De Brusselse Biertempel, speelterrein van internationaal kapitalisme, bevindt zich op de plek van een voormalig klooster van een bedelorde. Het is een merkwaardige buiteling van de geschiedenis. In de middeleeuwen een religieuze trekpleister, in de negentiende eeuw een zoemend bijennest van beursactiviteiten en nu een museum over Belgisch bier.
Stedelijke nederzettingen ontwikkelden zich rond handelswegen, over land of aan water. Brussel groeide eveneens op een kruispunt van mercantiele routes en in het kielzog daarvan vestigden zich andere activiteiten, ook religieuze.
Nabij de Sint-Nicolaaskerk, het handelscentrum van Brussel, in de buurt van het stadhuis op de (letterlijk) Grote Markt, werd in 1238 het klooster van de Franciscanen opgericht. Aanvankelijk woonden die monniken in bruine pij, in de marge – de marginaliteit – aan de rand van de stad. Maar het terrein was er te vochtig en te ongezond, dus verhuisden ze binnen de omwalling van de stad.
De nieuwe plek van het klooster, naast de Zenne, was nauwelijks beter of minder vochtig. De geraamtes van de geestelijken, begraven binnen de convent muren, tonen misvormingen door reuma, te wijten aan de vochtige woonomstandigheden. In de ondergrondse restanten van het klooster, die nog te bezoeken zijn, hangt nog een muffe geur van vocht.

Bidden en bedelen
De stank die bijwijlen ook rond de rivier – omschreven als een open riool – hangt, lijkt de buurtbewoners en ook de kloosterlingen niet te deren. Sobere leefomstandigheden is wat de Franciscanen in navolging van hun patroonheilige Franciscus van Assisi betrachten. Ze bidden en ze bedelen. Een andere naamgeving is daarom Minderbroeders en later Recolletten, naar het ophalen van geldsommen. Vandaar dat heel wat gedegen burgers met een flinke beurs de geestelijke hulp van de paters vroegen. Zo ook de bewindvoerders van stad en streek.

Liefdesgedichten
Maar Jan, de houwdegen, was ook een dichter. Meer nog, als eerste schreef hij in het Diets, het Middeleeuwse Nederlands. En nog meer: hij rijmelde liefdesgedichten. In zijn Eens meienmorgens vroeg klinken de mysterieuze, onbegrijpelijke woorden harba lori fa. Mogelijks is het een variatie op het Franse/Provençaalse herba flors fa, (l’herbe fait des fleurs – het kruid staat in bloei). Meer dan een verwijzing naar de lente, zou het een erotische knipoog kunnen zijn. Maar in het Diets stond ‘Harba’ ook voor Brabant en ‘lori fa’ verwijst naar Oriflamme, de gouden vlam of vlag. Dus een loflied op zijn hertogdom.

Eens meien morgens fru (Eens meienmorgens vroeg )
Was ic opghestaan;
In een scoen boemgerdekine
Soudic spelen gaen.
Daar vant ic drie joncfrouwen staen,
Si waren so wale ghedaen,Dene sanc voor, dander sanc na:
Harba lori fa, harba harba lori fa,
Harba lori fa!
De slagzin klonk tot in de twintigste eeuw in nieuwe volksliederen en het bekende Brabantse deuntje:
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa.
Hertog Jan, het Brabants volkslied
Aleidis, een vrouw met politiek inzicht
Dat poëtisch talent erfde levensgenieter Jan mogelijks van zijn moeder Aleidis van Bourgondië (1233-1273), weduwe op haar achtentwintigste en een doortastende regentes. Tegendraads aan het testament van haar echtgenoot die beval om Joden te verbannen, besloot zij met hen handel te drijven. Op haar vraag schreef de dominicaner monnik Thomas van Aquino de aanbeveling om de Joden (met mate) belastingen te doen betalen en hen ter herkenning een… insigne te laten dragen.

Zo’n voorname gast in hun midden – ook al waren het zijn restanten – was een uitstekende promotie voor het klooster. Nogal wat patriciërs en aristocraten zochten eveneens hun postume zaligheid bij de bedelorde. Het Minderbroedersklooster groeide in een toch dichtbevolkte binnenstad. Begin achttiende eeuw tonen plattegronden een groot complex met zelfs binnentuinen, aan de overzijde van de Zenne-rivier.
De raaf vertelt
Met de Franse Revolutie werden religieuze instellingen afgeschaft en hun goederen verbeurd verklaard. Kloosters kregen een nieuwe bestemming of werden afgebroken, zoals het Brusselse Recollettenklooster. Bouwmaterialen werden gerecupereerd en elders gebruikt. Op de fundamenten van het Recollettenklooster werd de Botermarkt opgericht en bij de archeologische opgravingen werden stenen van de verkoopstallen van de markt teruggevonden.
Ook die Botermarkt langs de Zenne verdween toen het stadsbestuur besloot om de rivier de overwelven en bovenop – in de stijl van Haussmann – rechte lanen met prestige-architectuur te voorzien. Op de grondvesten van het klooster van de Bedelorde verscheen de Beurs. Die tempel staat er nog maar werd ‘gerecycleerd’ tot bierwalhalla.

In de sous-sol (kelderverdieping) werd gegraven naar restanten van de vroegere geschiedenis. En soms zijn banale vondsten veelzeggend. Zo werden er skeletjes van raven gevonden. Raven met gebroken schouderblad, aan de botten te zien. De Minderbroeders hadden dus waarschijnlijk ook huisdieren, zoals honden en gebrekkige vogels. Praatten ze er ook mee, zoals hun geestelijke voorbeeld, Franciscus van Assisi?
De archeologische site onder het Beursgebouw – pal in het centrum van Brussel – is nu een museum(pje) en is te bezoeken. Recent werden ook twee handzame boekjes uitgebracht, in de (archief)reeks Historiae Bruxellae: ‘De Beurs: van financiënpaleis tot biertempel’ (nr 22) en ‘Bruxellae 1238: Van Minderbroedersklooster tot archeologisch museum’.
– H. Pirenne, “La duchesse Aleyde de Brabant et le ‘De regimine judaeorum’ de saint Thomas d’Aquin”, in: Revue néo-scolastique de philosophie, Vol. 30, Nr. 18, 1928, blz. 193-205.
De Brusselse Beurs, de roomtaart van het kapitalisme
De Beurs van Brussel
Sint-Niklaaskerk in Brussel
Ernest Solvay – Belgische grootindustrieel en scheikundige
Kerk van St-Jacob op de Coudenberg
Het Koninlijk Parktheater in Brussel