De Duitse politiek historicus Frank Bösch schreef een boek over het Duitse buitenlandbeleid vanaf de jaren vijftig. In tegenstelling tot eerdere auteurs focuste hij op de contacten met autocratische regimes.
Iconische beelden: de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer en de Franse president Charles de Gaulle die het Frans-Duitse vriendschapsverdrag tekenden, de Amerikaanse president John F. Kennedy die in Berlijn Ich bin ein Berliner zei. Allebei in het jaar 1963, dat het laatste jaar van Adenauer als bondskanselier zou blijken. in de veertien jaar dat hij aan het roer stond, maakte hij de Bondsrepubliek Duitsland (BRD, van 1949 tot 1990 ‘West-Duitsland’) niet alleen democratisch. Hij verankerde zijn land stevig in het Westen – via de vriendschap met Frankrijk en het lidmaatschap van de NAVO en de Europese Gemeenschap (nu Europese Unie). Deze westerse koers werd bekend als de Westintegration.
Volgens de Duitse historicus Frank Bösch is dat waar de meeste auteurs over de Duitse naoorlogse buitenlandpolitiek op focussen. Maar Duitsland onderhield niet alleen betrekkingen met westerse democratieën. Als exportland moest het ook contacten onderhouden met autocratische regimes. Die verhoudingen zijn het onderwerp van zijn boek Deals mit Diktaturen. Eine andere Geschichte der Bundesrepublik (München, 2024).
Jaren ’50 en ’60: handel met dictators
De naoorlogse decennia worden ook wel omschreven als Wirtschaftswunder (‘economisch wonder’): uit het puin van de bombardementen tijden de Tweede Wereldoorlog herrees West-Duitsland als succesvol industrieland. Maar dat economische succes hing ook af van buitenlandse afzetmarkten.
Als protest tegen de Duitse deling weigerde West-Duitsland betrekkingen met landen die de communistische Duitse Democratische Republiek (DDR, ‘Oost-Duitsland’) erkenden, de Hallsteindoctrine. Daardoor was handel met communistische landen uitgesloten.

Schijnheilig? Niet in de toenmalige context. Tijdens de Koude Oorlog zagen veel westerse landen niet-communistische dictaturen als bondgenoten in de strijd tegen het communisme. Mensenrechten gingen pas in de jaren zeventig een rol spelen in het publieke debat. En sommige regimes, zoals dat van de sjah in Iran, werden toen nog niet als dictatuur beschouwd.
Eind jaren ’60, begin jaren ’70: protest
Eind jaren zestig begon de publieke opinie te veranderen. Vooral de banden met het kolonelsregime in Griekenland (1967-1974) en de dictatuur van generaal Pinochet in Chili (1973-1990) werden bekritiseerd. Dit kwam deels door migratie: gastarbeiders uit Griekenland en vluchtelingen uit Iran protesteerden tegen de betrekkingen die West-Duitsland onderhield met heersers in het herkomstland. Niet iedereen had daar begrip voor: sommigen vonden dat conflicten uit het buitenland niet naar Duitsland moesten worden geïmporteerd.
Een andere oorzaak was de opkomst van de ‘protestgeneratie’ in de jaren zestig en zeventig. Maar ook deze jongeren waren niet altijd consequent: hun afkeer van rechtse dictaturen weerhield hen er niet van om te dwepen met linkse dictators, zoals Mao in China en Castro in Cuba.
Willy Brandt (1969-1974)
In 1969 werd Willy Brandt de eerste sociaal-democratische bondskanselier van West-Duitsland (1969-1974). Daarvoor was hij drie jaar minister van Buitenlandse Zaken geweest in een coalitie met de christen-democraten. Brandt werd bekend om zijn neue Ostpolitik: het streven om de Duitse deling op termijn te beëindigen door in de tussentijd betrekkingen aan te knopen met de Sovjet-Unie en Oost-Europese regimes. Wandel durch Annäherung.
Er veranderde meer. Brandt was in de jaren dertig zelf gevlucht voor het naziregime. Hij kon niet alle contacten met dictators beëindigen, maar hij bezocht en ontving er zo min mogelijk.
Hiervoor bestond een praktische oplossing. Adenauer ontving buitenlandse gasten bij voorkeur in de West-Duitse hoofdstad Bonn. West-Duitsland was een federatie. Naast het overwegend progressieve Noordrijn-Westfalen (NRW) was het conservatieve Beieren de grootste deelstaat. Autocraten werden ontvangen in de Beierse hoofdstad München. Zo begon een parallelle Beierse diplomatie, die nog steeds bestaat.

Helmut Schmidt: pragmatische samenwerking (1974-1982)
Brandt werd opgevolgd door partijgenoot Helmut Schmidt, een realpoliticus die de voorkeur gaf aan pragmatische samenwerking. Alle contacten met dubieuze regimes verbreken zou de handel te veel schaden. Wel kon hij weigeren om bijvoorbeeld machinegeweren te leveren aan de politie, zodat die niet tegen de eigen bevolking konden worden ingezet. Tegelijk bleef ander materieel wél beschikbaar voor het leger — in theorie niet bedoeld voor binnenlands gebruik.
Schmidt was naast overtuigd Europeaan ook trans-Atlanticus. Het NAVO-dubbelbesluit — waarbij het stationeren van kruisraketten in West-Europa werd gekoppeld aan onderhandelingen met het Warschaupact over wederzijdse wapenvermindering — was zijn idee. Toch kreeg hij kritiek van de Amerikaanse regering, omdat hij geen steun gaf aan economische sancties tegen landen waarmee West-Duitsland handel dreef. Na de olieboycot van 1973 raakte West-Europa in een economische crisis die tot in de jaren tachtig zou aanhouden. Schmidt wilde geen extra risico nemen voor Duitse banen. Frankrijk maakte overigens dezelfde afweging.
Helmut Kohl en de Groenen in de jaren ‘80

Het nieuwe Chinese beleid bood kansen voor de Duitse export. Bondskanselier Helmut Kohl (1982-1998) was de eerste die daarvan profiteerde. Waar de sociaal-democraten de banden met Rusland aanhaalden, richtten de christen-democraten zich op China.
Bij de parlementsverkiezingen van 1983 kreeg Kohls centrumrechtse coalitie met de liberalen een meerderheid. Tegelijk kwamen de Groenen voor het eerst in de Bondsdag. Zeker in de beginjaren vertolkten de Groenen de idealen van de protestgeneratie. In 1950 werd Tibet ingelijfd door China. Terwijl de regering-Kohl op handelsreis ging naar China, nodigden de Groenen de Dalai Lama uit in Duitsland.
Kohl was ervan overtuigd dat handel ook de mensenrechten kon bevorderen. Kritiek werd volgens hem eerder geaccepteerd van een economische partner dan van een boze buitenstaander. Luid protest zou de situatie in een ander soeverein land niet veranderen. Handelsmissies boden tenminste de gelegenheid om een lijst met namen van politieke gevangenen uit de binnenzak te halen en hun vrijlating te bepleiten.
Tweesporenbeleid vanaf de jaren negentig
Vanaf de jaren negentig werd een tweesporenbeleid de norm voor zowel christen-democratische als sociaal-democratische bondskanselieren: zakenreizen én mensenrechten. Voor de camera zakendeals tekenen, binnenskamers mensenrechten bespreken.

Schröder stond daarin niet alleen, maar handelde binnen een bredere naoorlogse Duitse diplomatieke traditie. Ook Helmut Schmidt onderhield vriendschappelijke banden met de Egyptische president Sadat (1970-1981) – een leider van een land dat evenmin als democratie gold.
Abraham Kuyper legde bij inhuldiging Wilhelmina geen eed af
Red Scare (Rode Schrik) en het McCarthyisme
Jan Kappeyne van de Coppello – De man van de dode vlieg
Jom Kippoeroorlog (6-26 oktober 1973)