De Duitse Bond (1815-1866) – Confederatie van Duitse staten

En de rivaliteit tussen Pruisen en Oostenrijk

De Duitse Bond, ook wel Duitse Confederatie, werd in 1815 gevormd door circa veertig Duitse staten. De deelnemers hielden ieder een grote mate van autonomie, maar konden wel gezamenlijk optreden tegen het buitenland. Hoofddoel was officieel het bewaken van de zelfstandigheid van Duitsland, maar in de praktijk ook vooral het bewaken van de oude absolutistische orde. De Pruisisch-Oostenrijkse oorlog maakte in 1866 een einde aan de Duitse Bond.

Wapen van de Duitse Bond, vanaf 1848
Wapen van de Duitse Bond, vanaf 1848
Na de val van Napoleon kwamen vertegenwoordigers van Europese staten op uitnodiging van de Oostenrijkse minister Von Metternich in Wenen bijeen om te praten over een nieuw machtsevenwicht op het continent. Veel staten wilden terugkeren naar de situatie van voor de Franse Revolutie, waarbij leden van de verschillende vorstenhuizen de scepters zwaaiden. Een wederopstanding van het Heilige Roomse Rijk, dat in 1806 door Frans II van Oostenrijk was opgeheven, was voor de Duitse gebieden echter geen reële optie. In plaats daarvan kwam er een simpelere en modernere versie: de Duitse Bond.

Absolutistische orde

Op 8 juni 1815 werd de statenbond officieel opgericht. De eerste regel van de oprichtingsakte luidde als volgt:

“De soevereine vorsten en vrije steden van Duitsland verenigen zich in een duurzame bond, die de Duitse Bond zal heten.”

De akte werd die dag in Wenen ondertekend door vier stadstaten (Hamburg, Bremen, Lübeck en Frankfurt) en vijfendertig vorstendommen. Deze verloren hun autonomie niet. Hoe men de binnenlandse politiek voerde moest men zelf weten. Voor wat betreft de binnenlandse zaken spraken de leden alleen af dat alle bondsstaten een grondwet moesten ontwikkelen, gebaseerd op de standenvertegenwoordiging. Feitelijk werden verder alleen afspraken gemaakt over militaire zaken. Leden van de bond waren door de ondertekening bijvoorbeeld niet meer vrij om bondgenootschappen aan te gaan met andere mogendheden, als dat de veiligheid van andere leden in gevaar bracht. En wanneer een van de lidstaten werd bedreigd, waren de andere verplicht te hulp te schieten. De Duitse Bond moest een soort militaire buffer vormen tussen Frankrijk en Rusland en daarnaast de oude absolutistische orde bewaken.

- advertentie -

Oostenrijk en Pruisen

Wapen van Pruisen
Wapen van Pruisen
Meest prominente leden van de bond waren Oostenrijk en Pruisen, twee grote rivalen. Eerstgenoemde land werd aangesteld als permanente voorzitter van de Duitse Bond. Bepaald werd dat de staten bijeenkwamen in een Bondsdag, gehouden in Frankfurt am Main.

Er waren ook drie niet-Duitse vorsten lid van de bond: de koning van Denemarken (als hertog van Holstein en Lauenburg), de koning van Nederland (als groothertog van Luxemburg en later ook Limburg) en – vanaf 1837 – de koning van het Verenigd Koninkrijk (als koning van Hannover).

In 1790 bestond Duitsland overigens uit 360 staten. Met de Duitse Bond keerde men dus niet terug naar die situatie. Vorsten die hun macht in de tussentijd verloren hadden of afhankelijk waren geworden van grotere staten, werden niet in ere hersteld.

Geen echte eenheid

Lang niet alle inwoners waren blij met de nieuwe bond. De tijd van de Napoleontische oorlogen had bij burgers het verlangen naar een grotere Duitse eenheid wakker gemaakt. Nu er feitelijk alleen een militair bondgenootschap was gesloten, voelden sommige burgers zich bedrogen. Had men dáár voor gevochten? De bond zorgde er vooral voor dat de oude rechten van de Duitse vorsten bewaakt werden en hield daarmee verdeeldheid tussen de verschillende staten in stand, terwijl veel burgers juist behoefde hadden aan een nieuw, Duits nationalisme.

De Oostenrijkse en Pruisische staatshoofden moesten niets hebben van het Duits nationalisme. James Hawes schrijft hierover in zijn boek Duitsland in het kort:

“Het enige wat de Oostenrijkse en Pruisische kroon verenigde en wat hen beide verenigde met de andere koningen en vorsten in Europa, was hun haat tegen het Duits nationalisme. Nationalisme werd in die tijd progressief en liberaal gevonden, omdat het impliceerde dat een volk (etnisch gezien) zichzelf moest regeren en niet overheerst moest worden door degene die toevallig de troon had geërfd. Uiteraard koesterden Europese heersers met erfelijke tronen niets dan weerzin en angst voor het nationalisme.”

Studentenoptocht naar de Wartburg 1817
Studentenoptocht naar de Wartburg 1817

Burschenschaften – Verzet van studenten

Vooral studenten, verenigd in zogenaamde Burschenschaften, lieten zich horen. Zij waren ontevreden over het feit dat de oude Duitse vorstendommen na de val van Napoleon waren hersteld en er slechts op hele kleine schaal liberale hervormingen werden doorgevoerd. Op 18 oktober 1817 kwamen, na een oproep van studenten uit Jena, ongeveer zeshonderd van studenten bijeen in Eisenach, de plek waar Maarten Luther precies driehonderd jaar eerder het Nieuwe Testament in het Duits had vertaald. De bijeenkomst viel ook samen met de herdenking van de Völkerschlacht (16 tot en met 19 oktober 1813), waarbij Duitsers het zij-aan-zij tegen Napoleon hadden opgenomen. In verschillende redevoeringen deden de studenten in Eisenach de ideeën van de Burschenschaften uit de doeken. De studenten pleitten voor “Eenheid van het Duitse Vaderland” en een eigen Duitse grondwet, en dus niet één die op de Franse principes was gebaseerd. In zo’n nieuwe grondwet moest de eigen mentaliteit van het Duitse volk tot uitdrukking komen.

Om de oude orde te beschermen besloten Oostenrijk en Pruisen op te treden tegen deze en andere liberale stromingen. In 1819 ondertekenden de leden van de Duitse Bond hiertoe de zogenoemde Besluiten van Karlsbad. Directe aanleiding was de moord op toneelschrijver August von Kotzebue (1761-1819), die patriottisch gezinde Duitse studenten belachelijk had gemaakt. Na Karlsbad waren alle uitingen van liberaal of nationalistisch sentiment onwettig. James Hawes:

“Heel Duitsland kwam nu in de greep van een verstikkend sociaal, politiek en bureaucratisch conformisme.”

Vanwege de repressie weken veel Duitsers die vrijuit wilden kunnen spreken en schrijven uit naar Groot-Brittannië, waar men zat te springen om arbeidskrachten. Ook economische migranten wisten de weg naar Londen en andere Britse steden te vinden. Anderen reisden door naar de Verenigde Staten. Migreren was zeer eenvoudig. Groot-Brittannië kende destijds bijvoorbeeld geen registratiesysteem voor immigranten en gevaar voor uitlevering aan de thuisstaten was er niet.

Gevechten in Berlijn op 19 maart 1848
Gevechten in Berlijn op 19 maart 1848

Revolutie: 1848

Ondanks de onderdrukking bleven liberale en nationalistische gevoelens onderhuids bij veel Duitsers leven. Toen in 1848 in Parijs een revolutie uitbrak en burgers sociale en politieke hervormingen eisten, sloeg de vonk dan ook snel over naar Duitsland. In steden als Wenen, Berlijn en Mannheim kwamen grote aantallen demonstranten bijeen en kwam het tot gevechten. De demonstranten eisten onder meer persvrijheid, vastgelegde burgerrechten, een grondwet voor alle Duitsers, instelling van een overkoepelend Duits parlement en juryrechtspraak naar Engels model.

Frederik Willem IV in 1847
Frederik Willem IV in 1847
In Berlijn kwam het op 18 maart tot gevechten waarbij maar liefst driehonderd demonstranten werden gedood. De koning van Pruisen, Frederik Willem IV, schrok hier zo van dat hij besloot een rondrit door de stad te maken met een zwart-rood-gouden vlag. Dit was hét symbool van het verenigde Duitsland. Frederik leek te capituleren voor de nationalisten en beloofde zelfs dat Pruisen als het aan hem lag opging in een groter Duitsland. De geest leek daarmee terug in de fles, maar wie juichte bleek dat te vroeg te hebben gedaan.

Groot of Klein-Duitsland?

Mei datzelfde jaar kwam in Frankfurt een overkoepelend Duits parlement, de Reichstag, bijeen. Doel: een grondwet opstellen voor heel Duitsland. De vraag was echter wel hoe groot dat Duitsland dan precies moest zijn. Koos men voor een Groot-Duitsland (met Oostenrijk en bijvoorbeeld ook Bohemen en Hongarije) of voor een Klein-Duitsland (waar alleen de Duitstalige gebieden onderdeel van uitmaakten). Het parlement bestond uit maar liefst 800 afgevaardigden, die volgens het algemeen mannenkiesrecht waren gekozen, en fungeerde als een soort tijdelijk centraal bestuur voor heel Duitsland. Echte macht had het parlement echter niet. Die blijf namelijk bij de vorsten liggen.

Een klein jaar later nam het parlement wel de zogenoemde ‘Frankfurter Grondwet’ aan. Hierin werd bepaald dat er een Duits rijk moest komen met de Pruisische koning Frederik Willem IV als keizer. Dit leek een reële optie. Frederik had een jaar eerder immers aangegeven dat Pruisen op kon gaan in een groter Duitsland. De koning bleek zich in de tussentijd echter te hebben bedacht en sloeg het aanbod af. Liberalen en nationalisten waren terug bij af. Vrijwel alles bleef bij het oude. De revolutie was mislukt.

Einde van de Duitse Bond

Bismarck als de IJzeren Kanselier, met een Pickelhaube op het hoofd (1880)
Bismarck als de IJzeren Kanselier, met een Pickelhaube op het hoofd (1880)
Vanaf 1864 begon Otto von Bismarck, als minister-president en minister van Buitenlandse Zaken van Pruisen, enkele oorlogen om de Pruisische macht uit te breiden. Hij viel, samen met Oostenrijk, Denemarken aan om de Duitssprekende gebieden van Sleeswijk-Holstein in handen te krijgen. Na deze oorlog werd Sleeswijk bestuurd door Pruisen en Holstein door Oostenrijk. Bismarck stuurde echter aan op oorlog met Oostenrijk en liet Holstein in 1866 bezetten. Daarmee kwam er feitelijk een einde aan de Duitse Bond.

In de zomer van ditzelfde jaar vormde Pruisen een Noord-Duitse Bond, een nieuwe federatie van 22 staten in Noord-Duitsland, dus zonder Oostenrijk. Hawes:

“In naam was dit een federale staat met individuele leden en vrije verkiezingen, maar de koning van Pruisen bleef altijd aan het hoofd staan en de eerste minister van Pruisen fungeerde altijd als bondskanselier.”

Limburg

Limburg maakte geen onderdeel uit van deze nieuwe bond en werd in 1867 officieel de elfde provincie van Nederland. Nog tot begin twintigste eeuw bleef de provincie zich officieel een hertogdom noemen. Het feit dat commissaris van de Koning(in) in Limburg met “gouverneur” aangesproken wordt, herinnert nog aan die tijd.

Overzichtspagina: Geschiedenis van Duitsland
Lees ook: De Luxemburgse kwestie (1867)
Boek: Duitsland in het Kort – James Hawes

Bronnen

-https://duitslandinstituut.nl/naslagwerk/14/duitsland-wordt-geen-eenheid
-Duitsland in het Kort – James Hawes – Balans, 2017 (p.110-112, 126)
-Kroniek der Mensheid (p.683,691)
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Besluiten_van_Karlsbad

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: