De baanbrekers van de fotografie

9 minuten leestijd
Boulevard du Temple” (ca. 1838) – een van de eerste daglichtfotografieën van Louis Daguerre, gemaakt in Parijs. Door de lange belichtingstijd zijn bewegende zaken onzichtbaar, maar twee mensen, waarschijnlijk een schoenpoetser en zijn klant, staan lang genoeg stil om zichtbaar te blijven.

Fotografie betekent – letterlijk – schrijven met licht. Van oudsher was licht – en het gebruik ervan – een zoektocht van wetenschappers, kunstenaars en… knutselaars. In de eerste helft van de negentiende eeuw werden volop experimenten uitgevoerd om dat licht te ‘vangen’ en tevens de objecten en personen waarop dat licht viel, te vereeuwigen. De fotografie veroorzaakte een technische, chemische, artistieke, sociale en mentale omwenteling.

Handtekening van Louis Daguerre
Handtekening van Louis Daguerre
Deggeren betekent – in de Brussels-Brabantse streektaal – treuzelen. Het onomatopoëtisch woord evoceert een taffelen, dralen waarvan anderen zenuwachtig worden. Hoogstwaarschijnlijk is het woord afgeleid van Daguerre. Louis Daguerre, de Franse decorschilder van opera-uitvoeringen die rond 1837/1839 een nieuw technisch procedé ontwikkelde om… met licht te schrijven.

Het was een van de eerste fotografische procedés die onmiddellijk – ook in België – een enorm succes kenden. Maar een ‘kiekje’ nemen duurde ontzettend lang. Vandaar dat de Brusselaars het deggeren noemden. Daguerre was niet de eerste die het fotografisch capteren bedacht. Met Nicéphore Niépce had hij al eerder aan een systeem gefrutseld. In 1826 – precies tweehonderd jaar geleden – had Niépce het Point de vue du Gras (Zicht op de daken vanuit het venster van de slaapkamer van Le Gras) vastgelegd. Met een camera obscura duurde het ruim acht (8!) uren om de heliografie (met de hulp van zonlicht) op een bitumen plaat vast te leggen. Nog meer deggeren.

Niépce eerste foto
Point de vue du Gras, de oudste bewaarde permanente foto ooit gemaakt, genomen door de Franse uitvinder Joseph Nicéphore Niépce ca. 1826 vanaf een raam van zijn landhuis in Saint-Loup-de-Varennes, Frankrijk.

Omdat de sluitertijd van de populaire daguerreotypie nogal tijdrovend was, dienden de geportretteerden verplicht onbeweeglijk te blijven. Mensen zeggen geen cheeeeeeeese op die eerste foto’s; ze lachen niet, glimlachen zelfs niet. Niet (enkel) omdat het paste bij hun stijfburgerlijke maatschappelijke status, maar omdat ze na minutenlang roerloosheid een kaakkramp zouden hebben gekregen. Bronnen over die duurtijd om immobiel te staan variëren: van een viertal minuten tot een half uur. Daarom stonden die gegoede lieden streng stokstijf.

Karikatuur uit het spotboekje ‘Ostende photographié’
Karikatuur uit het spotboekje ‘Ostende photographié’ door Gustave Gerlier en Louis Ghémar (coll.CIDEP asbl)

Stok achter de rug

Om onbeweeglijk te poseren, werden ‘hulpmiddelen’ aangewend; zoals metalen staven die achter de rug werden verborgen en waarop de nek kon rusten. In hun spotboekje Ostende photographié, dat de zomerse gewoontes van de badgasten in de modische Belgische badplaats vermakelijk op de korrel nam, tekenen Gustave Gerlier en fotograaf Louis Ghémar die staketsels achter de rug van de geportretteerden.

Félicien Rops in zijn atelier - Schilderij van Paul Mathey, circa 1888
Félicien Rops in zijn atelier – Schilderij van Paul Mathey, circa 1888
Het was dus een hele klus om een foto te maken: niet enkel een scherp beeld maar ook de ontwikkeling van dat beeld. Collodium, albumine, zoutemulsies, jodium-, kwiktincturen en allerlei andere chemische vloeistoffen werden gemanipuleerd. Gezond was het niet. Félicien Rops, de Naamse graveur, experimenteerde ook met allerlei procedés, zelfs foto-technieken en kreeg daarbij eens een spat liquide in zijn oog. Bijna was hij blind.

Fotografie was dan wel een fascinerende en gegeerde nieuwigheid maar door het gebruik van instrumenten en materialen duur. Is het verwonderlijk dat vele bekende fotografen krap bij kas en/of in schulden zaten: de beroemde Franse fotograaf Nadar – Félix Tournachon – bij wie alle Franse politieke en culturele grootheden zich voor zijn lens verdrongen, kon enkel dankzij de bruidsschat van zijn protestantse vrouw zijn groot atelier openhouden. Edmond Fierlants, telg uit een gegoede Brusselse familie en internationaal erkend, eindigde straatarm.

Edmond Fierlants
Edmond Fierlants en zijn assistent in de Koninklijke Belgische maatschappij voor fotografie – jaren 1860

Charles Neyt, de Gents-Brusselse fotograaf, beroemd om een portret van de Franse dichter Charles Baudelaire, ging failliet.

Louis Ghémar, officieel fotograaf van het Belgisch koningshuis en portrettist van meerdere Europese koningshuizen, stierf een berg schulden achterlatend. De Antwerpse uitgever en fanatiek fotograaf Joseph-Ernest Buschmann overleed in een instelling voor geesteszieken.

Affiche voor de fotograaf Charles Neyt
Affiche voor de fotograaf Charles Neyt – Félicien Rops (graveur), Simonau en Toovey (drukker)

Alles voor een kiekje

Maar het was een passie voor die mannen. En ook voor het grote publiek. In 1864 zetten de vrolijke vrienden Nadar en Ghémar een grootscheepse actie op, naar aanleiding van de Belgische nationale feesten, toen nog in september. Nadar was verzot op luchtvaart. Zijn eigen luchtballon Le Géant zou hij laten opstijgen – onder geboeid toezicht van koning en burgemeester – op het plantsoen aan de Nationale Kruidtuin/Botanique. Duizenden en duizenden mensen stroomden toe om dat spektakel te aanschouwen: ‘stijgt zo’n gevaarte op? Raakt zo’n kolos van de grond?’ …oooooohhh …aaaahhhh…

nadar le geant
Krantenillustratie van het memorabele opstijgen van de luchtballon Le Géant van de Franse fotograaf Nadar vanuit de Brusselse Kruidtuin in 1864 (privécollectie)

De ordehandhavers hadden alle moeite om de duizenden enthousiaste toeschouwers in bedwang te houden. Daarom werden (houten) hekken geplaatst. In Brussel/ België heten ‘dranghekken’ nog altijdLes barrières Nadar oftewel Nadarhekken. Niet dat de Franse, onconventionele fotograaf zo blij was met een ‘restrictief’ woord onder zijn pseudoniem. De foto van die roemruchte opstijging van Le Géant verscheen enkel in gegraveerde prent in de kranten want de drukpersen hadden nog niet de techniek om foto’s af te drukken.

Toch verloor lithografie terrein; vooral de portretlithografie die verdrongen werd onder meer door cartes de visite. Die ‘visitekaartjes’ (van dezelfde grootte, ongeveer 6 op 9 centimeter) waren erg in trek, niet alleen bij de geportretteerden maar ook bij verzamelaars die ze in albums bewaarden. Fotoalbums doorbladeren was een geliefkoosd tijdverdrijf voor wie er geld voor had. Enkel burgers met een gevulde geldbuidel konden zich immers foto’s veroorloven. Een fotoportretje kostte gemiddeld een weekloon van een arbeider. Al was dat nog goedkoper en vlugger dan de traditionele portretschilderkunst of de lithografieën. Portretlithografen zagen hun opdrachten slinken. Dus werden vele plastische kunstenaars… fotograaf.

Spotprent van Nadar, fotograferend vanuit zijn lichtballon door Honoré Daumier
Spotprent van Nadar, fotograferend vanuit zijn lichtballon door Honoré Daumier

Fotoshop

Nadar schilderde. Ghémar schilderde. Buschmann kwam uit een familie van lithografen. Dat vakmanschap was handig want foto’s werden geretoucheerd en ingekleurd. Dat is overduidelijk op sommige van de foto’s van de Belgische koning Leopold I, die heel goed begreep hoe hij zijn imago (en onrechtstreeks zijn macht) kon verstevigen via fotografie. Met de bedoeling om de goedgezindheid van de bevolking te bewerkstelligen, kreeg Louis Ghémar in 1865 de opdracht om een fotoreportage te maken van de rouwplechtigheden bij het overlijden van Leopold I.

In die beginjaren van de fotografie was een dergelijke reportagefotografie nog onmogelijk: de toekijkende mensenmassa bewoog en kon enkel voor flou beelden zorgen. Dus construeert Ghémar als een schilder zijn fotografische compositie; hij mengt en voegt verschillende afzonderlijke fragmenten samen. Nadien retoucheert hij. Een masterclass in manipulatie, noemt fotografiehistoricus Steven Joseph het. Ghémar tekent en kleurt bij. Een aantal basismaquettes werden op de zolder van de Belgische Senaat (Eerste Kamer) teruggevonden. Daarop staat in Ghémars handschrift ‘agrandir les lampes’ (de luchters vergroten), ‘de hoofden van de toeschouwers vooraan uitvergroten’… Voor de hoofden van prominenten baseerde hij zich op de cartes de visites die hij in de loop der jaren van al die politieke grootheden had genomen.

grafrede leopold i
Basisbeeld door Louis Ghémar van de begrafenisplechtigheden van Koning Leopold I; de grafrede; Eigendom van de Belgische Senaat

Schone schijn

Fotografie was een krachtig instrument in het midden van de negentiende eeuw; het hielp momenten vastleggen. Het werd een documentatie instrument bij uitstek. Vandaar dat steden heel wat opdrachten gaven om gebouwen, monumenten… te vereeuwigen. Tevens een manier om hun (eigen)waarde ‘in the picture’ te zetten.

In Brussel werd vanaf 1867/1868 het oude, middeleeuwse stadscentrum omgewoeld. Een urbanistische poetsbeurt om de rivier de Zenne te overwelven en met bovengrondse lanen, nieuwe appartementen en imposante, commerciële gebouwen een gentrificatie te bewerkstelligen. Dat tot die overwelving van de Zenne besloten werd na een cholera epidemie, is niet juist. De wil om het centrum van de Belgische hoofdstad ‘op te leuken’ was al decennia het thema van geredekavel en uiteindelijk besloot het Brusselse stadsbestuur – nog voor de epidemie – om de stadsrivier ondergronds te stoppen.

The Belgian Public Work Company, de Engelse bouwmaatschappij aangesteld om de grootse werken uit te voeren, droeg Louis Ghémar op om dat oude, te slopen stadscentrum te fotograferen voor het voorgoed verdween. Niet enkel met documentaire of nostalgische bedoelingen maar ook als een bewijs tegen mogelijke verzekeringsclaims. Niet Ghémar maar wel een onder aannemende fotograaf (waarschijnlijk de failliete Charles Neyt) zorgde voor pittoreske beelden. Zonder de geur van de (soms) stinkende rivier. Romantische beelden tot misnoegen van de opdrachtgevers die de fotogenieke hoekjes om zeep hielpen.

ghemar brussel
Beeld van het oude Brusselse stadscentrum voor de overwelving van de Zennerivier, onder de merknaam “Ghémar Frères” rond 1868. (collectie CIDEP asbl)

Vrouwen achter de lens

Fotografie was in die negentiende eeuw dus een verhaal van ‘zieners’ en van hulpjes, van operatoren, van wetenschappers en van… vrouwen. Hortense Tackels nam na de dood van haar echtgenoot, uitvinder Désiré Van Monckhoven, het atelier in haar bekwame handen. De nieuwsgierige Gentse schei- en natuurkundige had internationale faam verworven met zijn Traité général de photographie.

Een van de uitvindingen van Van Monckhoven: een vergroter
Een van de uitvindingen van Van Monckhoven: een vergroter

Louis Ghémar associeerde zich na de dood van zijn halfbroer met zijn schoonzus, de Britse Sarah Harris die het fotoatelier bestierde. Het bleef wel het bekende merk Ghémar frères. En er waren nog tal van vrouwen bedrijvig in die nieuwe economische sector; soms onder de naam van hun man; soms enkel met een initiaal als voornaam. Maar soms maakten vrouwen ook reclame onder hun eigen naam als… ‘Mademoiselle’. Dat ‘gejuffrouw’ moest andere vrouwen geruststellen voor die nieuwlichterij die hen geen morele noch fysieke schade zou bezorgen.

pispot ghemar
Penning van de kunsttentoonstelling van ‘fotograaf’ Louis Ghémar, 1868, coll. CIDEP asbl
Hoe veelbelovend de fotografie ook was, her en der waren er stekelige kantjes. Fotografie werd lang niet door iedereen voor vol aanvaard. Het was een nijverheid, een industrie. Louis Ghémar die als enige Belgische lithograaf op het Parijse kunstsalon van 1855 mocht tentoonstellen, mokte dat hij als fotograaf niet als kunstenaar maar als vakman werd beschouwd. Toen hij in 1868 een tentoonstelling van zijn eigen schilderijen organiseerde, liet hij een penning maken. Op de munt stond een ventje met een … pispot (nachtemmer) op het hoofd en als satirische omschrijving (in het Frans): TOEPASSING VAN DE INDUSTRIE OP DE KUNST. Louis Ghémar bleef als fotograaf ook kunstenaar.

Portretfoto van Louis Ghémar
Portretfoto van Louis Ghémar zingend aan de piano door Ghémar Frères, coll. FOMU
  • Hannibalbooks publiceerde een boek over de eerste fotografie: Early Gaze
  • Fotograaf-lithograaf-schilder en zwanzer Louis Ghémar wordt ‘gevierd’ met een lezing en een eerbetoon op zondag 26 april 2026 (Erfgoeddag) in het beeldhouwersatelier Salu, bij de ingang van het kerkhof van Laken-Brussel. Daar kreeg Ghémar zijn laatste rustplaats.
  • Herman Van Goethem, historicus-jurist en voormalig rector van de Universiteit van Antwerpen, neemt nieuwsgierigen mee op tijdreis langs die eerste fotografische exploten. De reeks korte, onderlegde video’s vol fotografische passie is getiteld: Magie & Macht | Fotografie uit de 19de eeuw

Bronnen

– Abeels, Gustave, De pioniers van de fotografie, Zaltbommel, 1977.
– Claes, Marie-Christine, J.B.A.M. Jobard (1792-1861), visionnaire de nouveaux rapports entre l’art et l’industrie, auteur privilégié des mutations de l’image en Belgique au XIXe siècle, doctoraatsverhandeling, Louvain-la-Neuve, 2006-2007.
– Claes, Marie-Christine, Rommelaere, Cathérine, Het album Ghémar van de begrafenis van koning Léopold I (1866): geschiedenis van de uitgave van een ‘foto’reportage, Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium, Bulletin 31, 2004/5.
– Deneckere, Gita, Leopold I, de eerste koning van Europa, De Bezige Bij, Antwerpen, 2011.
– Dewilde, Jan, De salon van Louis Ghémar: een fotoreportage van de algemene tentoonstelling van schone kunsten te Brussel in 1863, Stedelijke Musea, Ieper, 1996.
– Directory of Belgian Photographers; https://fomu.atomis.be/
– Fincoeur, Michel B., Silvestre, Marguerite en Wanson, Isabelle, Brussel en de overwelving van de Zenne, KBR, Brussel, 2000.
– NADAR, Quand j’étais photographe, Flammarion, Paris, 1895-1905.
– Spapens, Christian en Joseph, Steven F., Photographie et mutations urbaines à Bruxelles 1850-1880, Les Cahiers du CIDEP, nr. 5, Brussel, 2008.

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×