Op de avond van 14 juli 1976, rond de klok van zeven, verliet een 54-jarige Spaanse VN-diplomaat zijn kantoor in Santiago de Chili. Die ochtend was hij na een ruzie met zijn jongste dochter, Carmen, vroeger naar zijn werk vertrokken, maar nu had hij hoofdpijn, en verlangde hij er naar om bij zijn vrouw Vera en hun drie kinderen te zijn. Hij zou zijn gezin nooit meer terugzien.
Die veertiende juli werd de links georiënteerde Carmelo Soria onderschept door geheime agenten van het Pinochet-regime. Ze namen hem mee naar een detentiecentrum in de Via Naranja, waar ze hem met vuisten aftuigden, elektrische stroomstoten door zijn lijf joegen en zijn ribben verbrijzelden met autobanden. Uiteindelijk werd zijn hoofd op een trede gelegd en werd zijn nek met een welgemikte trap gebroken.
De volgende dag werd zijn verhakkelde lichaam teruggevonden op de oever van een stadskanaal, nadat eerder een auto uit hetzelfde kanaal was opgevist met daarin een fles sterkedrank, die zelfmoord moesten suggereren. Maar volgens Soria’s weduwe, die als arts bij de lijkschouwing aanwezig was, zat er geen water in zijn longen, schoot zijn kaak uit de kom, had hij letsels aan het hoofd en was een oog verschoven. Het Chileense Hooggerechtshof zou in een later arrest bevestigen dat het om moord ging.
Carmelo Soria was één van de ruim 3.000 slachtoffers die door het Chileense Pinochet-regime werden gedood, en één van de 40.000 die onrechtmatig waren gearresteerd en opgesloten. Voor de Britse hoogleraar Internationaal Recht Philippe Sands vormde de zaak-Carmelo Soria, en de talloze anderen die onder meer in de Calle Londres 38 opgesloten waren geweest, de basis voor een uitgebreid onderzoek naar de levensloop en de vervolging van twee personen, wier biografieën enigszins met elkaar vervlochten waren.
Een bijzonder Chileens-Duits duo
De eerste protagonist is Augusto Pinochet, de fascistoïde legerleider die in september 1973 een staatsgreep pleegde tegen zijn broodheer, de Chileense president Salvador Allende, en die het land tot 1990 met ijzeren vuist bestuurde. Pinochet maakte gebruik van een geheime politie, de ‘DINA’, en een resem doodseskaders. Ze ontvoerden, martelden en doodden linkse politieke tegenstrevers op grote schaal. Van velen werd nooit meer een spoor teruggevonden.

Pinochet triomfeerde: na 503 dagen huisarrest werd hij naar het vliegveld van Lincoln gebracht, waar een Boeing 707 van de Chileense luchtmacht hem opwachtte en terug naar zijn geboorteland bracht. Van de Britse ex-premier Margaret Thatcher kreeg hij als afscheidsgeschenk een uniek bord dat verwees naar de nederlaag van de Spaanse Armada in 1588. Ze riep het Britse volk op tot ‘loyaliteit aan een vriend’ en ‘bondgenoot’, noemde de arrestatie van Pinochet een ‘tragedie’ en waarschuwde voor een Spaans ‘showproces, waarvan de uitkomst van tevoren vaststond’.
De tweede hoofdrolspeler is Walter Rauff, een gewezen SS-Standartenführer en naaste medewerker van politiechef Reinhard Heydrich. Rauff was betrokken bij de uitroeiing van de joodse bevolking in Wit-Rusland, Oekraïne, Tunesië en Italië, maar had de grootste impact op het vernietigingsproces door de ontwikkeling van de gaswagens, die in concentratiekampen en aan het oostelijke front werden ingezet. Na de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij met behulp van bisschop Alois Hudal via Rome naar Syrië. Hij vestigde zich een tijdlang in Ecuador, waar hij zich engageerde voor de Duitse geheime dienst (BND) en vond daarna onderdak in Chili.

Rauff overleed in mei 1984, op 78-jarige leeftijd. Onder het brengen van de Hitlergroet en het geschreeuw van ‘Sieg Heil!’ werd zijn kist in een graf op de Lutherse begraafplaats neergelaten.
Prachtige monografie
Philippe Sands keerde voor zijn analyse zowat elke steen ondersteboven. Hij interviewde twee dozijn advocaten, griffiers, diplomaten en magistraten die vanop de eerste rij bij de zaak-Pinochet betrokken waren, sprak met ooggetuigen en overlevenden van zijn regime, met de arts die de ex-dictator medisch ongeschikt bevond en met Jean Pateras, de tolk die het arrestatiebevel voor hem vertaalde. In Chili trok hij naar de vele plaatsen waar Rauff had gewoond of gewerkt en had er een onderhoud met de mensen die zijn levenspad hadden gekruist – zijn secretaris, een agent van de Israëlische inlichtingendienst Mossad, een oude vriend die beweerde Rauffs lijk in een open kist te hebben gezien, Rauffs kleinzoon Walther III en bisschop Ricardo Wagner (die de rouwdienst van de gewezen nazi had geleid).
Bovendien maakte hij gebruik van een resem onuitgegeven documenten, die bestaande visies onderschreven of bijstelden. Zo vond hij brieven van Rauff terug in het familiearchief van Otto Wächter, de nazi-gouverneur van Galicië, die de hoofdrol speelde in één van Sands vorige boeken; hij las brieven van Rauff aan zijn zus Ilse en aan zijn neef Hans-Jochen Emsmann; en voor de beoordeling van een uitvoerige instructiebrief die Rauff zou hebben geschreven voor het schaduwen en martelen van politieke tegenstrevers, liet de auteur een linguïstische vingerafdruk maken door een expert aan de universiteit van Oxford. Ze concludeerde dat het document Duitse woorden bevatte uit regio’s waar Rauff nooit was geweest – wellicht was het document een samenraapsel van meerdere teksten van diverse oorsprong.
De verdwijningen van Londres 38 is het prachtige resultaat van Sands jarenlange zorgvuldige speur- en reconstructiewerk; ongetwijfeld zal zijn analyse nog vele jaren als definitieve deelbiografie van de beide protagonisten gelden.
Over vismeel, slachtofferperspectieven en veel geluk
Sands brengt historische gegevens aan het licht, die tot dusver niet meer dan een vermoeden of slechts in zeer kleine kring bekend waren. Hij vond een gewezen Chileens minister van Buitenlandse Zaken, een voormalige Brits kabinetschef en een Chileens onderhandelaar bereid te verklaren dat op hoog politiek niveau een Brits-Chileens akkoord was gesloten, waarbij aan Pinochet uitgelegd zou worden hoe hij een depressie kon veinzen, waarna hij uit medische overwegingen naar Chili zou worden teruggevlogen, in ruil voor een Chileense garantie dat hij in eigen land voor enkele van zijn misdrijven zou worden vervolgd.
Dat lichamen van vermoorde politieke tegenstrevers tot vismeel werden verwerkt klinkt als een ongeloofwaardig gruwelverhaal – maar Sands vond meerdere getuigen die het gerucht aannemelijker maakten, en ook Mario Carroza, de opperrechter bij het Chileense Hooggerechtshof die de zaak van het betrokken visbedrijf had onderzocht, meende dat het verhaal niet zomaar van de hand kon worden gewezen.
Ooggetuigen konden Rauff situeren op sinistere plaatsen waarmee de link tot nu toe hooguit speculatief was geweest. Maar ondanks zijn vele inspanningen slaagt Sands er niet in onomstotelijk bewijs te leveren van Rauffs betrokkenheid bij de organisatie van de Chileense detentiekampen, de ontwikkeling van gifgassen, de opleiding van folteraars of het mysterieuze verdwijnen van politieke tegenstrevers van het Pinochetregime.

Hoewel Sands Pinochets Londense passage en Rauffs tweede leven in Chili in detail beschrijft, blijven enkele elementen uit hun vervlochten biografieën toch onderbelicht. Zo verneemt de lezer bijzonder weinig over Rauffs Romeinse vluchtroute, zijn jaren in Damascus en zijn belevenissen in Ecuador. Ook over Pinochets wereldbeeld en over de oorsprong van zijn germanofilie is in het boek weinig terug te vinden. Het gros van de geïnterviewden zijn omstaanders en (nabestaanden van) slachtoffers, maar het perspectief van de dader komt slechts mondjesmaat aan bod.
Sands sprak met Anatolio Zarate, die een maand lang was vastgehouden in de Escuela de Ingenieros, waar beulen hem sloegen en zijn ruggengraat braken. Zarate getuigde over de aanwezigheid van Rauff in de Escuela in San Antonio, over verbrandingsovens en over Chevrolet koeltrucks waarin lijken werden vervoerd. Maar Sands vond geen chauffeurs, geen betrokkenen bij de crematies en geen collega’s die Rauff op hetzelfde tijdstip op dezelfde plaats konden situeren. Daardoor gaat beslist een zekere dimensie van de historische reconstructie verloren.
Wat Sands boek ons leert, is hoe fragiel juridische procedures op het hoogste niveau zijn, en van hoeveel toevalsfactoren hun welslagen afhangt. Als de Spaanse procureur-generaal Carlos Granados de zaak tegen Pinochet in de allereerste fase had verworpen, zoals heel wat procureurs wellicht hadden gedaan, dan was de Chileense dictator niet één moment verontrust geweest. Mocht de Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzon de conservatieve hoofdaanklager niet hebben omzeild, door het arrestatiebevel op een vrijdagavond in te dienen, net voor het weekend, in de hoop dat zijn collega al naar huis zou zijn vertrokken, dan had Pinochet nooit het risico gelopen aangehouden te worden. Indien de diplomaat John Dew de onderzoeksrechter niet op tijd op een fout in diens eerste arrestatiebevel had gewezen, zodat een tweede arrestatiebevel inderhaast kon worden uitgevaardigd, dan was Pinochet meteen als vrij man naar Chili teruggekeerd. En als de Britse overheid door het bombardement op Kosovo niet tot een ethisch buitenlands beleid gedwongen was geweest, dan had minister Robin Cook wellicht op een andere wijze gereageerd op de lange Pinochetsaga.

In Chili werd Pinochet tot zijn dood achtervolgd door juridische procedures. Milosevic stierf in de gevangenis. Saddam Hoessein werd opgeknoopt. Al-Bashir werd sinds zijn onttroning in eigen land berecht en opgesloten. Misschien schuilt de grootste verdienste van Sands boek in de boodschap, die ook nazi-jager Simon Wiesenthal destijds uitdroeg, “dat de moordenaars van morgen nooit zullen rusten.”
Augusto Pinochet: van legerleider tot omstreden dictator
Nazi spioneerde na de oorlog voor West-Duitsland
Moordaanslag in hartje Washington door de Chileense geheime dienst
Hoe Chileense rechercheurs tijdens de Tweede Wereldoorlog joegen op de spionnen van Hitler