Sint-Nicolaas en Knecht Ruprecht: beschermers van Lotharingen

6 minuten leestijd
Sint Nicolaas en Ruprecht
Sint-Nicolaas met zijn knecht Ruprecht. De heilige draagt een bisschopsmijter en staf; Ruprecht houdt de traditionele roe vast. (CC BY-SA 3.0 - Albärt - wiki)

Hoewel het een feest is voor alle generaties zijn het toch vooral de kinderen die er ieder jaar weer naar uit kijken: de verjaardag van Sint-Nicolaas op 6 december. Ze zetten hun schoen bij de schoorsteen met daarin hooi en een wortel voor het paard van de Goedheiligman. Wat dat betreft lijkt de sinterklaastraditie in het Franse Lotharingen sterk op de onze. Daarnaast was hij in dit voormalige hertogdom eeuwenlang een symbool van hoop en saamhorigheid in moeilijke tijden.

reliek sint nicolaas
Armreliekschrijn van Sint-Nicolaas, vervaardigd in de zeventiende eeuw van zilver en goud, bezet met diamanten en een smaragd. Bevat een vingerkootje die in 1098 door Aubert de Varangéville uit Bari werd meegenomen. (CC BY-SA 4.0 – Musicaline – wiki)
Terwijl Sint-Nicolaas bij ons begeleid wordt door Zwarte Piet, van origine een Moor die hij uit Spanje meebracht, heeft hij in Lotharingen van oudsher Knecht Ruprecht bij zich, die oorspronkelijk slager was en indien nodig als boeman kon optreden. net als in Nederland groeide Sint-Nicolaas in Lotharingen uit tot beschermheilige van brave kinderen. Ooit stond hij er echter vooral symbool voor de strijd om onafhankelijkheid, in tijden waarin machtige buurlanden het hertogdom probeerden in te lijven.

Een reliek van de heilige

Zo’n duizend jaar geleden was Lotharingen nog een dunbevolkte uithoek van het Heilige Roomse Rijk. Daarin lag de priorij van Varangéville die bewoond werd door monniken die hun leven wijdden aan de verering van de heilige Gorgonius (?-303). Omdat ze krap bij kas zaten besloten ze ‘over te stappen’ op een heilige die hen meer inkomsten zou kunnen opleveren, aangezien Sint-Gorgonius ondertussen in de vergetelheid begon te raken.

Hun aandacht ging daarbij al snel uit naar een bisschop uit de Oriënt die grote bekendheid genoot om zijn ruimhartigheid. Het was Sint-Nicolaas van Myra (270-337) die zeven eeuwen daarvóór talloze wonderen verricht zou hebben in wat nu Turkije is. Als de priorij zou beschikken over een lichaamsdeel van deze heilige kon dat een stroom van pelgrims op gang brengen en daarmee de plaatselijke economie doen floreren. Het bemachtigen van zo’n relikwie was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, omdat de dichtstbijzijnde plaats waar men er één van Sint-Nicolaas bewaarde zich vijftienhonderd kilometer verderop in het zuiden van Italië bevond.

Verrassend genoeg verklaarde ridder Aubert de Varangéville zich bereid om een reliek van Sint-Nicolaas daar op te gaan halen. De monniken maakten dankbaar gebruik van dit aanbod, maar hun vreugde sloeg al snel om in wantrouwen toen het bleek uit te draaien op een ordinaire diefstal. Nadat Ridder Aubert met het relikwie (een vermeende vingerkoot van de heilige) in Varangéville was aangekomen liet hij deze plechtig onderbrengen in de schatkamer van de priorij die zich boven in de klokkentoren bevond.

kerk van Varangéville
De kerk van Varangéville, waar het reliek van Sint-Nicolaas aanvankelijk bewaard werd. (CC BY-SA 4.0 – Musicaline – wiki)

Bedevaartsgangers

De monniken voelden zich allerminst op hun gemak met het gestolen relikwie en konden bovendien geen belangstellende vinden voor de beenderen van Sint-Gorgonius, een soldaat uit de tijd van de Romeinen. Daarom brachten ze de hand van Sint-Nicolaas onder in een kleine kapel aan de overzijde van het riviertje Meurthe. Door de komst van vele bedevaartgangers maakte deze kapel enkele eeuwen later plaats voor een grote kerk die het hart ging vormen van het gelijknamige stadje: Saint-Nicolas de Port. En het bleef niet bij pelgrims, want ook kruisridders en koningen reisden af naar Saint-Nicolas de Port om er neer te knielen voor de reliekhouder in de vorm van een arm.

Niet alleen de monniken maar ook de hertogen van Lotharingen wisten dankzij al dit bezoek extra inkomsten te genereren. Sint-Nicolaas vulde niet alleen geldbuidels en schatkisten, hij zou ook verantwoordelijk zijn voor meerdere wonderbaarlijke genezingen en bevrijdingen. Zo zou de heilige in 1230 behulpzaam zijn geweest bij de ontsnapping van Cunand de Réchicourt, een ridder uit Lotharingen die tijdens de zesde kruistocht gevangen was genomen. Dit wonder wordt jaarlijks nog herdacht met een lichtprocessie rond de reliekhouder.

Basiliek van Saint-Nicolas de Port
Basiliek van Saint-Nicolas de Port (CC BY-SA 4.0 – Antoine Taveneaux – wiki)

Basiliek

In de vijftiende eeuw werd Lotharingen bedreigd door Karel de Stoute (1433-1477), hertog van Bourgondië, die op dat moment bijna net zo machtig was als de koning van Frankrijk. René II van Lotharingen (1451-1508) was ondanks zijn jonge leeftijd echter vastbesloten om zijn hertogdom tot het uiterste te verdedigen. Hij ging bondgenootschappen aan met de Zwitserse steden en riep Sint-Nicolaas uit tot beschermheilige van zijn krijgslieden. Tegen alle verwachtingen in wist hij de Bourgondische troepen in 1477 bij Nancy te verslaan, waarbij Karel de Stoute dood op het slagveld achterbleef.

Glas-in-lood Saint-Nicolas-de-Port
Glas-in-lood-raam uit de basiliek van Saint-Nicolas de Port met daarop de heilige Nicolaas en de drie jonge mannen die door hem zijn gered. (CC BY-SA 4.0 – Denis Krieger – wiki)
Uit dankbaarheid verhief René II Sint-Nicolaas tot patroonheilige van alle Lotharingers en liet de kerk van Saint-Nicolas de Port uitbreiden tot een basiliek, waarvan de vensters werden voorzien van glas-in-lood-ramen. Eén daarvan laat zien hoe de heilige Sint-Nicolaas drie onschuldig veroordeelde jonge mannen redde. Die zouden ook echt bestaan hebben, maar in voorstellingen werden ze in de loop der tijd steeds kleiner afgebeeld en veranderden uiteindelijk in kinderen.

Knecht Ruprecht

Zo ontstond de legende van Sint-Nicolaas als kindervriend die zich in de twaalfde en dertiende eeuw via scholen over vele gemeenschappen verspreidde. Daarin brengt hij drie kinderen weer tot leven die door een slager in stukken waren gehakt. Dit bloeddorstige heerschap ontwikkelde zich op zijn beurt weer tot Ruprecht, nadat hij spijt had betoond voor zijn daad en als knecht in dienst was getreden bij Sint-Nicolaas. Door nog af en toe als boeman op te treden benadrukte hij in die rol de goedhartigheid van zijn meester nog eens extra.

In Metz, tachtig kilometer ten noorden van Saint-Nicolas de Port, verscheen deze Ruprecht voor het eerst ten tonele, toen de Lotharingers opnieuw met een sterke vijand geconfronteerd werden. Halverwege de zestiende eeuw was Metz een vrije stad binnen het Heilige Roomse Rijk die bestuurd werd door rijke families. Ze dankte haar welvaart aan een strategische ligging op een knooppunt van handelswegen. De stad telde maar liefst zestig bankiers, geldwisselaars en muntmeester, meer dan Parijs er in die tijd had. Toen deze echter ook geld gingen uitlenen aan de koning van Frankrijk en hertog van Lotharingen wekte dit de woede van de Duitse keizer Karel V (1500-1555), op dat moment de machtigste man van Europa, die ook heerste over Spanje en de Nederlanden.

Middeleeuwse muren van Metz
Middeleeuwse muren van Metz (CC BY-SA 3.0 – Ga5775 – wiki)
De spanningen liepen zo hoog op dat de Franse koning de Hertog van Guise (1519-1563) naar Metz stuurde om de stad in staat van verdediging te brengen. Deze moest het echter nog stellen met middeleeuwse muren die niet meer bestand waren tegen het moderne geschut. Frans van Guise kon daarom niet veel meer doen dan binnen een straal van tien kilometer alle kloosters, abdijen en andere gebouwen af laten breken om in ieder geval een vrij zicht op de vijand te hebben. Die kwam vervolgens aangerukt met naar schatting twintigduizend manschappen, hetgeen een overweldigende indruk maakte op de bewoners van de stad. Toen die daardoor in paniek dreigden te raken, zouden de leerlooiers volgens de legende op een idee gekomen zijn. Ze knutselden een metershoge pop in elkaar met een uitgestoken kin, lange baard en zwepen in beide handen. Het moest Karel V voorstellen die zijn onderdanen geselde en ging later model staan voor Ruprecht met zijn roe.

De pop werd vervolgens door de stad zijn gedragen, als was de keizer overwonnen en gevangen genomen, waardoor de burgers weer moed kregen om de verdediging van de stad op zich te nemen. Dat leek te werken, want na vijf maanden was de Duitse keizer genoodzaakt om het beleg op te geven, al had dat meer te maken met de honger en de besmettelijke ziekten waaronder zijn soldaten te lijden hadden. Na de heilige Nicolaas was het dit keer dus zijn knecht Ruprecht die de Lotharingers voor een vijand had behoed.

Santa Claus

Drie eeuwen later werd Metz in de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) opnieuw belegerd, maar toen wél veroverd door de Pruisische troepen. Duizenden Lotharingers zochten daarna hun toevlucht in Nancy, dat tot het Franse grondgebied bleef behoren. In het centrum van deze stad nam de cultus van Sint-Nicolaas een nieuwe wending toen men er met de ‘Village Saint-Nicolas’ een hele markt aan hem ging wijden.

Als gevolg van de secularisatie ten tijde van de Derde Republiek (1870-1940) raakte de religieuze achtergrond van Sint-Nicolaas steeds verder uit beeld en maakte plaats voor commerciële motieven. Op veel plaatsen veranderde hij toen zelfs in ‘Santa Claus’, ofwel de Kerstman. In Lotharingen wist dit gemoedelijke mannetje met zijn dikke buik Sint-Nicolaas echter nooit van de troon te stoten. Per slot van rekening wordt hij er al duizend jaar vereerd.

Bronnen

– Arte TV Invitation au Voyage / Stadt, Land & Kunst 5-6-2025

Lees meer over

Frankrijk

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×