Tentoonstelling Gevangen door Atjeh

Jaren ’50-’70: weinig en vooral kort telefoneren

De praatpaal, draden in de straat en de politie aan de deur

Na het succes van Annegreet van Bergen’s Gouden Jaren verschijnt deze week het vervolg: Het goede leven. Hoe Nederland in een halve eeuw steeds welvarender werd (Atlas Contact). Van Bergen laat met nieuwe observaties en anekdotes zien hoe de sterke naoorlogse groei het leven in Nederland onherkenbaar veranderde. De tijd is voorbij dat verloofde stellen jaren moesten sparen voor hun uitzet of dat mensen maanden op een telefoonaansluiting moesten wachten. Welke vrouw wordt nu nog ontslagen als ze gaat trouwen? En wie biedt zijn gasten nog een rokertje aan? Op Historiek een fragment uit het boek, over het begin van de telefonie.

Weinig en vooral kort telefoneren

Onze handel en wandel is door de mobiele telefoon zo veranderd dat we ons nog maar nauwelijks kunnen voorstellen dat mensen niet altijd en overal bereikbaar zijn. Films uit de vorige eeuw laten zien hoe omslachtig én spannend het leven zonder mobiele telefonie was. Dustin Hoffman belde als student Ben in The Graduate (1967) vanuit een telefooncel in een hotel Mrs. Robinson (Anne Bancroft) voor hun eerste afspraakje. Toen Mia Farrow er als zwangere vrouw in Rosemary’s baby (1968) achter kwam dat de nieuwe gynaecoloog onder één hoedje speelde met haar buren en echtgenoot en haar het kind van de duivel wilde laten baren, moest zij eerst wanhopig op zoek naar een vrije telefooncel voordat ze haar eigen gynaecoloog kon bellen. Omgekeerd verwacht ik dat wanneer mannen in spannende scènes naar hun binnenzak grijpen, ze hun mobiel pakken. Maar dan halen ze er een pakje sigaretten uit.

Het goede leven - Annegreet van Bergen
Het goede leven – Annegreet van Bergen
In telefoonwinkels koop je bijna net zo gemakkelijk een nieuwe mobiel als bij de bakker een brood. In de jaren zestig stonden meer dan honderdduizend gezinnen en bedrijven op de wachtlijsten van de PTT en duurde het maanden voordat er bij hen een geul voor de telefoonkabel werd gegraven. Arnold (1936) had dankzij zijn werkgever Shell Nederland al telefoon toen er in 1963 iemand bij hem in de straat kwam wonen die bij de NAM werkte, een dochteronderneming van Shell. Deze man wilde ook telefoon, maar belandde op de wachtlijst. Op advies van zijn baas nam hij contact op met Arnold om te kijken of hij ook van diens telefoon gebruik kon maken. Daarna spanden de buurmannen een draad over een afstand van ruim honderd meter, van de ene lantaarnpaal naar de andere. Zo zat de NAM-man ook op Arnolds aansluiting. Arnold:

‘In beide huizen ging de telefoon, wie het eerst opnam, had het gesprek. Als dat niet voor jou was, drukte je op het knopje rechtsonder op de telefoon en hoorde de buurman een zoemertje en wist hij dat het gesprek voor hem was.’

In 1970 waren de wachtlijsten grotendeels weggewerkt, maar nog steeds had meer dan de helft van alle Nederlanders, 55 procent, géén telefoon. Velen van hen vonden het maar een overbodige luxe. Toen Ben (1950) en Marion (1952) in 1975 gingen trouwen en samenwonen, hadden ze geen eigen telefoon nodig. ‘Waarom kosten maken?’ vroegen zij zich af. ‘We hebben allebei telefoon op het werk, daar kunnen we bellen.’ In 1981 veranderden ze van gedachten en namen ze een eigen aansluiting.

Politie aan de deur

Begin jaren vijftig was Joke (1936) met een aantal collega’s van kantoor bloeddonor geworden.

‘Er werd destijds eerst een klein beetje bloed voor controle afgenomen. Wanneer dat was goedgekeurd, belde het ziekenhuis een paar dagen later naar kantoor en vroeg of je voor een bepaalde operatie bloed wilde komen geven. Op een gegeven moment hadden ze ’s avonds mijn bloed dringend nodig voor een hartoperatie. Mijn ouders hadden zelf geen telefoon, maar omdat wij in Rotterdam-Zuid vlak achter het politiebureau woonden, belde het ziekenhuis de politie en vroeg of die mij wilde waarschuwen. En zo stond er die avond opeens politie bij ons voor de deur. Omdat het in die tijd niet zo gemakkelijk was om een, twee, drie vanuit Zuid bij het Sint Franciscusziekenhuis in het centrum te komen, brachten de agenten mij er in hun auto naartoe. Dat viel op in onze straat, waar het normaal gesproken ’s avonds doodstil was. De volgende dag kwam een buurvrouw bij ons aan de deur en vroeg aan mijn moeder: “Waarom werd Joke door de politie meegenomen?”’

Vaantjes van geel zeildoen

Automobilisten in Nederland worden geacht een mobiele telefoon bij zich te hebben zodat ze daarmee bij pech onderweg de Wegenwacht kunnen waarschuwen. De in de zomer van 2017 verwijderde praatpalen hebben tientallen jaren gefungeerd als toevluchtsoord voor wie autopech kreeg. Ze waren stukken effectiever dan de vlaggetjes en vaantjes waarmee de Wegenwacht tot dan toe werd gealarmeerd.

Zonder mobiele communicatie moest er heel wat gebeuren voordat patrouillerende wegenwachters een gestrande automobilist in het vizier kregen. Wim (1941), in 1962 begonnen op een BSA-motor-met-zijspan, was jarenlang wegenwachter. Wim:

‘Wij reden altijd een vaste route over de snelweg. Als ik dan een auto stil zag staan met daaraan een vaantje van geel zeildoek met in koeienletters sos, dan wist ik dat daar voor mij werk aan de winkel was.’

Zo simpel ging het niet altijd, want uiteraard kregen automobilisten ook panne op wegen waar de wegenwacht niet patrouilleerde. Dan hingen ze ook gele vaantjes aan hun auto en moesten ze vervolgens maar hopen dat een medeweggebruiker hen opmerkte en de ANWB alarmeerde.

De praatpaal. cc/Silver Spoon
De praatpaal. cc/Silver Spoon
Wim:

‘Op verschillende plaatsen langs onze vaste route, zoals in restaurants of bij bruggenwachters, waren telefoonposten van de ANWB. Daarvandaan konden mensen het hoofdkantoor bellen. Maar omgekeerd gebeurde ook. Wanneer er bij het hoofdkantoor op de een of andere manier een melding van een pechgeval bij mij in de buurt was binnengekomen, belde het hoofdkantoor naar de telefoonposten op mijn route. Die hingen dan een gele vlag buiten, waardoor ik wist dat ik naar binnen moest en het hoofdkantoor moest bellen. Dan hoorde ik waar de auto met pech stond en kon ik ernaartoe rijden.’

Het ging allemaal niet snel, maar het werkte wel. Wim:

‘Zo was er eens een automobilist die vanuit Groningen naar België wilde. Kort na zijn vertrek ontdekte zijn vrouw dat hij zijn grenspapieren had vergeten en zonder kwam hij de grens niet over. Zij heeft toen het hoofdkantoor van de ANWB gebeld en van daaruit werden de telefoonposten op zijn route gewaarschuwd. Die hingen de gele vlag buiten en zo wisten wegenwachters dat ze een auto van merk x met kenteken y moesten tegenhouden om hem terug naar huis te sturen. Hoe primitief ook, het lukte! Dat was natuurlijk ook zo omdat er in die tijd, begin jaren zestig, nog maar weinig auto’s op de weg waren.’

Aansluiting gemist en daardoor onvindbaar

‘Toen een week na haar vertrek de eerste lichtblauwe luchtpostenveloppen op de deurmat vielen, wisten we dat ze veilig in Kenia was aangekomen.’

Bijna iedere vliegtuigpassagier heeft vlak voor start en landing via zijn smartphone contact met het thuisfront. Familie en vrienden weten daardoor precies wanneer ze iemand op Schiphol moeten afhalen. Hoe anders was dat toen mijn zusje Tineke (1958) in 1980 voor een stage Tropische Landbouw tien maanden naar Kenia ging. De vliegreis was een heel avontuur en bovendien erg duur. Het goedkoopst was het om met Aeroflot vanaf Londen via Moskou naar Nairobi te vliegen. Omdat varen goedkoper was dan vliegen, ging ze heen met de boot naar Londen, maar terug zou ze dat laatste stuk vliegen met British Airways.

Toen een week na haar vertrek de eerste lichtblauwe luchtpostenveloppen op de deurmat vielen, wisten we dat ze veilig in Kenia was aangekomen. Tineke:

‘Bellen met Nederland? Dat deed je niet. Je was voor een paar minuten zo honderd gulden kwijt. Geen denken aan. Als arme student schreef en kreeg je brieven.’

Via de post liet ze weten wanneer zij in de zomer van 1981 precies zou terugkomen. Die middag maakten een aantal vrienden en ik onze opwachting op Schiphol. Maar wie er ook met British Airways uit Londen kwam, geen Tineke. Ook op latere vluchten zat ze niet. In het duister tastend over wat er gebeurd kon zijn, dropen we af en gingen zonder haar naar huis.

Oude telefooncentrale
Oude telefooncentrale
Achteraf bleek dat ze in Moskou haar aansluiting naar Londen had gemist. Tineke: ‘Bellen kon niet, zeker niet vanuit de Sovjet-Unie. Ik heb jouw telefoonnummer op een briefje geschreven. Aeroflot zou je bellen, maar dat is dus niet gebeurd.’ Uiteindelijk vloog ze rechtstreeks vanuit Moskou naar Amsterdam. En toen moest ze nog thuis zien te komen. Ze had één kwartje en daarmee probeerde ze mij te bellen. Ik hoorde de telefoon niet en had, zoals bijna iedereen in Nederland, nog geen antwoordapparaat. Geld pinnen kon ze niet, want er bestonden nog geen pinautomaten. Geld lenen en met de trein naar Amsterdam gaan was evenmin een optie, want de Schiphollijn zou pas in 1986 worden geopend. Dus moest ze met dat ene kwartje mij blijven bellen en bellen. Toen ik eindelijk opnam wist ik dat ze geland was en kon ik haar komen halen.

Mooie telefoongesprekken

Steeds vaker maken mensen via mails of appjes afspraken en houden ze elkaar via internet op de hoogte van hun wel en wee. Wanneer iemand je nu belt, ben je geneigd te vragen: ‘Is er iets?’ Voor de meeste mensen is de tijd voorbij dat ze eindeloze telefoongesprekken voerden. Voorbij ook de tijd dat er smachtend, als door Jim Reeves (1923-1964) in 1959, wordt gelispeld:

‘Put your sweet lips a little closer to the phone
Let’s pretend that we’re together, all alone
I’ll tell the man to turn the jukebox way down low
And you can tell your friend there with you he’ll have to go.’

In de in 1992 verschenen bundel met herinneringen aan Renate Rubinstein (1929-1990) memoreert Rudy Kousbroek (1929-2010) de telefoongesprekken met haar: ‘Vooral wanneer zich in haar leven een of andere crisis voordeed, en dat gebeurde nogal eens, werden stad en land afgebeld in een imperatieve behoefte erover te spreken – en over wat haar verder boeide of bezighield. Je komt wel verzamelde werken tegen van achttiende- en negentiende-eeuwse auteurs, waarvan dan twintig delen uit brieven blijken te bestaan: daar moet het ongeveer het equivalent van zijn. […] Je zou wensen dat er bij de PTT een dienst had bestaan die alles had opgenomen: keurige rijen cassettes, de verzamelde telefoongesprekken van Renate Rubinstein, compleet met register en jaartal. Verbale Tamar-kolommen, tientallen, honderden, ongebundeld en onherroepelijk verloren voor het nageslacht. Waarom heb ik het zelf nooit gedaan? Het is de gewoonste zaak van de wereld dat belangwekkende brieven worden bewaard; maar telefoongesprekken opnemen, dat roept remmingen op, en onbehagen. “Mooie” telefoongesprekken, dat is geen gangbaar begrip, maar ze bestaan natuurlijk wel. Die van Renate, soms nauwelijks onderbroken monologen (want spreken kon zij beter dan luisteren), waren vaak prachtig.’

Kanarieboekje 'De kunst van het telefoneren' (Collectie Koninklijke Bibliotheek)
Kanarieboekje ‘De kunst van het telefoneren’ (Collectie Koninklijke Bibliotheek)

Kort en zakelijk

Mensen als Jim Reeves en Renate Rubinstein hadden lak aan de vermaningen die stonden in het door het Haagse Succes-instituut uitgebrachte Kanarie-boekje no. 42 Goede manieren. Daarin werd gewaarschuwd dat de telefoon niet bestemd is om lange verklaringen af te leggen of eens uitvoerig gevoelens van liefde of boosheid onder woorden te brengen.

‘Leuter-gesprekken langs telefonische weg moet u vermijden. Het zou kunnen zijn, dat dringende zaken door uw toedoen niet kunnen worden afgedaan. Zomin als u met uw auto kringetjes gaat rijden op een drukke verkeersweg, zomin mag u het telefoonnet belasten met eindeloze, onzakelijke gesprekken. Dames hebben er nog wel eens een handje van om uitgebreid gezellig met elkaar over de mode, de gezelligheid en… anderen te praten. […] Ook bij telefoneren geldt de gulden regel: Zakelijk, kort, beleefd en vooral niet uitbundig. De waarlijk beschaafde man of vrouw zal deze regel steeds in acht nemen.’
– Fragment uit Kanarieboekje ‘De kunst van het telefoneren’

Telefoonboeken verdwenen uit telefooncellen toen mensen ‘de sterkste man’ na-aapten en ze probeerden te doorklieven. © Fotocollectie Anefo via Nationaal Archief, fotograaf Bert Verhoeff
Telefoonboeken verdwenen uit telefooncellen toen mensen ‘de sterkste man’ na-aapten en ze probeerden te doorklieven. © Fotocollectie Anefo via Nationaal Archief, fotograaf Bert Verhoeff
Doordat in moderne telefoons de nummers staan die je regelmatig belt, hoef je geen nummers meer uit het hoofd te leren en zijn telefoonklappers ook niet meer nodig. Bij Henk (1955) thuis hadden ze geen telefoon en daarom belde hij zijn vriendinnetje altijd vanuit een telefooncel op. Haar nummer kende hij vanbuiten. ‘Andere nummers moest ik opzoeken in de telefoonboeken die in de telefooncel hingen. Een tijdje was dat lastig, want de telefoonboeken waren stuk. Dat gebeurde nadat “de sterkste man van Nederland” op televisie met een soort karateslag telefoonboeken doormidden had geslagen en andere mensen hetzelfde trucje uitprobeerden met telefoonboeken in de cel.’

Mulisch in de mist

Door het voortschrijden van de techniek gaan sommige grapjes aan jonge generaties voorbij. Bij de huidige telefoons is er geen sprake meer van ‘ophangen’. Hoe leuk is dan nog psychiater Sigmund in de Volkskrant van 10 december 2015? Vanachter zijn bureau belt hij een patiënt.

‘Mevrouw De Vries, met dokter Sigmund, onze afspraak voor uw intake moet ik helaas verzetten. Vanmiddag heb ik een begrafenis van een patiënt. Nee, morgen gaat ook niet. Dan heb ik een crematie en overmorgen heb ik twee begrafenissen. Hallo? Opgehangen. Vreemd.’

Ook gaan sommige anekdotes de mist in. Voor leraren Nederlands was het altijd leuk te vertellen hoe ijdel Harry Mulisch (1927-2010) was: de schrijver liet naar het café in het American Hotel bellen zodat er daar dan ‘telefoon voor de heer Mulisch’ werd omgeroepen en iedereen kon zien wie die belangrijke meneer Mulisch was. Vroeger was dat grappig. Maar in de ogen van de huidige generatie leerlingen is Mulisch een loser. Want wie gaat er nu zonder mobiel op stap?

~ Annegreet van Bergen

Boek: Het goede leven – Annegreet van Bergen
Fragment uit Gouden Jaren: ‘Ouderenzorg werd mensen bijna opgedrongen’
Ook interessant: Geschiedenis van de Telefoongids
…en: Waarom heeft Rotterdam netnummer 010? (en Amsterdam 020)

Bestel dit boek bij:

Bestel dit boek bij de Historiek Geschiedeniswinkel


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister