De dood van Ali ibn Abi Talib, de laatste kalief van het Vroege Kalifaat (ook wel aangeduid als het Rashidun kalifaat) begin 661, wordt aangekondigd door zijn zoon Hasan ibn Ali in de moskee van Kufa. Hij is weliswaar door zijn vader niet als diens opvolger aangewezen, maar wordt als kleinzoon van de Profeet (zijn moeder Fatima is een dochter van Mohammed) en dus als lid van de ahl al-bayt oftewel Mensen van het Huis, door velen als zodanig beschouwd. Een opvatting die past in de sjiitische traditie waarbinnen verwantschap met de Profeet belangrijker wordt geacht dan de verkiezing van de kalief op grond van kwaliteit via gemeenschappelijk overleg: de soennitische interpretatie.

Eigenlijk ambieert Hasan het leiderschap niet en zou hij zich misschien liever terugtrekken in retraite in de woestijn, maar in het besef dat hij als vredesstichter een rol kan spelen in een geweldloze hereniging van de gehele moslimgemeenschap, neemt hij toch het kaliefschap op zijn schouders. Een stap die veel Kufanen met enige argwaan bekijken omdat de reeds door Ali voorbereide veldtocht tegen Moe’awija dreigt te worden opgegeven. Zij verwachten juist een krachtig optreden tegen de Syriërs. In het door zijn vader gerekruteerde leger ontstaat daardoor de de nodige onrust.
Dan ontvangt Hasan een bericht van zijn oom Abd Allah ibn Abbas, de door Ali benoemde gouverneur van Basra, die hem aanspoort tot actie. Maar Hasan zet zijn strijdmacht niet in tegen Moe’awija. Wel probeert hij via overleg tot overeenstemming te komen met de Syriër die zich er terdege van bewust is dat de nieuw benoemde kalief geen oorlogszuchtige neigingen heeft en die hij als kleinzoon van de Profeet ook maar beter niet kan provoceren.

Op zijn beurt slaat Moe’awija een milde toon aan en probeert Hasan om te praten door het doen van fraaie beloftes. Zijn voorstel aan hem is, dat hij in ruil voor erkenning van Moe’awija als kalief, na diens dood zijn opvolger zal zijn en in financieel opzicht kan vragen wat hij wil. De kleinzoon van Mohammed doorziet dit spel en laat zich niet verleiden.
In de overtuiging dat Hasan niet zal vechten denkt Moe’awija Irak door pure intimidatie te kunnen overmeesteren, zonder veldslag te hoeven leveren. Hij verlaat met zijn leger van zestigduizend man Damascus en steekt de Eufraat over. Dan komt Hasan toch in actie en roept zijn volgelingen op ten strijde te trekken. Die hebben echter geen vertrouwen in zijn plotselinge gedragsverandering en verdenken hem ervan het met Moe’awija op een akkoordje te willen gooien. In woede bestormt een aantal van hen het paviljoen van Hasan, plunderen het en trekken zelfs het gebedsmatje onder hem vandaan. Er ontstaat een gevecht waarbij de kalief gewond raakt.1
Intussen trekt Moe’awija verder en probeert overal de Iraakse bevolking gerust te stellen. Wanneer hem het nieuws bereikt van de opstand tegen Hasan stuurt hij een gezantschap dat een aanbod overbrengt om het bloed van moslims niet te vergieten door in te gaan op zijn eerdere voorstel. Vrede in ruil voor het zich schikken onder Moe’awija als kalief die hij na diens dood opvolgt en een jaarlijkse afdracht van een grote som geld uit de schatkist. Hasan wijst dit appel op zijn veronderstelde hebberigheid af, maar is gevoelig voor de mogelijkheid om bloedvergieten te voorkomen en stuurt een neef van Moe’awija naar hem toe met de boodschap:
Ga naar je oom en zeg hem: Als je veiligheid beloofd voor het volk zal ik de eed van trouw aan je afleggen.2

Hasan spreekt vervolgens zijn volgelingen geruststellend toe en citeert uit de Koran soera 4 vers 19 (slotzin):
…kan het zijn dat jullie een afkeer hebben van iets, terwijl Allah daarin veel goeds heeft gelegd.3
De zoon van Ali overlijdt in 670. Aannemelijk is dat hij werd vergiftigd door zijn vrouw op instigatie van Moe’awija die zich daarmee van zijn eerder gedane belofte ontslagen voelt en meer ruimte krijgt om tegen het eind van leven zijn zoon Yazid naar voren te schuiven.4
Moe’awija I (661-680)
Moe’awija I is niet zozeer een groot religieus leider of briljant militair, maar wel een bekwaam en succesvol politicus die als leidraad voor zijn handelen het volgende motto hanteert:
Ik gebruik nooit mijn stem als ik mijn geld kan gebruiken, nooit mijn zweep als ik mijn stem kan gebruiken, nooit mijn zwaard als ik mijn zweep kan gebruiken; maar, als ik mijn zwaard moet gebruiken, zal ik dat doen.5
Het weerspiegelt een manier van opereren die in de Arabische traditie gewaardeerd wordt en bekendstaat als hilm.
De kalief kan rekenen op de loyaliteit van de Syriërs die hem voorzien van een krachtig leger. Een leger dat hij vooral inzet om de Byzantijnen aan te vallen. In 672 verovert hij Rodos en Kreta valt twee jaar later in zijn handen. Ook een deel van Noord-Afrika wordt rond 670 bezet, wat leidt tot de vestiging van een militaire basis in Kairouan, een plaats in Tunesië van waaruit veertig jaar later de verovering van het Iberisch Schiereiland begint. Tot 680 leidt Yazid, de zoon van de kalief, een tweetal aanvallen op Constantinopel maar de stad met zijn enorme fortificaties blijkt onneembaar.

Het leger hoeft niet daadwerkelijk te worden ingezet om de controle uit te oefenen over andere onderdelen van het moslimrijk. Er gaat voldoende dreiging van uit om regionale provinciale leiders van zijn rijk te dwingen zich te onderwerpen aan het gezag van de kalief. Daarmee wordt aan het slot van de eerst fitna de eenheid van de moslimwereld hersteld die de eerdere kalief Omar ibn al-Chattab realiseerde, maar niet zoals toen op basis van het prestige van Mohammed en diens metgezellen. Waar Omar zich presenteerde als Bevelhebber der Gelovigen en zijn autoriteit ontleende aan zijn status als religieus leider en opvolger van Mohammed, berust het gezag van Moe’awija op politiek en militair overwicht, waardoor het moslimrijk definitief verandert van een geloofsgemeenschap in een kalifaat dat te vergelijken is met een traditioneel koninkrijk. Een rijk waarin de opperste heerser regeert in naam van God en niet als opvolger van de Profeet. Precies zoals Omars opvolger Oethman ibn Affan dat bedoelt als hij zich tooit met de titel Plaatsvervanger van God. De vervanging van de islam door de staat.
En net zoals lang voor hem de Romeinen het pacifistisch-religieuze karakter van het christendom de nek omdraaiden en het transformeerden in een middel van repressie, maakt Moe’awija gebruik van de islam om sociale controle uit te oefenen. Vanaf dat moment, het jaar 41 van de Hijri, de moslimkalender, zijn de Arabieren datgene kwijt wat zij altijd gekoesterd hebben: hun vrijheid en tribale autonomie.6
Terwijl Oethman het gezag van de Omajjaden probeerde te handhaven door zoveel mogelijk familieleden te benoemen op belangrijke posten, zoals die van provinciale gouverneur, volgt Moe’awija een andere koers en kiest hij vooral mensen uit minder belangrijke clans. In Egypte wordt Amr ibn al-As – die eerder ten tijde van kalief Omar het land regeerde, maar door Oethman ontslagen werd – als dank voor zijn niet aflatende steun aan de kalief in diens strijd tegen Ali in ere hersteld. Na zijn dood bestuurt Maslama ibn Mukhallad Egypte. Hij is afkomstig uit de zogeheten Ansar, de inwoners van Medina die Mohammed welwillend ontvingen na zijn vlucht uit Mekka in 622. In die stad, de hoofdstad van de Hidjaz, benoemt de kalief wel een verwant: Marwan ibn al-Hakam, de man die een belangrijke rol heeft gespeeld in het aan de macht brengen van de Omajjaden.
In Irak wordt de kalief geconfronteerd met problemen die voortvloeien uit de massale immigratie na de verovering aldaar en die geleid heeft tot sociale verdeeldheid tussen de oorspronkelijke bewoners en de nieuwe moslim elite. Een elite die op haar beurt verdeeld is in de aanhangers van de geestelijke erfenis van Ali – bewaakt door Koranreciteurs – en de rechtlijnige kharidjieten die alleen afgaan op hun eigen interpretatie van de Koran.
De steden Kufa en Basra hebben hun eigen problemen en zijn meer te beschouwen als rivalen dan als bondgenoten. Met de benoeming van Al-Mughira ibn Shu’ba al-Thaqafi als gouverneur van Kufa, kiest Moe’awija voor een vroegere rechterhand van de Profeet (zoals hij dat zelf ooit was). Al-Mughira is afkomstig uit de stad Ta’if ten zuiden van Mekka en is met vele inwoners ervan opgetrokken naar het noorden toen de verovering van Irak werd ingezet. Zijn kennis van het Perzisch en van de sociale verhoudingen onder de Irakezen maken hem geknipt voor deze functie die hij vanaf 661 tot aan zijn dood in 670 bekleedt. In Basra wordt Abd Allah ibn Amir tot gouverneur benoemd die een grote rol vervult in de verovering en herovering van grote delen van het Sassanidische rijk zoals de provincies Sistan en Khorasan.
Naar het schijnt slaagt Abd Allah er niet in Basra onder controle te krijgen en bestaat er weerstand tegen zijn veldtochten naar veraf gelegen streken tot aan de Amu Darja, de rivier die historisch bekendstaat als de Oxus. Hij wordt in 664 vervangen door Ziyad ibn Abihi, eveneens afkomstig uit Ta’if, ooit een fervent aanhanger van Ali en notoir tegenstander van Moe’awija met wie hij zich later echter verzoent. Gedurende zijn verblijf in de Perzische provincie Fars leert hij het gebied goed kennen, beschikt er over tal van lokale connecties en lijkt de juiste man voor het gouverneurschap van de belangrijke garnizoensplaats Basra. Van meet af aan regeert hij met harde hand, wat blijkt uit zijn eerste toespraak tot het volk:
Wij hebben voor elke misdaad een passende straf bedacht. Wie een ander verdrinkt, zal zelf verdrinken; wie een ander verbrandt, zal verbrand worden; wie inbreekt in een huis, zal ik in zijn hart inbreken; en wie een graf openbreekt, zal ik levend erin begraven.7
Ziyad geniet zoveel vertrouwen van de kalief dat deze hem adopteert als broer en voor sommigen zelfs bekend staat onder de naam Ziyad ibn Abi Sufyan. Na de dood van al-Mughira in 670 wordt Ziyad eveneens benoemd tot gouverneur van Kufa waardoor hij welhaast de onderkoning wordt van de oostelijke provincies. In 671 stuurt hij een contingent van vijftigduizend troepen afkomstig uit Kufa en Basra naar de Iraanse provincies. Niet als tijdelijke bezetters, maar als kolonisten die zich vestigen in de oase van Merv, de belangrijke stad aan de Zijderoute in Khorasan. Tot dan toe woont er slechts een handvol moslims in Khorasan, maar nu neemt de islamitische gemeenschap in deze provincie een enorme omvang aan waardoor Ziyads greep op det oostelijk deel van het kalifaat aanzienlijk wordt versterkt. Ziyad overlijdt in 673 en wordt opgevolgd door zijn zoon Ubayd Allah ibn Ziyad, een man die de zaak der Omajjaden ten volle is toegedaan.
Het kalifaat onder Moe’awija heeft niet het karakter van een gecentraliseerde eenheidsstaat, de kalief geeft zowel in politiek als administratief opzicht ruimte aan de door hem benoemde vertrouwelingen. Er worden ook geen pogingen in het werk gesteld om het Arabisch als formele voertaal te introduceren voor de gehele moslimwereld en elke provincie is vrij om oude tradities te continueren. In Syrië spelen lokale christenen een belangrijke rol in het financieel beheer en in Egypte wordt het Byzantijnse administratieve systeem vrijwel geheel gehandhaafd.
Ook in Khorasan en Irak, waar de moslimexpansie de meeste impact heeft, blijven inheemse landeigenaren hun rol spelen in het beheer van de regionale aangelegenheden. Een en ander wordt onderstreept door het ontbreken van een islamitische munt en een uniform belastingsysteem voor het gehele rijk.
Yazid en Moe’awija II (680-683)
Zoals eerder het geval is geweest, doet de manier waarop de kalief zal worden opgevolgd veel stof opwaaien. Zelf is Moe’awija van mening dat zijn zoon Yazid hem dient op te volgen en de moslimgemeenschap dat bij leven van de kalief dient te bevestigen. Maar dit stuit op grote bezwaren want de soennitische traditie schrijft voor dat een soera (een verkiezingscommissie) de opvolger aanwijst na het overlijden van de kalief.
Moe’awija wordt ervan verdacht een systeem van erfopvolging te willen introduceren. De kalief smoort het verzet tegen de voortijdige benoeming van Yazid in de kiem via bedreigingen en omkopingen, maar als Moe’awija in 680 overlijdt, breekt de tweede fitna uit die in feite een voortzetting is van de eerste, want tijdens het kaliefschap van Moe’awija blijft de strijd tussen tussen soennieten en sjiieten doorsudderen en vlamt weer op als Yazid meent recht te kunnen doen gelden op het kaliefschap.

De inwoners van Kufa hebben hun voorkeur voor Ali boven die van de Omajjaad Moe’awija nooit onder stoelen of banken gestoken en gestreden tegen de Syriër tijdens de eerste fitna. Tot hun spijt geeft na de dood van Ali diens zoon Hasan zich over aan Moe’awija, maar zij kunnen nu hoop putten uit het feit dat zijn jongere broer Hoessein bereid is om een gooi te doen naar het leiderschap in de moslimwereld. Vanuit zijn verblijf in Mekka vertrekt Hoessein richting Kufa door de woestijn vergezeld van een klein gevolg van familie en vrienden. Maar de gouverneur van Kufa, Ubayd Allah ibn Ziyad, wacht hen op en na een korte strijd bij Karbala vinden Hoessein en velen van zijn metgezellen de dood. Daarmee wordt Hoessein een martelaar in de sjiitische traditie, het symbool van de zwakken en weinig weerbaren. Het is een gebeurtenis die elk jaar herdacht wordt op de tiende dag van de maand muharram.8 Ook elders zijn er problemen voor Yazid, met name in de Hidjaz, het westelijk deel van het Arabisch Schiereiland waar Mekka en Medina liggen en Mohammed is opgegroeid.
Daar is de weerzin tegen de Omajjaden groot en het is Abd Allah ibn Zubayr, de zoon van al-Zubayr ibn al-Awwam, Mohammeds neef en zwager, die als fel tegenstander van het concept van erfopvolging vanuit Mekka het verzet tegen Yazid leidt en weigert de eed van trouw af te leggen. Hij werpt zich op als beschermer van het huis van Mohammed, roept zichzelf uit als kalief en verdrijft de Omajjaden uit de Hidjaz. Gouverneur Marwan neemt de wijk en vestigt zich in Syrië.

Dan stuurt Yazid een Syrisch leger zuidwaarts om de ongeregeldheden in de Hidjaz de kop in te drukken. In de slag van Harra in 683 worden de Medinezen verslagen en hun stad geplunderd. Rest voor Yazid nog de lastige taak om Mekka in te nemen en ibn Zubayr te verdrijven, maar door zijn voortijdig overlijden op veertigjarige leeftijd in november 683 verandert de situatie. Yazids zoon Moe’awija II wordt direct benoemd als opvolger, maar hij is nog erg jong en ziekelijk en overlijdt al na een paar weken waarmee de dynastie der Sufyaniden aan haar eind komt.
2 – Op. cit. p. 322.
3 – Op. cit. p. 323. Zie ook: https://koran.nl/soera-4-an-nisa-de-vrouwen/.
4 – Madelung, op. cit. p. 331.
5 – Hawting, G. R., The First Dynasty of Islam, The Umayyad Caliphate AD 661–750, Routledge London 2000 p. 42.
6 – Madelung, op. cit. p. 327. Zie ook Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 1 The Classical Age of Islam, The University of Chicago Press 1977 p. 218.
7 – Hawting, op. cit. p. 41.
8 – Op. cit. p. 50. Zie ook: Kennedy, H., The Prophet and the Age of the Caliphates, The Islamic Near East from the six to the eleventh century, Longman New York 1986 p. 89.
Het kalifaat van de Marwaniden (684-750)
Het kalifaat van de Omajjaden
Strijd om Mohammeds opvolging legde basis voor splitsing soennieten en sjiieten
De islam gezien door een middeleeuws christelijke bril
Hoe Aboe Bakr de fundamenten legde voor het islamitische kalifaat
De val van Bagdad in 1258 – Mongolen maakten einde aan Abbasidisch kalifaat