Rouwbrood en leedkoek: zo zag de rouwmaaltijd er vroeger uit

3 minuten leestijd
Maanzaadpoffert. Fragment uit de cover van 'Bakje troost'
Maanzaadpoffert. Fragment uit de cover van 'Bakje troost'
Van de prehistorie tot de vroegmoderne tijd: rond dood en begraven werd vaak overvloedig gegeten en gedronken. In het boek Bakje troost wordt een overzicht gegeven van deze tradities in de Nederlandse geschiedenis. Aan de hand van historische bronnen, kunstwerken en verhalen laat het boek zien hoe rouwmaaltijden eruitzagen in verschillende regio’s van Noord- en Zuid-Nederland. Ook minder bekende aspecten komen aan bod: de rol van geur, het servies op tafel en zelfs het feestmaal dat hoorde bij een heuse ‘fake-begrafenis’. Op Historiek plaatsen we een fragment uit het boek over de tradities van rouwbrood en leedkoek.

Rouwbrood & leedkoek

Brood, koek en gebak komen veel voor in rouwtradities en -rituelen over de hele wereld. Het wordt gezegend, gekust, kruislings ingekerfd, gevuld met krenten of maanzaad en is vaak omhuld met symboliek. Nederland heeft een lange traditie in het nuttigen van bakwerk rondom de dood en in de rouwperiode, waarin regionale en religieuze verschillen zichtbaar zijn. Waarom spelen brood en koek zo’n grote rol bij rouw en welke soorten kennen we in de Lage Landen?

Voedsel voor de doden en de goden

Bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard, Jan Havicksz. Steen, 1658
Bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard met allerlei verschillende soorten vers gebakken brood (broodjes, krakelingen, kadetten, duivekater) voor de bakkerij, 1658, Jan Steen, Rijksmuseum Amsterdam
Graan komt overal en altijd terug rondom de dood. Het is volgens veel tradities ‘voedsel’ voor de overledene. Soms letterlijk, want regelmatig werd graan meegegeven in het graf. Zo kon het ontkiemen in het hiernamaals en had de overledene voedsel ter beschikking. Behalve graan belandden ook graanproducten in graven, zoals brood en koek. Ze vergezelden de overledene op zijn of haar laatste reis en werden volgens sommige overtuigingen gezien als een afkoopsom voor het binnentreden van het hiernamaals. Het was een betaling om het zielenheil van de overledene veilig te stellen. Het was de taak van de nabestaanden om dit te verzorgen voor de dode. Deze rituelen zijn al duizenden jaren in gebruik. Of het nu graan en brood in oud-Egyptische graftombes zijn, graangiften in Germaanse graven of korenaren op grafstenen uit de twintigste eeuw; graan en graanproducten zijn één met de dood.

Graan als levenscyclus

Graan symboliseert de levenscyclus en speelt daarom al eeuwenlang een belangrijke rol in tradities en rituelen rondom de dood. Zaaien, groeien, rijpen en in de herfst het afsterven van het graan staan voor geboorte, opgroeien en sterven van de mens. Een deel van het geoogste graan gebruiken we om brood van te bakken of op een andere manier te consumeren. Een ander deel dient om in het nieuwe jaar in te zaaien, zodat de levenscyclus zich hervat. Graanproducten zijn sterke symbolen van het leven én de dood. Ze worden niet voor niets traditioneel geserveerd rondom de dood.

Uitdelen van brood, koek en het plakje cake

Het plakje cake is de moderne variant van koeken die eeuwenlang gebakken werden bij de dood. Voordat de overledene naar zijn laatste gang, de uitvaart, werd gebracht, kreeg iedere aanwezige een stuk van deze koek. Door het gezamenlijk eten van deze koek droeg iedereen de geest van de overledene met zich mee.

Plakje cake
Plakje cake (CC0 – Pixabay – congerdesign)

Na de begrafenis werd traditioneel vaak brood uitgedeeld. De nabestaanden en aanwezigen bij de dienst ontvingen brood, evenals bijvoorbeeld de koster en degene die de dienst verzorgde. Daarnaast was het eeuwenlang een goed gebruik onder nabestaanden om brood aan de armen te schenken. Per testament bepaalt een dame uit Baarn in 1938 bijvoorbeeld dat de armen op de dag van haar begrafenis brood ontvangen. Daarmee kregen 250 gezinnen een krentenbrood van drie pond en gezinnen met meer dan vijf kinderen een extra witbrood.

De broodschenking rondom de dood kon zelfs een plicht zijn. In Schoonebeek (Drenthe) bestonden de inkomsten van de dorpspredikant in de zeventiende eeuw uit diverse pachten. In 1685 was iedere gehuwde nabestaande van een overledene in de gemeente verplicht om vijftien jaar lang jaarlijks een brood aan de pastoor of predikant te schenken. Het rouwbrood, zielebrood genoemd, was een pacht.

Leedkoeken

Bakje troost. Eet- en drinktradities rond rouw en begraven
 
Niet alleen brood en koek werden uitgedeeld of geserveerd bij begrafenissen, ook warme maaltijden en dranken speelden een rol. ‘Leed’ is de naam voor het middagmaal, warm of koud, dat bij de begrafenis werd gegeven. Bakkers bakten brood, bollen of koeken voor bij de leed en deze kregen de naam leedbollen of leedkoek. Het was meestal een vorm van luxebrood, zoals wit tarwebrood, witte bolletjes, kadetjes, bestellen (beschuitbol met anijs), krentenbollen, suikerbrood, krakelingen, beschuit en vlaai.

Wat er geserveerd werd verschilde per periode en regio. De broodjes en koeken hadden met elkaar gemeen dat het vrij luxe waar was en bovendien dat ze niet uitsluitend bij begrafenissen werden geserveerd. Ook op feestdagen, zoals Pasen en Sinterklaas, en als er thuis wat te vieren was, kwamen deze lekkernijen op tafel. De luxe van deze broden en koeken voerde de boventoon, maar ook symboliek speelde soms een rol. Gebak werd om zijn vorm, smaak of kleur gekozen als leedkoek bij de begrafenis.

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×