Dark
Light

Van God Los: de onstuimige jaren zestig

14 minuten leestijd
Simon Vinkenoog, De geest waait waar jij wilt,1966, IISG Amsterdam
Simon Vinkenoog, De geest waait waar jij wilt,1966, IISG Amsterdam

Onder de enigszins schertsende titel Van God Los? presenteert het Catharijneconvent een boeiende historische tentoonstelling over de onstuimige jaren zestig. Anno 2022 is het nauwelijks meer voor te stellen, maar in 1960 was Nederland een van de meest christelijke landen van Europa. Deze expositie laat zien hoe daar in korte tijd verandering in kwam.

Jongen in liturgisch gewaad tijdens popfestival Kralingen, Rotterdam 1970, foto Pim Westerweel, collectie Vintage Photo
Jongen in liturgisch gewaad tijdens popfestival Kralingen, Rotterdam 1970, foto Pim Westerweel, collectie Vintage Photo
Tijdens een inleiding laat conservator Tanja Kootte beelden zien van hasj rokende jongeren die gehuld in afgedankte misgewaden hun eigen Woodstock beleefden in het Rotterdamse Kralingse bos. Een volgende dia toont een impressie van de ‘tweede beeldenstorm’, die tijdens de secularisering sinds de jaren zestig in Nederland plaats vond. Heiligenbeelden werden de kerk uitgedragen, maar anders dan in 1566 niet kapotgeslagen. Een handgeschreven bord kondigt de uitverkoop van religieuze kunst aan: kruisbeelden, madonna’s, heilig hartbeelden, wijwaterkruikjes; alles voor de halve prijs. Geïnspireerd door deze uitverkoop liet kunstenaar Jacques Frencken zich in 1965 inspireren tot zijn uit een veelvoud van verzaagde Mariabeelden samengestelde Blauwe Madonna.

In zijn als ‘een gebed zonder end’ gepresenteerde Litanie van het Heilig Hart bezorgt Frencken de eveneens op straat belande Heilig Hart beelden een afterlife, al werd dit anno 1966 door praktiserende katholieken niet gewaardeerd. Niet alleen deze (ont)roerende stukken, maar ook onroerend goed moest eraan geloven. Een poster roept op tot protest tegen de sloop van de Rotterdamse Koninginnekerk:

“Wat de nazi’s lieten staan, dat gaat er nu wel aan.”

Jacques Frenken, Blauwe Madonna, ca.1965, foto Ruben de Heer, Museum Catharijneconvent
Jacques Frenken, Blauwe Madonna, ca.1965, foto Ruben de Heer, Museum Catharijneconvent

Tweestromenland

De naoorlogse decennia werden enerzijds gekenmerkt door een behoudende, door religie bepaalde levenshouding, deels voortkomend uit dankbaarheid voor de herkregen vrede en welvaart. Anderzijds ontstond verzet tegen de gevestigde religieuze orde en het establishment in het algemeen. Beelden van happenings, beatmissen, protesterende studenten en provo’s zullen bij zestig-plussers heel wat los maken.

Tegenwoordig worden wij via sociale media non-stop overspoeld met wereldnieuws. In de naoorlogse jaren kwam dat via de krant en de radio nog gedoseerd binnen. In de verspreiding van wereldnieuws en moderne ideeën ging de televisie in de jaren zestig een belangrijke rol spelen. Beelden van de Vietnamoorlog, honger in Afrika, de rassenstrijd in Amerika en de moord op dominee Martin Luther King dwongen de kijkers om na te denken over actuele politieke en levensbeschouwelijke vragen. En ze zaaiden twijfel aan de voorheen als almachtig beschouwde God, die dit allemaal liet gebeuren. De televisie droeg er zelfs aan bij dat God van zijn voetstuk werd gehaald!

In archiefbeelden van het destijds spraakmakende programma Mies en Scène laat schrijver Godfried Bomans zijn licht schijnen op het veranderende godsbeeld: …’God is verhuisd… naar cafés, naar huiskamers, de straat op’… en …‘hij is aardiger geworden’… Bomans was niet de enige die het zo zag, maar niet iedereen ervoer het vertrek van God als bevrijding. Het loslaten van de oude vertrouwde zekerheden, waarbij het leven van wieg tot graf, zowel voor katholieken als protestanten was ingebed in het geloof, betekende voor anderen verlies. In de kloostergang van het museum krijg je daarvan een indruk. Tussen de spulletjes in het verzorgingsmandje voor een katholieke baby herinnert een met een engeltje versierd wiegenkruisje hier nog aan.

Katholieke geestelijken klaar voor vertrek naar het tweede Vaticaans Concilie
Katholieke geestelijken klaar voor vertrek naar het tweede Vaticaans Concilie (Catharijneconvent)

Andere tijden

Het tij was echter niet meer te keren. De destijds populaire zanger Bob Dylan zong het ook

“The times they are a-changing.”

Er kwamen andere tijden, zowel binnen als buiten de kerken. In de grote expositiezaal markeert een foto van katholieke geestelijken letterlijk en figuurlijk het startpunt. Voor ze in het vliegtuig stappen om deel te nemen aan het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) poseren ze nog even voor de verzamelde pers. Het fotomoment legt niet alleen het begin van hun reis vast, maar ook de aanvang van grote veranderingen binnen de Rooms-Katholieke kerk. Vernieuwingen waarbij Nederland voorop zou lopen. Doelstellimg van deze internationale kerkvergadering, waar meer dan tweeduizend prelaten en waarnemers aan deel namen, was in bondig Italiaans: ‘Aggiornamento’; het ‘bij de tijd brengen’ van de kerk. Met het afschaffen van de Latijnse mis en verschillende andere vernieuwingen begon een frisse wind te waaien. Het concretiseren van de plannen is, denkend aan het celibaat en de rol van vrouwen in de kerk is meer dan vijftig jaar later echter nog steeds niet voltooid.

Het gepresenteerde kantelende tijdsbeeld zal iets oudere bezoekers zeker aanspreken en meer losmaken dan alleen maar herinneringen. Er komt ook emotie bij. Van een jonger publiek wordt wel wat inlevingsvermogen gevraagd, maar geholpen door interessante radio- en televisiefragmenten wordt voor hen een ongekende wereld ontsloten. Liepen onze oma’s (ja, die waren ooit ook jong!) er echt zó bij: in minirok of hotpants (huh?) met daarboven een beha-loos naveltruitje?!

In de jaren die op het Concilie volgden, tekent zich een streven af om de ramen open te zetten. In de grote zaal hangen portretten van katholieke voormannen. Peer van den Molengraft legde het vriendelijke voorkomen van Wilhelmus Marinus Bekkers vast; een boerenzoon die het tot bisschop van ’s-Hertogenbosch schopte (1960-1966).

Hij moet een zegen geweest zijn voor het vrouwelijk deel der katholieke natie. De kerk van Rome verbood het, maar bisschop Bekkers stelde dat het gebruik van de anticonceptiepil een kwestie van het eigen geweten was. Dit bericht werd in 1963 in het actualiteitenprogramma Brandpunt gecommuniceerd en… nog meer goed nieuws: bij opvolging van dit advies werd je niet geëxcommuniceerd. In de katholieke volksmond ging de pil, aangeduid als ‘Lekkers van Bekkers’, van mond tot mond. Een opluchting voor ouders die al gebukt gingen onder de last van een (te) grote kinderschare en jongeren die eens wat verder wilden gaan…

Een katholieke vriendin weet nog dat meneer pastoor haar moeder ieder jaar kwam vragen hoe ‘het’ zat… Om de procreatie te bevorderen adviseerde hij haar om zich een beetje aantrekkelijk te presenteren. Met dertien kinderen was dit gezin uiteindelijk compleet en… verdeeld. De oudsten waren bij de geboorte van de jongste het huis al uit en hadden zelf alweer kinderen. Wat soms resulteerde in bizarre familierelaties: met oomzeggertjes van een nog jonger familielid.

In de galerij van vooruitstrevende katholieke voormannen hangt ook een portret van de latere bisschop van Utrecht (1974-1983) Jo Willebrants. In zijn functie van Vaticaans secretaris reisde hij in 1964 als de ‘vliegende Hollander’ de wereld rond om onderlinge samenwerking te prediken. Ook Kardinaal Alfrink was niet wars van vernieuwingen. In zijn boek Nieuw Babylon stelt onderzoeker James Kennedy dat niet het volk van Nederland, maar de katholieke leiders de motor achter de veranderingen waren.

Jan Noyons, Liturgisch vaatwerk voor de Lucaskerk in ’s Hertogenbosch, 1964
Jan Noyons, Liturgisch vaatwerk voor de Lucaskerk in ’s Hertogenbosch, 1964 (Catharijneconvent)

Naast vereenvoudiging van de liturgie volgden ook versobering in de inrichting van de voorheen rijk versierde katholieke godshuizen en van het liturgische vaatwerk.

Rome was niet blij met al die nieuwlichterij. Met de benoeming van de behoudende bisschop van Rotterdam trok Rome in 1970 krachtig aan de noodrem. Adrianus Simonis wilde van de pratende kerk weer een biddende kerk maken. Afgezien van een sobere slechts met een ivoren krul bekroonde bisschopsstaf, moest hij niets hebben van vernieuwingen. De moderne herdersstaf ten spijt, wist Simonis de kudde niet bijeen te houden.

Gelovigen nemen stelling in eigen bolwerk

Zowel de rooms-katholieke als de protestantse kerk oefende veel invloed uit op het dagelijks leven. Op de vraag van de hoofdmeester van mijn christelijke lagere school in Hilversum was maar één antwoord mogelijk:

als er bij jullie in de buurt een katholieke en een gereformeerde bakker zit, waar koop je dan je brood?

De zogenoemde verzuiling dicteerde niet alleen naar welke kerk, school of sportvereniging je ging, maar ook wiens brood je at! Een nieuwe ringschroef voor mijn tol kocht ik bij ijzerwarenhandel de Volharding. Al besefte ik als kind niet dat naam een sleutelwoord was uit de brieven van Paulus.

Nonnen met moderne en ouderwetse habijt
Nonnen met moderne en ouderwetse habijt (Catharijneconvent)
Ook vrouwen volhardden op de weg naar bevrijding. Tijdens de tweede feministische golf beklommen de hervormde Thea Barnard en de gereformeerde Nora van Egmond respectievelijk in 1968 en 1970 als eerste vrouwelijke predikanten de kansel.

In de katholieke kerk hadden vrouwen sinds de Middeleeuwen weliswaar een belangrijke rol gespeeld in het onderwijs en de verpleging, maar niet als voorganger. Een foto waarop de ontwikkeling van het saaie vormloze habijt tot een ‘hippe’ getailleerde kloosterjurk door lachende nonnen wordt getoond, illustreert dat de jaren zestig ook voor de veelal aan strenge regels gebonden nonnen verandering brachten.

Een vrolijke noot, gezongen door de gitaar spelende Soeur Sourire was geen wanklank geweest. Zestig jaar na dato klinkt het via YouTube nog net zo aanstekelijk: “Dominique, nique, nique!” Dat zij de stichter van haar kloosterorde Dominicus Guzman bezingt zal misschien niet tot elke luisteraar zijn doorgedrongen, maar de zingende zuster scoorde wereldwijd hoog op de hitparades.

Bij het zien van Wim Sonneveld als de zingende Frater Venantius opende zich een reservoir aan lang vergeten jeugdherinneringen: “Zeg maar ja tegen ‘t leven, ja tegen ‘t leven van je amen, van je gloria joechee!” Het deed me ook denken aan het grappig sketchje over ‘die verrekte non’ die in het café jenever besteld met de woorden: “doe ’t maar in een koffiekopje”.

Er klinken nog meer bekende klanken. Het lied Zolang er mensen zijn op aarde, gedicht door de ex-priester Huub Oosterhuis en getoonzet door Tera de Marez Oyens, de moeder van mijn schoolvriendinnetje op het Nieuwe Lyceum. We kregen haar maar weinig te zien, want zei ze: mijn moeder is componiste. Als twaalfjarige uit een amuzikaal gezin had ik géén idee, tot ik haar naam jaren later onder dit lied op de liturgie zag staan.

In die tijd waaide vanuit Amerika het verschijnsel van massaal bezochte evangelisatie bijeenkomsten over. De goed van de tongriem gesneden predikant Johan Maasbach kreeg in 1966 de handen van velen letterlijk en figuurlijk op elkaar!

Evangelisatie campagne Johan Maasbach, Den Haag,1966, foto Koen Wessing, IISG Amsterdam
Evangelisatie campagne Johan Maasbach, Den Haag,1966, foto Koen Wessing, IISG Amsterdam

Wie de jeugd heeft heeft de toekomst. Onder dit motto werden ook religieuze activiteiten voor jongeren georganiseerd. Tijdens een zomer in Zeeland liep ik, aangelokt door gitaarmuziek, de tent van Youth for Christ binnen. De herinnering hieraan kwam weer boven toen ik onlangs Jonathan Franzen’s Crossroads las.

Ook al was God, om met Geert Mak te spreken, uit Jorwerd vertrokken, in grote delen van ons land is hij gebleven. Religiositeit kende in de jaren tachtig zelfs een opleving, zoals in de tentoonstelling Bij ons in de Biblebelt te zien was.

In de orthodoxe gelederen van de gereformeerde kerk weken predikanten en gelovigen, overtuigd van Gods almacht, niet van hun koers. Een uitbraak van polio onder niet gevaccineerde kinderen werd in Elspeet als beproeving aanvaard en niet als aansporing om de kinderen in te enten. Deerniswekkend is de foto van een door polio verlamde man die de schijnbaar ongeïnteresseerde kerkgangers vanuit zijn rolstoel met een tekstbord oproept: Doe dit uw kinderen niet aan!

Kerkgangers worden geconfronteerd met demonstrant die oproept kinderen in te enten tegen polio, Elspeet 1966, ANP
Kerkgangers worden geconfronteerd met demonstrant die oproept kinderen in te enten tegen polio, Elspeet 1966, ANP

Veranderingen op religieus en maatschappelijk terrein waren zowel in rooms als protestants Nederland echter niet meer te stoppen. Affiches roepen op tot kennismaking met de ander(sdenkenden) en tot samenwerking: van kerken tot kerk. Niet alleen tussen de verschillende richtingen van de protestantse kerken, maar wereldwijd, aangeduid als oecumene, ook tussen protestanten en katholieken. Al ging dat niet vanzelf.

Op mijn grootmoeders keukentafel lag het hervormde kerkblaadje open bij een bericht over beoogde samenwerking tussen de plaatselijke hervormde en gereformeerde kerken. Samen op weg, maar ik ga niet mee, was haar reactie! Van de strenge levensstijl van de (oud)gereformeerden had zij een grondige afkeer. “Op zondag moesten ze twee keer naar de kerk en verder mogen ze niets!”, lichtte zij toe.

De jaren zestig en zeventig stonden niet alleen in het teken van afbraak; er werd ook opgebouwd en niet alleen aan interkerkelijke relaties. In de Utrechtse nieuwbouwwijken Kanaleneiland en Overvecht verrezen kerken, die door verschillende geloofsrichtingen gedeeld werden. Nadat katholieken om negen uur de mis hadden bijgewoond, konden om half elf protestantse gelovigen terecht. Onder hetzelfde dak kon ieder tot zijn of haar eigen god bidden.

In oecumenische zin ging het de goede kant op, maar bij voorgenomen gemengde huwelijken klonk nog wel de waarschuwing: twee geloven op een kussen, daar rust de duivel tussen. Een probleem dat in orthodox-christelijke kerken niet of minder speelde. In die kringen werd en wordt onder elkaar getrouwd, maar dat wil niet zeggen dat er geen problemen waren. Terwijl de hervormde kerk ten aanzien van het homohuwelijk uiteindelijk overstag ging, kunnen paren van hetzelfde geslacht in behoudende christelijke kringen niet op begrip rekenen. In de tweede expositieruimte weerklinkt de stem van de destijds populaire radiodominee Alje Klamer. In een ontroerend radiopraatje uit 1961 (!) spreekt hij homo’s bemoedigend toe:

“Ook al hebben uw eigen ouders, uw vrienden, uw kerk u afgewezen, ook al zwijgen ze u dood, God aanvaardt u zoals u bent. Dank God voor de liefde die u als homoseksueel kunt en mag beleven.”

Albert Koop, Slangenburgtafereel, 1973 privécollectie
Albert Koop, Slangenburgtafereel, 1973 privécollectie (Catharijneconvent)
Gerard Reve’s bekering tot het katholieke geloof wekte in 1966, toen velen van hun geloof af vielen, wel enige verbazing. Kwam het voort uit religieuze overtuiging of was het een publiciteitsstunt? De twijfel hierover wordt gevoed, wanneer hij voor een als blasfemisch ervaren verhaal over seks met god in de gedaante van ezel voor het gerecht wordt gedaagd. Dit zogenoemde Ezelproces inspireerde de kunstenaar Aldert Koop in 1973 tot het opmerkelijke Slangenburgtafereel, waarop Reve liggend in habijt zijn boek Lieve jongens leest, waarvan er twee in hun blootje kerkgangers koelte toe wuiven.

De kwestie ontlokte de schrijver de volgenden woorden: Mijn God is kennelijk niet de god van Nederland. Een veelzeggende uitspraak. In die jaren gaan meer mensen op zoek naar hun ‘eigen god’ of zelfs naar een alternatieve god. En er komt belangstelling voor andere vormen van spiritualiteit.

God bestaat niet, althans…

De tijden veranderden en volgens sommigen moest het niet gekker worden. Er stond zelfs een gereformeerde predikant op die het bestaan van God ontkende. God zou slechts bestaan in het denken van mensen. Omdat hun publicaties merendeels buiten het tijdsbestek van de tentoonstelling vallen wordt aan auteurs die deze overtuiging uitdragen in de tentoonstelling slechts op bescheiden wijze aandacht besteed. In een van de vitrines ligt een publicatie van de atheïstische dominee: Harry Kuitert, Verstaat gij wat gij leest?, een in 1970 verschenen ‘leeswijzer’ voor het interpreteren van de bijbel. Hoe? In elk geval niet als een waargebeurd verhaal. Tot ontzetting van de een en opluchting van de ander. God bestaat, aldus Kuitert, alleen in de verhalen van mensen. Daar kun je …’veel, en ook spiritualiteit uit halen. Maar meer niet’, aldus de van zijn geloof gevallen gereformeerde predikant. In Kuiterts voetspoor publiceerde Klaas Hendrikse in 2007 zijn verhandeling Geloven in een God die niet bestaat.

Ook in het katholieke kamp werd het traditionele godsbeeld tegen het licht gehouden. De dominicaan pater Edward Schillebeeckx zocht God ook niet meer ‘in den hoge’. Hij was van mening dat de ontmoeting tussen de mens en God niet meer per se in de persoon van Christus hoefde plaats te vinden. In de bestseller Jezus het verhaal van een levende; maakte Schillebeeckx zijn spirituele zoektocht naar Jezus van Nazareth in 1974 wereldkundig: wie was hij en wie is hij vandaag de dag.

God, maar dan anders

Ideeën over een veranderend godsbeeld vinden eveneens hun weg naar beeldende kunst en literatuur. In de laatste zaal zie je hoe schrijver en kunstenaar Simon Vinkenoog, de ‘verpersoonlijking van de hippie generatie’, er in 1966 over dacht. In zijn kennelijk speels op de apostel Paulus geïnspireerde ’zendbrief aan christenen’ stelt hij: God is dood: hoe staat het met jou?

Ook Jan Wolkers, die in een streng gereformeerd gezin opgroeide, gelooft het wel. In de roman Terug naar Oegstgeest, schrijft hij zijn jeugdtrauma’s van zich af.

Kees Buurman, Dubbelkruis, 1967, Rijksdienst voor het cultureel erfgoed Amersfoort
Kees Buurman, Dubbelkruis, 1967, Rijksdienst voor het cultureel erfgoed Amersfoort

Wolkers is niet de enige. De van huis uit gereformeerde kunstenaar Kees Buurman keert het geloof van zijn jeugd eveneens de rug toe. Hij geeft zijn Dubbelkruis vorm in het liturgische vocabulaire van het oosterse orthodox christendom. “Het kruis waaraan Christus is opgehangen is het kruispunt van alle horizontalen en verticalen”, aldus Buurman, die ter verduidelijking vervolgt:

“De aan het kruis genagelde mens staat voor wanhoop, maar het kruis is zijns inziens ook …’het teken van de allergrootste openheid en van de uitersten van het kennen, van de centralisatie van het kruispunt.”

Kunt u het nog volgen?

Wim de Haan, God 1962, Stedelijk Museum de Lakenhal
Wim de Haan, God 1962, Stedelijk Museum de Lakenhal
Verschillende andere kunstenaars gaven hun (visie op) god eveneens in sculpturen weer. De god van Wim de Haan is samengesteld uit sloophout… Menige bezoeker zal hier wellicht schouderophalend voorbijlopen, maar als je goed kijkt zie je onderaan het beeld een veelzeggend detail. Een naar beneden gerichte vinger verwijst naar de hierboven aangehaalde opvattingen van de atheïstische theoloog Kuitert: “alle spreken over boven komt van beneden.” Waarmee, even kort door de bocht bedoeld wordt: god is bedacht door mensen.

Ook de beeldhouwer Pierre de Grauw maakt zich metterdaad los. Als uitgetreden Augustijner monnik gaat hij bevrijd, maar niet ‘van god los’ verder. Overtuigd van een nieuwe levenshouding: De mens hoeft met gelukkig worden niet te wachten tot hij in de hemel komt. Het mag ook al in het hier en nu.

Pierre de Grauw, Lijdende Christus, 1966
Pierre de Grauw, Lijdende Christus, 1966
In de laatste expositiezalen zie je meer voorbeelden van het soms kantelende, maar vaker radicaal omvallende godsbeeld. De popart-kunstenaar Woody van Amen bewerkte de ansichtkaart met beeltenis van de paus, die zijn grootmoeder ooit als devotieprent uit Rome meebracht tot een pop(e)-art kunstwerk. Maar niet iedere kunstenaar keerde in deze onstuimige jaren God de rug toe. De schilderende Afrikaanse missiepater Tamis Wever geeft in een moderne reeks kruiswegstaties in 1963 zijn visie op Jezus.

Anderen, zoals de Beatles, zochten hun heil verder oostwaarts. In 1968 bezongen zij nog de op de Bijbelse moeder Maria geïnspireerde Lady Madonna als hommage aan alle moeders. In datzelfde jaar reisden de Beatles naar Rishikesh in India om deel te nemen aan een cursus Transcendente Meditatie bij Maharishi Mahes Yogi. Na eerdere pogingen om met geestverruimende middelen mentale verlichting te verkrijgen kozen zij in India voor de meditatieve weg. En het werkte: in India ontstonden veel succesvolle songteksten. Iets later zochten ook andere niet zelden hoogopgeleide personen, hun heil bij Indiase goeroes. De destijds bekende psychiater Jan Foudraine en ‘onze eigen’ Ramses Shaffy reisden in de jaren zeventig af naar Bhagwan Shree Rajneesh in Poona. De verlichting belovende en gelukbrengende levenslessen legden deze goeroes geen windeieren, maar verschillende volgelingen hielden er een blijvende psychische stoornis of een nare bijsmaak aan over.

De bevrijding van knellende godsdienstige en maatschappelijke banden bereikte de campus van de universiteit; ook studenten braken los. In 1969 volgden zij in Tilburg het voorbeeld van hun Parijse leeftijdgenoten. Ze bezetten het gebouw van de (toen nog) Katholieke Hogeschool. Als brave leerling van het Koning Willem II Lyceum ging ik (inmiddels verhuisd) na schooltijd met een ondernemend vriendinnetje mee naar het op destijds ‘alternatieve en ludieke’ wijze fonetisch aangeduide trefpunt voor studenten Posjet. Met deze verbastering van het accessoire dat ‘keurige’ bourgeois heren in hun vestzak droegen verwees de naam naar het door hen, de communistische studenten, verfoeide establishment. Het studentenprotest in de Brabantse provinciestad haalde de voorpagina’s niet, maar die van de hoofdstedelijke bezetting in 1968 van het Maagdenhuis kwam uitgebreid in het nieuws.

Op de lossere moraal en de daaruit voortgekomen nieuwe leef- en woonvorm van de commune, waarin alles en iedereen met elkaar gedeeld werd, gaat de expositie niet in. Een kunstenaar die deze vrijheden samen met niet minder dan vier echtgenotes omarmde is wel vertegenwoordigd. Tussen de besproken crucifixen hangt Anton Heyboers Gekruisigde Christus uit 1963.

Met het laatste werk van de expositie, Target, schiet Jacques Frencken letterlijk en figuurlijk in de roos. Op deze schietschijf vormt een beeldje van de gekruisigde Christus het mikpunt. Een replica met echte pijltjes zou om in stijl van de jaren zestig te blijven, een ludiek slotakkoord geweest zijn, maar blasfemie past niet binnen de aloude gerespecteerde muren van het van oorsprong religieuze convent.

 Jacques Frenken, Jezus als schietschijf, 1966, foto Arnold Verplancke, Museum Krona
Jacques Frenken, Jezus als schietschijf, 1966, foto Arnold Verplancke, Museum Krona

Bij de expositie is geen catalogus verschenen, maar het februarinummer van het museummagazine Catharijne is aan deze niet alleen informatieve, maar ook mooie expositie gewijd. Een uitgebreid randprogramma met lezingen en podcasts biedt mogelijkheden voor verdere verdieping in de grote religieuze en maatschappelijke veranderingen die in de jaren zestig plaats vonden. Zo wordt op 23 april in Tivoli Vredenburg een talkshow georganiseerd over- en voor kinderen van uitgetreden priesters. Zou Trijntje Oosterhuis haar stem daar ook laten horen?

www.uitdekunstmarina.nl

×