vormen de belangrijkste groepering en erkennen een reeks van twaalf imams vanaf Ali, waarvan de laatste, Mohammed al-Mahdi, verdwenen is maar volgens hun leer ooit als de verlosser zal terugkeren. Datzelfde idee vinden we bij de zevener-sjiieten oftewel de ismaïlieten die menen dat de zesde imam, Ja’far al-Sadiq, zijn oudste zoon Isma’il zou hebben aangewezen als opvolger en niet diens jongere broer Musa al-Kazim die als zevende imam figureert in de lijst van de twaalvers.3 Zij zijn ervan overtuigd dat na de dood van Isma’il in 755 zijn zoon Mohammed moet worden beschouwd als de Mahdi die in het verborgene voortleeft tot het moment waarop hij terugkeert en vrede en gerechtigheid zal brengen onder alle moslims.4

De boodschap van de zeveners onderscheidt zich theologisch van die van de soennieten en twaalvers in die zin, dat zij geloven dat de goddelijke boodschap in de Koran zich verschuilt achter de tekst die een code is welke de innerlijke betekenis ervan bevat. Een betekenis die slechts door ingewijden te ontsluiten valt. De ismaïlitische leer is de enige manier om toegang te krijgen tot de verborgenheden van de Koran5 en het is de wederkerende Mahdi die het volk daarover klaarheid zal verschaffen.

Daarmee heeft het ismaïlisme een elitair karakter dat niet gemakkelijk doordringt in de harten van de gewone bevolking.6 Maar het is naar ismaïlitische opvattingen wel degelijk het ware geloof, ooit door Mohammed de Profeet verkondigd en opgetekend in de Koran die door het volk van de waarheid, de da’wa al-haqq, kortweg da’wa, moet worden uitgedragen. Degene die daarin het voortouw neemt, de oproeper tot de waarheid, is de da’i, missionaris en politiek agent, die nieuwe leden werft, deze inwijdt in de geheimen die zijn voorbehouden aan een selecte groep en hen voorbereidt op de laatste strijd.7

Veroveringen in Ifriqija

Dit geloof wordt gepredikt rond het jaar 875 door Abdallah de Oudere, die beweert van Ali af te stammen en als imam de wegbereider te zijn van de Mahdi, de zich in het verborgene verkerende Mohammed ibn Isma’il. Abdallah de Oudere vlucht voor het Abbasidische regime en vestigt zich in de stad Salamiya, gelegen aan de westelijke rand van de Syrische woestijn. Daar creëert hij een bolwerk van ismaïlitische propaganda. Salamiya is overigens niet het enige broeinest van verzet tegen de heersende soennitische leer. Ook Kufa, de vestingstad in Irak, herbergt een sjiitische cel waaruit de beweging der Qarmaten ontstaat, genoemd naar haar grondlegger Kamdan Qarmat.

Abdallah de Oudere heeft twee zonen, Ahmad en Ibrahim, waarvan eerstgenoemde het stokje van zijn vader overneemt en op zijn beurt de taak om de volgelingen te werven overdraagt aan zijn zoon al-Hoessein. Diens zoon Abdallah – bekend onder de naam Sa’id om zijn ware identiteit als wegbereider voor de Mahdi te verhullen8 – komt na het overlijden van zijn vader onder de hoede van zijn oom Abu’l-Shalaghlagh die dan de verantwoordelijkheid draagt voor de da’wa en zijn dochter uithuwelijkt aan Abdallah, een echtverbintenis waaruit in 893 hun zoon Abd al-Rahman wordt geboren.

Stamboom van Abdallah de Oudere en de familie waaruit de eerste Fatimidische kalief, Abdallah al-Mahdi, voortkwam.
Stamboom van Abdallah de Oudere en de familie waaruit de eerste Fatimidische kalief, Abdallah al-Mahdi, voortkwam.

Abdallah weet door zijn prediking tal van volgelingen te werven van wie Abu Abdallah al-Shi’i de meest opmerkelijke is en die gezien moet worden als een belangrijke wegbereider voor het ontstaan van het Fatimidische rijk. Hij is afkomstig uit Kufa en wordt samen met zijn oudere broer Abu’l-Abbas gerekruteerd door de Qarmaten. Zij worden uitgezonden naar de oude hoofdstad van Egypte, Fustat, van waaruit zij geacht worden geheime missies te ondernemen.

Abu’l-Abbas blijft in Fustat en fungeert als koerier tussen Egypte en Salamiya, terwijl zijn broer richting Jemen vertrekt waar hij zich aansluit bij Ibn Hawshab, de veroveraar van Jemen en de meest succesvolle da’i in de regio. Deze stuurt Abu Abdallah in 892 op pad met de opdracht om elders in de periferie van het Abbasidische imperium de da’wa te organiseren. In Mekka sluit Abu Abdallah zich aan bij een groep van pelgrims uit Ifriqija, de streek in Noord-Afrika die het kustgebied van het hedendaagse Libië, Tunesië en oostelijk Algerije omvat.

Het zijn Berbers behorend bij de Kutama’s, een groep van clans die leven in Algerije waarover de Aghlabiden, soennitische vazallen van Bagdad, in naam heersen. De boodschap van Abu Abdallah valt bij de Kutama-pelgrims in goede aarde en zij dringen er bij hem op aan met hen mee te gaan naar Algerije om daar zijn prediking onder de Kutama-stammen voort te zetten. Daar kan hij zijn gang gaan en er wordt Abu Abdallah door de Aghlabiden geen strobreed in de weg gelegd.

Vanuit hun hoofdstad Kairouan besteden zij geen aandacht aan deze nieuwkomer op het moslimtoneel die onder de vrijgevochten Berbers tallozen tot het ismaïlisme weet te bekeren. Zijn ascetische leefstijl spreekt hen aan en hoewel hij geen intellectueel is zoals zijn broer, heeft hij de gave van het woord waarmee hij ook veel vrouwen aan zich weet te binden die onder de Berbers een andere, meer vooraanstaande positie innemen dan in de traditionele moslimcultuur.

En zo creëert Abu Abdallah een machtsbasis in Ifriqija waarbij hij de tribale organisatie van de Kutama’s omzet in een efficiënt georganiseerde legermacht die hij kan inzetten vanuit zijn hoofdkwartier in Tazrut nabij Aïn Mellouk in Algerije. De verovering van deze stad door de da’i ontsnapt echter niet aan de aandacht van de Aghlabiden. De da’wa wordt verdreven om zich vervolgens te vestigen in het westelijker gelegen Ikjan, niet ver van Ben Aziz. Het lukt de Aghlabiden niet om Ikjan in handen te krijgen, temeer omdat zij rond die tijd weerstand hebben te bieden aan de Byzantijnen die proberen het door de moslims eerder veroverde Sicilië en delen van Calabrië weer onder controle te krijgen.

De vlucht naar het westen

Intussen weet Abu’l-Abbas in 899 Firuz, de vertrouweling en rechterhand van Sa’id, ertoe over te halen hem te introduceren bij zijn meester die hij nog nooit heeft ontmoet. Verscholen achter een gordijn stemt de leider daarin toe en als het gordijn wordt weggeschoven ziet Abu’l-Abbas tot zijn verbazing Abu’l-Shalaghlagh, leider van de da’wa, diens neef Abdallah (Sa’id) die wordt voorgesteld als de Mahdi en diens zoontje Abd al-Rahman als de Qa’im, de opvolger.

De claim van Abdallah, een mens van vlees en bloed en voor velen van twijfelachtige herkomst, de Mahdi te zijn, schuurt met de gedachte dat Mohammed ibn Isma’il, die zich als geestesverschijning in het verborgene ophoudt, zal terugkeren. En dat is nu juist de boodschap waarmee tallozen zijn overgehaald om zich aan te sluiten bij de da’wa. De bewering dat deze verborgene in feite niet bestaat en vervangen moet worden door Abdallah, is zeer riskant. Toch kunnen de leiders de onthulling waarvan Abu’l-Abbas getuige is niet langer uitstellen. De militaire voorbereidingen voor de veroveringen zijn inmiddels vergevorderd en de stichting van een ismaïlitisch rijk kan eigenlijk alleen slagen als er een levende Mahdi aan het roer staat.9

Als dit nieuws Irak bereikt ontsteken de Qarmaten in woede en zijn vastbesloten de valse Mahdi op te sporen en om te brengen. Dit is het begin van een scheuring in de ismaïlitische beweging die de da’wa nooit te boven komt. Wanneer in 902 zowel onder Abbasiden als Qarmaten bekend wordt dat de Mahdi zich in Salamiya verschuilt, rest Abdallah niets anders dan te vertrekken. Vergezeld door zijn zoon en zijn vertrouweling Firuz bereikt hij Ramla nabij Jeruzalem waar hij getuige is van een Leoniden-meteorenregen, een verschijnsel dat in de ogen van de ismaïlieten een voorbode is van hun succes en dat het moment van de Mahdi is aangebroken.

Maar ook in Ramla is Abdallah niet veilig, waarna hij zich, vermomd als koopman, aansluit bij een karavaan met als bestemming Egypte waar hij zich vestigt in Fustat en herenigd wordt met Abu’l-Abbas. Het duurt ongeveer een jaar totdat de Abbasiden in Bagdad erachter komen waar de Mahdi zich bevindt en pogingen in het werk stellen hem te arresteren.

Sijilmasa
Restanten van Sijilmasa in het huidige Marokko. In deze belangrijke handelsstad hield Abdallah al-Mahdi zich enkele jaren verborgen voordat hij in 909 door het leger van Abu Abdallah werd bevrijd. (CC BY-SA 3.0 – Loonybad – wiki)
Onder de indruk van wat Abu Abdallah al-Shi’i bereikt heeft in Noord-Afrika besluit Abdallah met zijn gevolg koers te zetten naar Kairouan in Tunesië. Aangekomen in Tripoli stuurt hij zijn reisgenoot Abu’l-Abbas erop uit om, vermomd als handelsman, de situatie in Kairouan te verkennen, maar deze wordt gearresteerd en gemarteld op verdenking van het hebben van andere bedoelingen. Abu’l-Abbas laat niets los en na zijn bevrijding informeert hij Abdallah die kiest voor een andere bestemming: Sijilmasa, gelegen in het verafgelegen westen in het huidige Marokko.

De stad ligt op het kruispunt van belangrijke handelsroutes en Abdallah kan er met zijn volgelingen gemakkelijk ondergaan in de mengelmoes van de uit tal van culturen afkomstige bevolking. Door de in Ikjan achtergebleven Abu Abdallah al-Shi’i worden regelmatig koeriers gezonden die de Mahdi informeren over zijn strijd tegen de Aghlabiden en gouden munten met zich meebrengen die ter ere van de imam geslagen zijn in Raqqada, nabij Kairouan. Abdallah brengt deze munten in omloop in Sijilmasa, wat hem verdacht maakt bij de plaatselijke autoriteit, de lokale imam al-Yasa, een telg uit de dynastie der Rustamiden, die vermoedt dat deze rijke koopman de gezochte Mahdi is.

Als Abu Abdallah al-Shi’i dit ter ore komt, realiseert hij zich dat de imam ontmaskerd zal worden en in groot gevaar verkeert. Hij besluit een veldtocht met zijn Kutama-leger te ondernemen om Ifriqija en de westelijker gelegen gebieden te onderwerpen. Een veldtocht die moet uitmonden in een reddingsmissie van Abdallah waarna diens ware identiteit op gepaste wijze kan worden geopenbaard. Aan zijn broer Abu’l-Abbas draagt hij de leiding over van de da’wa. De veldtocht voert door een gebied waarover geen centraal gezag wordt uitgeoefend. De eerste stad die Abu Abdallah op zijn weg vindt is het zeer geïsoleerd liggende Tiaert, in handen van al-Yasa, die zich op dat moment realiseert wat er aan de hand is. Hij neemt Abdallah voor verhoor in hechtenis. Op de vraag of hij Abu Abdallah kent als antwoord geeft dat hij hem nooit heeft ontmoet, hetgeen feitelijk waar is.10

Na een gemakkelijke verovering van Tiaert bereiken de troepen van Abu Abdallah Sijilmasa en zetten alles op alles om de imam te vinden die voor hen een onbekende is. Gelukkig is er iemand die hem de weg wijst naar de verblijfplaats van de gevangene die in blijdschap zijn redders tegemoet treedt. Abu Abdallah is hevig ontroerd bij het zien van zijn meester, die hem beveelt Sijilmasa in te nemen met als gevolg dat de stad heftig geplunderd wordt door de Kutama’s. De bevolking wordt gespaard, evenals al-Yasa die gestraft wordt met veertig zweepslagen, maar later aan zijn verwondingen bezwijkt.

De komst van de Mahdi

Na deze geslaagde actie van Abu Abdallah is in augustus 909 het moment aangebroken voor Abdallah om zich als de lang verwachte Mahdi aan het volk te vertonen. In een speciaal daarvoor ingerichte en weelderig versierde tent wordt Abdallah aangekondigd als de imam-kalief en onthuld als de messianistische Mahdi. Hij voert voortaan de al sinds het ontstaan van het moslimimperium in zwang zijnde titel Bevelhebber van de Gelovigen. Met veel pracht en praal wordt de Mahdi geïntroduceerd bij de bevolking.

Ook de Kutama-krijgers kunnen hun opwachting maken bij de verheven leider, maar schrikken terug van de protserigheid waarmee een en ander gepaard gaat en die in schril contrast staat met de eenvoud van doen die zij gewend zijn van Abu Abdallah. Deze maant de Mahdi dan ook tot terughoudendheid, een advies dat Abdallah in de wind slaat. Dan, na enkele maanden van voorbereiding, vertrekt Abdallah met zijn entourage richting Kairouan om de regeringszetel op te eisen. Onderweg doen zij Ikjan aan, waar de Kutama-inwoners zich teleurgesteld tonen omdat de Mahdi besloten heeft deze stad niet te promoveren tot hoofdstad van zijn rijk. Hij is echter van mening dat het zich vestigen in een onmogelijke plaats als Ikjan afbreuk zou doen aan zijn status en heeft een sterke voorkeur voor steden als Raqqada of Kairouan.

Ruim voor zijn vertrek uit Sijilmasa heeft Abdallah de regeerders in Kairouan per brief van de gebeurtenissen op de hoogte gesteld en aangekondigd dat de Bevelvoerder van de Gelovigen onderweg is om als kalief de leiding over Ifriqija en de westelijker gelegen gebieden op zich te nemen. Deze brief wordt vanaf alle kansels in de steden voorgelezen.11

De grote moskee van Kairouan
De Grote Moskee van Kairouan. De stad was het religieuze en bestuurlijke centrum van Ifriqija toen al-Mahdi er aan het begin van 910 als kalief werd erkend. (CC BY-SA 2.0 – weetoon66 – wiki)

Begin 910 arriveert Abdallah in Raqqada waar hij triomfantelijk wordt ingehaald door Abu’l-Abbas die bekendmaakt dat de langverwachte imam vanaf dat moment de titel zal voeren van al-Mahdi. In Kairouan wordt een manifest voorgelezen waarin Abdallah’s afstamming van de familie van Mohammed wordt vastgesteld en verlossing beloofd voor iedereen die hem vertrouwen schenkt. Ook wordt geclaimd dat al-Mahdi heer is over alle moslims, inclusief de soennieten en andere sjiieten. Zijn missie is helder: het brengen van vrede alom en herstel van gerechtigheid in naam van de islam. De dynastie die hij vestigt, die der Fatimiden, ontleent haar naam aan Fatima, de dochter van de Profeet en is daarmee uniek in de moslimgeschiedenis, want alle andere dynastieën dragen de naam van een man.

In de periode na zijn intocht arriveren zowel personen van aanzien als gewone burgers om hun vertrouwen in al-Mahdi kenbaar te maken. De voormalige lijfarts van de Aghlabiden verzorgt nu de Mahdi en de achtergebleven concubines worden verdeeld onder de hofhouding en de Kutama-leiders.12 Al-Mahdi tracht indruk te maken als nieuwe heerser door veel zittend personeel in dienst te houden en – in tegenstelling tot zijn voorgangers – zijn uitgaven nauwkeurig bij te houden. Uiteraard worden titels van de Aghlabiden op publieke gebouwen vervangen door die van al-Mahdi.

Van meet af aan beschikken de Fatimiden over een flink eigen vermogen, opgebouwd in de textielnijverheid en -handel. Een bedrijvigheid die in Ifriqija al bestaat rond het midden van de achtste eeuw. Het bestuur waar al-Mahdi op leunt lijkt sterk op dat van de Abbasiden, met dit verschil dat er geen vizier, een opperste rechterhand, aanwezig is en ook geen afdeling voor militaire zaken, want het leger is persoonlijk eigendom van de imam waar hijzelf zorg voor draagt. Kutama-legerleiders voeren het beheer over diverse over het Fatimidische rijk verspreide garnizoenen en functioneren in feite als gouverneurs van de regio’s die zij geacht worden te bewaken. Al-Mahdi is gesteld op decorum en verlangt van deze gouverneurs dat zij zich minder gedragen als woeste krijgers dan als bestuurder, een rol waarbij verfijning past in uiterlijk en kleding.

Gaandeweg worden de garnizoenen uitgebreid en treden zwarte slaven en witte slaven van christelijke origine toe tot de krijgsmacht. Deze laatste categorie is afkomstig uit Oost-Europa en staat bekend als de Saqaliba. Sommigen van hen doen administratief werk, anderen – eunuchen – verlenen diensten in de harem. Een van hen, de veelbelovende eunuch Jawdhar, wordt door al-Mahdi aangewezen om zijn zoon en woning te verzorgen en weet zich op te werken als belangrijke regeringsadviseur die niet alleen onder al-Mahdi dient, maar ook onder drie van zijn opvolgers.

Bij zijn aantreden als kalief realiseert al-Mahdi zich dat er een geheel nieuw ismaïlitisch rechtssysteem dient te worden opgebouwd. Die taak krijgt de zittende rechter van Kairouan die de ingezetenen vanaf dat moment erop wijst dat zij zich hebben te gedragen naar de leer van de zeveners en de bestaande soennitische praktijken terzijde moeten schuiven zoals het recht van de man om zijn vrouw te verstoten. Klachten tussen ingezetenen neemt al-Mahdi persoonlijk in handen. Hij is naar ismaïlitische opvattingen onfeilbaar en heeft dus het laatste woord.

Van meet af aan koestert al-Mahdi grootse ambities. Hij wil uiteindelijk Bagdad veroveren en de soennitische Abbasiden van de troon stoten om zo het ismaïlisme te doen zegevieren over de gehele moslimgemeenschap. Maar dat zal nooit bewaarheid worden.

Noten

1 – Lewis, B., The Origins of Isla’ilism, Cambridge W. Heffer & Sons Ltd. 1940 p. 23.
2 – Waardenburg, J. (red.), Islam, Norm, ideaal en werkelijkheid, Spectrum, Houten-Antwerpen 2009 p.127.
3 – De zaidieten vormen een kleinere sjiitische stroming binnen de islam die ook wel bekendstaat als de vijvers omdat zij in plaats van Mohammad al-Baqir, de vijfde imam van de twaalvers, Zaid, als vijfde imam erkennen.
4 0 Cortese, D., The Fatimids, Portrait of a Dynasty, Reaktion Books, London 2025 p. 26-27.
5 – Halm, H., The Empire of the Mahdi, E.J. Brill, Leiden 1996 p. 16.
6 – Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 1 The Classical Age of Islam, The University of Chicago Press 1977 p. 384.
7 – Halm, op. cit., p. 17-19.
8 – Cortese, op. cit., p. 34
9 – Halm, op. cit., p. 59.
10 – Op. cit, p. 132.
11 – Op. cit., p. 144-45.
12 – Cortese, op. cit., p. 57.
×