Fotografie betekent – letterlijk – schrijven met licht. Van oudsher was licht – en het gebruik ervan – een zoektocht van wetenschappers, kunstenaars en… knutselaars. In de eerste helft van de negentiende eeuw werden volop experimenten uitgevoerd om dat licht te ‘vangen’ en tevens de objecten en personen waarop dat licht viel, te vereeuwigen. De fotografie veroorzaakte een technische, chemische, artistieke, sociale en mentale omwenteling.

Het was een van de eerste fotografische procedés die onmiddellijk – ook in België – een enorm succes kenden. Maar een ‘kiekje’ nemen duurde ontzettend lang. Vandaar dat de Brusselaars het deggeren noemden. Daguerre was niet de eerste die het fotografisch capteren bedacht. Met Nicéphore Niépce had hij al eerder aan een systeem gefrutseld. In 1826 – precies tweehonderd jaar geleden – had Niépce het Point de vue du Gras (Zicht op de daken vanuit het venster van de slaapkamer van Le Gras) vastgelegd. Met een camera obscura duurde het ruim acht (8!) uren om de heliografie (met de hulp van zonlicht) op een bitumen plaat vast te leggen. Nog meer deggeren.

Omdat de sluitertijd van de populaire daguerreotypie nogal tijdrovend was, dienden de geportretteerden verplicht onbeweeglijk te blijven. Mensen zeggen geen cheeeeeeeese op die eerste foto’s; ze lachen niet, glimlachen zelfs niet. Niet (enkel) omdat het paste bij hun stijfburgerlijke maatschappelijke status, maar omdat ze na minutenlang roerloosheid een kaakkramp zouden hebben gekregen. Bronnen over die duurtijd om immobiel te staan variëren: van een viertal minuten tot een half uur. Daarom stonden die gegoede lieden streng stokstijf.

Stok achter de rug
Om onbeweeglijk te poseren, werden ‘hulpmiddelen’ aangewend; zoals metalen staven die achter de rug werden verborgen en waarop de nek kon rusten. In hun spotboekje Ostende photographié, dat de zomerse gewoontes van de badgasten in de modische Belgische badplaats vermakelijk op de korrel nam, tekenen Gustave Gerlier en fotograaf Louis Ghémar die staketsels achter de rug van de geportretteerden.

Fotografie was dan wel een fascinerende en gegeerde nieuwigheid maar door het gebruik van instrumenten en materialen duur. Is het verwonderlijk dat vele bekende fotografen krap bij kas en/of in schulden zaten: de beroemde Franse fotograaf Nadar – Félix Tournachon – bij wie alle Franse politieke en culturele grootheden zich voor zijn lens verdrongen, kon enkel dankzij de bruidsschat van zijn protestantse vrouw zijn groot atelier openhouden. Edmond Fierlants, telg uit een gegoede Brusselse familie en internationaal erkend, eindigde straatarm.

Charles Neyt, de Gents-Brusselse fotograaf, beroemd om een portret van de Franse dichter Charles Baudelaire, ging failliet.
Louis Ghémar, officieel fotograaf van het Belgisch koningshuis en portrettist van meerdere Europese koningshuizen, stierf een berg schulden achterlatend. De Antwerpse uitgever en fanatiek fotograaf Joseph-Ernest Buschmann overleed in een instelling voor geesteszieken.

Alles voor een kiekje
Maar het was een passie voor die mannen. En ook voor het grote publiek. In 1864 zetten de vrolijke vrienden Nadar en Ghémar een grootscheepse actie op, naar aanleiding van de Belgische nationale feesten, toen nog in september. Nadar was verzot op luchtvaart. Zijn eigen luchtballon Le Géant zou hij laten opstijgen – onder geboeid toezicht van koning en burgemeester – op het plantsoen aan de Nationale Kruidtuin/Botanique. Duizenden en duizenden mensen stroomden toe om dat spektakel te aanschouwen: ‘stijgt zo’n gevaarte op? Raakt zo’n kolos van de grond?’ …oooooohhh …aaaahhhh…

De ordehandhavers hadden alle moeite om de duizenden enthousiaste toeschouwers in bedwang te houden. Daarom werden (houten) hekken geplaatst. In Brussel/ België heten ‘dranghekken’ nog altijd… Les barrières Nadar oftewel Nadarhekken. Niet dat de Franse, onconventionele fotograaf zo blij was met een ‘restrictief’ woord onder zijn pseudoniem. De foto van die roemruchte opstijging van Le Géant verscheen enkel in gegraveerde prent in de kranten want de drukpersen hadden nog niet de techniek om foto’s af te drukken.
Toch verloor lithografie terrein; vooral de portretlithografie die verdrongen werd onder meer door cartes de visite. Die ‘visitekaartjes’ (van dezelfde grootte, ongeveer 6 op 9 centimeter) waren erg in trek, niet alleen bij de geportretteerden maar ook bij verzamelaars die ze in albums bewaarden. Fotoalbums doorbladeren was een geliefkoosd tijdverdrijf voor wie er geld voor had. Enkel burgers met een gevulde geldbuidel konden zich immers foto’s veroorloven. Een fotoportretje kostte gemiddeld een weekloon van een arbeider. Al was dat nog goedkoper en vlugger dan de traditionele portretschilderkunst of de lithografieën. Portretlithografen zagen hun opdrachten slinken. Dus werden vele plastische kunstenaars… fotograaf.

Fotoshop
Nadar schilderde. Ghémar schilderde. Buschmann kwam uit een familie van lithografen. Dat vakmanschap was handig want foto’s werden geretoucheerd en ingekleurd. Dat is overduidelijk op sommige van de foto’s van de Belgische koning Leopold I, die heel goed begreep hoe hij zijn imago (en onrechtstreeks zijn macht) kon verstevigen via fotografie. Met de bedoeling om de goedgezindheid van de bevolking te bewerkstelligen, kreeg Louis Ghémar in 1865 de opdracht om een fotoreportage te maken van de rouwplechtigheden bij het overlijden van Leopold I.
In die beginjaren van de fotografie was een dergelijke reportagefotografie nog onmogelijk: de toekijkende mensenmassa bewoog en kon enkel voor flou beelden zorgen. Dus construeert Ghémar als een schilder zijn fotografische compositie; hij mengt en voegt verschillende afzonderlijke fragmenten samen. Nadien retoucheert hij. Een masterclass in manipulatie, noemt fotografiehistoricus Steven Joseph het. Ghémar tekent en kleurt bij. Een aantal basismaquettes werden op de zolder van de Belgische Senaat (Eerste Kamer) teruggevonden. Daarop staat in Ghémars handschrift ‘agrandir les lampes’ (de luchters vergroten), ‘de hoofden van de toeschouwers vooraan uitvergroten’… Voor de hoofden van prominenten baseerde hij zich op de cartes de visites die hij in de loop der jaren van al die politieke grootheden had genomen.

Schone schijn
Fotografie was een krachtig instrument in het midden van de negentiende eeuw; het hielp momenten vastleggen. Het werd een documentatie instrument bij uitstek. Vandaar dat steden heel wat opdrachten gaven om gebouwen, monumenten… te vereeuwigen. Tevens een manier om hun (eigen)waarde ‘in the picture’ te zetten.
In Brussel werd vanaf 1867/1868 het oude, middeleeuwse stadscentrum omgewoeld. Een urbanistische poetsbeurt om de rivier de Zenne te overwelven en met bovengrondse lanen, nieuwe appartementen en imposante, commerciële gebouwen een gentrificatie te bewerkstelligen. Dat tot die overwelving van de Zenne besloten werd na een cholera epidemie, is niet juist. De wil om het centrum van de Belgische hoofdstad ‘op te leuken’ was al decennia het thema van geredekavel en uiteindelijk besloot het Brusselse stadsbestuur – nog voor de epidemie – om de stadsrivier ondergronds te stoppen.
The Belgian Public Work Company, de Engelse bouwmaatschappij aangesteld om de grootse werken uit te voeren, droeg Louis Ghémar op om dat oude, te slopen stadscentrum te fotograferen voor het voorgoed verdween. Niet enkel met documentaire of nostalgische bedoelingen maar ook als een bewijs tegen mogelijke verzekeringsclaims. Niet Ghémar maar wel een onder aannemende fotograaf (waarschijnlijk de failliete Charles Neyt) zorgde voor pittoreske beelden. Zonder de geur van de (soms) stinkende rivier. Romantische beelden tot misnoegen van de opdrachtgevers die de fotogenieke hoekjes om zeep hielpen.

Vrouwen achter de lens
Fotografie was in die negentiende eeuw dus een verhaal van ‘zieners’ en van hulpjes, van operatoren, van wetenschappers en van… vrouwen. Hortense Tackels nam na de dood van haar echtgenoot, uitvinder Désiré Van Monckhoven, het atelier in haar bekwame handen. De nieuwsgierige Gentse schei- en natuurkundige had internationale faam verworven met zijn Traité général de photographie.

Louis Ghémar associeerde zich na de dood van zijn halfbroer met zijn schoonzus, de Britse Sarah Harris die het fotoatelier bestierde. Het bleef wel het bekende merk Ghémar frères. En er waren nog tal van vrouwen bedrijvig in die nieuwe economische sector; soms onder de naam van hun man; soms enkel met een initiaal als voornaam. Maar soms maakten vrouwen ook reclame onder hun eigen naam als… ‘Mademoiselle’. Dat ‘gejuffrouw’ moest andere vrouwen geruststellen voor die nieuwlichterij die hen geen morele noch fysieke schade zou bezorgen.


- Hannibalbooks publiceerde een boek over de eerste fotografie: Early Gaze
- Fotograaf-lithograaf-schilder en zwanzer Louis Ghémar wordt ‘gevierd’ met een lezing en een eerbetoon op zondag 26 april 2026 (Erfgoeddag) in het beeldhouwersatelier Salu, bij de ingang van het kerkhof van Laken-Brussel. Daar kreeg Ghémar zijn laatste rustplaats.
- Herman Van Goethem, historicus-jurist en voormalig rector van de Universiteit van Antwerpen, neemt nieuwsgierigen mee op tijdreis langs die eerste fotografische exploten. De reeks korte, onderlegde video’s vol fotografische passie is getiteld: Magie & Macht | Fotografie uit de 19de eeuw
– Claes, Marie-Christine, J.B.A.M. Jobard (1792-1861), visionnaire de nouveaux rapports entre l’art et l’industrie, auteur privilégié des mutations de l’image en Belgique au XIXe siècle, doctoraatsverhandeling, Louvain-la-Neuve, 2006-2007.
– Claes, Marie-Christine, Rommelaere, Cathérine, Het album Ghémar van de begrafenis van koning Léopold I (1866): geschiedenis van de uitgave van een ‘foto’reportage, Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium, Bulletin 31, 2004/5.
– Deneckere, Gita, Leopold I, de eerste koning van Europa, De Bezige Bij, Antwerpen, 2011.
– Dewilde, Jan, De salon van Louis Ghémar: een fotoreportage van de algemene tentoonstelling van schone kunsten te Brussel in 1863, Stedelijke Musea, Ieper, 1996.
– Directory of Belgian Photographers; https://fomu.atomis.be/
– Fincoeur, Michel B., Silvestre, Marguerite en Wanson, Isabelle, Brussel en de overwelving van de Zenne, KBR, Brussel, 2000.
– NADAR, Quand j’étais photographe, Flammarion, Paris, 1895-1905.
– Spapens, Christian en Joseph, Steven F., Photographie et mutations urbaines à Bruxelles 1850-1880, Les Cahiers du CIDEP, nr. 5, Brussel, 2008.
Louis Ghémar, fotograaf van de (Belgische) koning
Galvestonorkaan, 1900
Het vergeten verhaal van de Wolfskinderen
‘Selfies’ van vroeger: de snelfotograaf