De reputatie van de Franse schrijver en politiek denker Albert Camus (1913-1960) is ook na zijn vroege dood conjunctuurgevoelig gebleven. Verketterd in de jaren vijftig en zestig binnen de radicaal-linkse en communistische kerk, werd hij nadien steeds meer bijgezet in het pantheon van de grote schrijvers en denkers. Een bont palet van opvattingen bleef evenwel kenmerkend voor de verdere receptie van de gecanoniseerde Camus.
Onlangs verscheen bij de Utrechtse anarchistische Kelderuitgeverij een bundeling van Camus ‘libertaire teksten’. De bundel is gebaseerd op een vertaling van een selectie van de Duitse anarchistische journalist en activist Lou Marin (i.e. een pseudoniem afgeleid van het Franse Lourmarin waar Camus begraven is). Enkele andere artikelen die eerder waren vertaald zijn aan de bundel toegevoegd.

Een anarchistische vrijheidsstrijder?
Het is duidelijk dat in de politieke filosofie van Camus geen plaats was voor de orthodoxie van links en rechts. Geïnspireerd door zijn leermeester Jean Grenier en zijn Essai sur l’esprit d’orthodoxie uit 1938, zou Camus zich vooral in zijn politieke hoofdwerk uit 1951 L’homme révolté (De mens in opstand) keren tegen totalitaire ideologieën.
In zijn afkeer van het Sovjet-communisme en het Amerikaanse kapitalisme zocht Camus naar een ’derde weg’ en toonde sympathie voor libertair-anarchistische ontwikkelingen, in het bijzonder in Spanje tijdens en na de Burgeroorlog (1936-1939). Bij deze sympathie deed zich de nostalgisch gekleurde anarchistische sensibiliteit gelden van zijn gedeeltelijk Spaanse afkomst en het engagement van zijn Spaans-Franse geliefde Maria Casarès. In het spoor van Martin portretteerde de populaire Franse filosoof Michel Onfray in zijn spraakmakende biografie Camus eveneens als een anarchistisch-hedonistische vrijheidsstrijder.
Als voormalig Algerijnse pied-noir (kolonist) zou die sensibiliteit zijn isolement in de Franse politieke arena echter versterken. Terecht constateerde de Britse historicus Tony Judt al eerder dat een andere uitkomst in dit politieke klimaat uitgesloten was, temeer omdat Camus ook in beelden en vanuit de directe ervaring dacht:
Het is deze, en niet een ideologische of doctrinaire vooringenomenheid, die Camus ertoe bracht zich te verzetten tegen de politiek van zijn tijd. In een cultuur die zo resoluut gepolariseerd was tussen de uitersten van rechts en links, was Camus niet assimileerbaar.1
Laverend tussen linkse en rechtse doctrinairen, bleef Camus zich vooral inzetten voor meer gematigde opvattingen. Het isolement bleef, zo toonde overduidelijk ook de ophef die ontstond naar aanleiding van zijn uitspraak bij verlening van de Nobelprijs in 1957 over de Algerijnse dekolonisatie-oorlog (1954-1962).2

De beeldvorming van “anarchistisch-libertaire vrijheidsstrijder” lijkt mij tegen deze achtergrond enigszins overdreven. Zeker: uit nostalgie en noodzaak toonde hij sympathie voor de libertaire-anarchistische zaak, maar waarschuwde evenzeer voor de doodlopende virulente nihilistische romantiek binnen deze beweging.
De kern van Camus’ schrijverschap bleef het onopgeloste conflict tussen isolement en engagement, tussen existentiële absurditeit en de solidariteit van de revolte. Het verhaal over de tragische kunstenaar Jonas – weifelend tussen het solitaire en solidaire leven – was feitelijk een zelfbeeld. In zijn romans, essays en toneelstukken dompelde Camus de lezer steeds onder in een ambigue universum vol tegenstellingen waarin slechts voorlopige antwoorden het hoogst haalbare waren. Het praktisch handelen bleef in dit ethisch ambigue universum bij voorbaat precair.
Niet verwonderlijk dat Camus in de onlangs vertaalde cahiers uit de periode 1951-1959 eerder verschijnt als een getormenteerde hedendaagse Hamlet dan een activistische anarchist. Zijn steeds terughoudender politieke opstelling in de Algerijnse dekolonisatie-oorlog spreekt ook boekdelen. Door zijn abrupte dood zullen we moeten gissen naar zijn houding tegenover de latere Algerijnse onafhankelijkheid.
Camus als ethisch anarchist?
Niettemin stelt historicus Wim Berkelaar zich in zijn heldere inleiding de vraag of we Camus kunnen karakteriseren als een ‘ethisch anarchist’. Daar is zeker iets voor te zeggen. Camus was een ethisch denker in de lange Franse traditie van ‘moralistes’. In sommige teksten is zoals gezegd ook een nostalgisch anarchistische sensibiliteit onmiskenbaar aanwezig.
Steeds greep hij echter terug op het Griekse denken, met name de presocratici, dat aan de mens een essentie toekende en aan de scheppende én vernietigende kracht van de natuur een centrale rol toebedeelde. Zonder die zintuigelijk-mediterrane oorsprong van zijn denkwereld is de ontwikkeling van zijn politieke filosofie en ethiek nauwelijks te begrijpen.

Camus was in de eerste plaats literator, geen politicus. Op de vlak werd er misschien teveel van hem verwacht, zoals hij ook zelf opmerkte in het voorwoord van de Algerijnse kronieken (1939-1958). Zijn herwaardering van natuur en ethiek binnen de politieke-filosofie én strijd tegen totalitaire ideologieën en onderdrukking blijven een voorbeeld van lucide humanisme.
Bij de verlening van de Nobelprijs waarschuwde Camus ‘te midden van het geraas en gebral’ van zijn tijd dat een ‘leugenachtig en gemakzuchtig Europa’ weer ten prooi kon vallen aan het totalitaire kwaad.3 De gebundelde teksten getuigen eens te meer dat die boodschap niets aan actualiteit heeft ingeboet.
1 – Cf. Judt, blz. 123. Scherpzinnig constateert Judt ook: “In het geval van Camus blokkeerden zijn tragisch wereldbeeld en zijn instinctieve gehechtheid aan de romantische wondermiddelen van rebellie en proletarische zuiverheid de weg naar een sociaaldemocratische taal en politiek, ook al suggereert veel van wat Camus schreef en vrijwel alles wat hij na 1946 deed dat hij zich politiek veel meer thuis zou hebben gevoeld in een Noord-Europees sociaaldemocratisch milieu dan hij ooit in Frankrijk was.” (Judt, blz. 133)
2 – Op een provocatie vanuit het publiek dat hij in de Algerijnse oorlog onvoldoende stelling nam, reageerde Camus met de opmerking dat hij in rechtvaardigheid geloofde, maar eerder zijn moeder zou verdedigen dan de rechtvaardigheid. Onbegrepen bleef hier dat Camus stelling nam tegen de ideologische rechtvaardiging van terreur aan Algerijnse én Franse zijde.
3 – ‘De kunstenaar en zijn tijd’, In: Albert Camus : Libertaire teksten, blz. 116
Literatuur
– Albert Camus: Libertaire teksten (Utrecht : Kelderuitgeverij, 2024)
– Albert Camus: Algerijnse kronieken (1939-1958) (Uitgeverij Vleugels, 2022)
– Albert Camus: Laatste cahiers (1951-1959) (Amsterdam : Arbeiderspers, 2024)
– Tony Judt: The Burden of Responsibility – Blum, Camus, Aron and the French Twenthieth Century (Chicago : The University of Chicago, 1998)
– Michel Onfray: L’ordre libertaire – la vie philosophique d’Albert Camus (Flammerion, 2012)
Op zoek naar de afwezige vader: de dialoog tussen Albert Camus en Jean Grenier
Het orfische denken van Albert Camus
‘Atlas Shrugged is een boek voor emotioneel en politiek onzindelijke mensen’
De voornaam Vanessa – Een vondst van de Ierse schrijver Jonathan Swift
Vrouwenmoordenaar Halewijn werd verslagen door een slimme koningsdochter
Gerrit Komrij – Schrijver en ‘dichter des vaderlands’