In het hart van Bourgondië ligt de Morvan, een heuvelachtig en bebost gebied dat eeuwenlang tot de armere regio’s van Frankrijk behoorde. Duizenden vrouwen uit deze streek verlieten door de eeuwen heen hun geboortedorp om elders de baby’s van adellijke – en later ook burgerlijke – families te voeden.
Als minnemoeders lieten zij hun eigen kinderen achter in vaak armoedige omstandigheden. Want met zijn dichtbeboste heuvels en vele meertjes mocht de Morvan dan wel een schilderachtige streek zijn, de granietachtige bodem leverde slechts matige oogsten op voor de boeren. Veel mannen trokken daarom ieder voorjaar naar andere regio’s om daar hun boterham te verdienen, terwijl de vrouwen andermans kinderen verzorgden met hun moedermelk. Later werden in de Morvan ook tienduizenden kinderen door sociale instellingen bij pleegouders ondergebracht. Dit uitwisselingsverkeer tussen stad en platteland drukte een blijvend stempel op de Morvan en voorzag de Franse streek van een interessante bron van inkomsten.
Reputatie
Uit tientallen dorpjes in deze dunbevolkte streek verlieten generaties lang vele vrouwen hun gezin om elders als voedster (nourrice) te gaan werken. Ze waren dan net bevallen en uit hun borsten vloeide moedermelk waarmee ze ook andere baby’s konden voeden. Deze traditie ontstond al vroeg in de Morvan. De eerste vermeldingen dateren zelfs uit de dertiende eeuw.
Bemiddelaars trokken door de dorpen en informeerden naar vrouwen die binnen enkele weken een kind verwachtten. Er werd dan een overeenkomst gesloten en na de bevalling werden moeder en kind naar Parijs gebracht. Eerst met een boerenkar, daarna per postkoets. Daar aangekomen moesten ze zich dan melden bij het bemiddelingsbureau voor een eerste ontmoeting met de heer des huizes en een arts. Laatstgenoemde onderzocht de aanstaande minnemoeder (of kortweg min) door de borstvorm te inspecteren en met een lepeltje de melk te proeven. Als deze zoet genoeg was en een gezonde kleur had kreeg ze een aanstelling en werd haar eigen baby door een familielid of kennis mee terug naar de Morvan genomen. Vervolgens diende ze maandenlang in een stadspaleis of patriciërswoning. Meestal in Parijs, maar soms zelfs nog verder weg, want de vrouwen werden ook naar Duitsland, Italië of Spanje gezonden.
Minnen uit de Morvan waren namelijk zeer gewild omdat ze bekend stonden om hun fysieke schoonheid. De aristocratie en bourgeoisie hechtte er ook waarde aan dat het kindje een knap gezicht zag als het zijn ogen opsloeg. De kwaliteit van de moedermelk stond uiteraard op plaats één. Daarom wasten de vrouwen van de Morvan hun borsten regelmatig in een bron, zoals die in Mont Beuvray.

Vrouwen van aanzien
Omdat een bestaan als voedster nieuwe perspectieven voor de vrouwen bood, waren er plaatsen in de Morvan waar wel drie op de vier vrouwen voor een dergelijk bestaan kozen. Ze werden goed betaald en daarom benijd om hun status. Het gold niet meer als een schande als moeders hun gezin verlieten. Integendeel, hun echtgenoten konden op de boerderij blijven en van het geld leven dat de vrouwen hen toezonden.
Na het tekenen van de overeenkomst werd er een kleermaker uitgenodigd die de vrouw van een gepaste garderobe voorzag of ze bezocht na aankomst in Parijs een modehuis dat zich op deze nieuwe clientèle was gaan richten. Wijde mantels waaronder de baby beschermd tegen kou en tocht gevoed kon worden maakten hiervan vanzelfsprekend deel uit. Een dik, gevoerd exemplaar voor de winter en een dunne, luchtige cape tegen de zomerzon. Door deze kleding in de kleuren van de familie te kiezen was het tijdens een wandeling in het park meteen duidelijk bij wie de desbetreffende min in dienst was.

De burgerij die halverwege de negentiende eeuw opkwam, begon de aristocratische levensstijl te imiteren en wenste ook over eigen voedsters te kunnen beschikken. Bemiddelingsbureaus schoten daarop als paddenstoelen uit de grond. De behandeling door de werkgever was doorgaans uitstekend. Weliswaar leefden de minnemoeders samen met de rest van het bedienend personeel, ze kregen betere voeding voorgeschoteld met daarbij veel bier om de melkvorming te stimuleren. Hierdoor werden ze binnen enkele weken tijd al aanzienlijk dikker. Een vroedvrouw van één-meter-zestig die met een lichaamsgewicht van bijna honderd kilo in de Morvan terugkwam was geen uitzondering. Verstelbare rokken boden wat dat betreft uitkomst.
Emancipatie
Omdat de voedsters meestal analfabeet waren, kregen ze de mogelijkheid om onderwijs te volgen zodat ze na verloop van tijd een brief naar huis konden schrijven. Brieven met slecht nieuws mochten ze daarentegen niet ontvangen, want daarvan kon de melk zuur worden. Om die reden kregen ze vaak pas bij thuiskomst in de Morvan te horen dat hun eigen baby ondertussen overleden was. Na hun verblijf in Parijs brachten ze ook nieuwe gewoonten mee, zoals het luchten van hun huis of het opvrolijken daarvan met planten en bloemen. In die zin droegen ze bij aan de modernisering van de Morvan. Ze kregen medezeggenschap in het besteden van het geld en lieten dat ook aan henzelf ten goede komen.
De vrouwenemancipatie deed hiermee haar intrede, wat de relatie met hun man overigens niet altijd ten goede kwam. Het gevolg daarvan was vaak dat de vrouwen zo snel mogelijk weer zwanger wilden worden om opnieuw te kunnen vertrekken. Na een eerste verblijf in Parijs werd het verdiende geld meestal gebruikt om de rieten kap van de boerderij te vervangen door een pannendak, waarna het pand in de volksmond bekend kwam te staan als een ‘melkhuis’. De inkomsten van een tweede dienstverband werden meestal geïnvesteerd in een verbouwing om het woonhuis te verruimen, terwijl na een derde maal grond of vee werd aangekocht.
Pleegkinderen
Als de minnemoeder definitief naar huis terugkeerde bracht ze vaak een pleegkind mee dat afkomstig was uit een sociale instelling zoals een wees- of armenhuis. Met name in het zuidelijk gelegen Alligny-en-Morvan werden er hier veel van opgenomen die men er Petits Paris ging noemen. Door de toestroom van arme plattelanders naar Parijs als gevolg van de industrialisatie steeg het aantal weeskinderen en uithuisgeplaatsten explosief en deze moesten onderdak krijgen.

Om de boeren te stimuleren deze kinderen op te nemen verhoogden de instellingen hun tarieven. Een kind bracht daarna negen in plaats van zes francs per maand op. Daar bovenop kwam nog een premie na tien jaar. Tenminste, als het kind dan nog in leven was. ‘Een kind levert een koe en een kalf’, zo luidde een gezegde in de Morvan. De verzorgingskosten werden vergoed en tweemaal per jaar kreeg het kind nieuwe kleren, keurig in een doos toegezonden vanuit Parijs. In de scholen waren de Petits Parisherkenbaar omdat ze beter gekleed gingen dan hun klasgenootjes die in het dorp geboren waren.
In veel klassen vormden ze de meerderheid, hoewel de sterftecijfers verontrustend hoog waren. De oorzaak hiervan lag in de uitputtende reis, aangeboren ziekte of slechte behandeling door de pleegouders. Toen dokter Monot uit Montsauce (1830-1914) met een rapport alarm sloeg over deze situatie, leidde dat in 1875 tot de eerste kinderbeschermingswet. Vanaf dat moment gingen huisartsen controlebezoeken afleggen bij de pleeggezinnen.

De wijze waarop pleegkinderen behandeld werden bleek daarbij sterk uiteen te lopen. Sommigen werden regelmatig geslagen, moesten maaltijden overslaan en leefden onder weerzinwekkende omstandigheden. Terwijl in een boerderij even verderop alles tiptop in orde kon zijn. De Petits Paris betekenden een financiële ondersteuning voor de boeren, die bovendien van de kinderen profiteerden door hen op het veld of in de stal te laten werken. Daarnaast compenseerden ze de leegloop van het platteland die zich toen al begon af te tekenen.
Door hun uiteenlopende plaatsen van herkomst droegen ze verder bij aan een grotere genetische verscheidenheid binnen een gebied waar inteelt altijd op de loer lag. Als ze na het bereiken van een volwassen leeftijd trouwden met iemand uit de streek verschafte dat ‘vers bloed’. Met deze bevolkingsmix deed de Morvan haar voordeel. De voormalige pleegkinderen adopteerden min of meer het land dat eens hen geadopteerd had. In de gastvrije Morvan waar eens een familie hen opgenomen schoten ze later zelf wortel.
De voedster van prinses Wilhelmina: Evertje Schouten
‘Goede moeders geven borstvoeding’ (want de opvoeding begint met de eerste druppel melk)
Bijzondere borsten – Van buffers tot muggenbeten
De bouw van de Eiffeltoren in Parijs
Het Élysée, van plezieroord tot centrum van macht
Huidaandoeningen kunstig verbeeld in was