Nazi-Duitsland wilde in 1936 Nederlands Nieuw-Guinea inpikken

8 minuten leestijd
Papoea's te Nieuw-Guinea
Papoea's te Nieuw-Guinea (KITLV 377810)

In het geheel van de geschiedenis een klein feitje, maar wel opmerkelijk: de Duitse nazileider en rijkskanselier Adolf Hitler wilde in 1936 niet alleen de in 1919 van Duitsland afgepakte koloniën in Afrika en Azië terug, hij wilde het reusachtige Nederlands Nieuw-Guinea er ook nog bij hebben. Alleen dan zou Duitsland helpen de vrede in de wereld te bewaren, zo werd gesteld in Berlijn.

In de tweede helft van de negentiende eeuw waren niet alleen Nederland en Engeland op en rond het gigantische eiland Nieuw-Guinea actief, ook Duitsers doken in de regio op. Vanaf 1857 toonden Hamburgse handelshuizen belangstelling. Zoals ook elders wel gebeurde, botsten op zeker moment koloniale machten in het gebied op elkaar. Daarom werden in 1885 op een conferentie in Londen afspraken gemaakt. Het westen van Nieuw-Guinea was en bleef Nederlands, van de oostelijke helft viel het zuiden toe aan de Britten, het noorden (Kaiser-Wilhelms-Land) aan de Duitsers. Ook mochten de Duitsers de dienst blijven uitmaken op tal van eilanden ten noorden en oosten van Nieuw-Guinea. Denk onder meer aan de Bismarck-archipel.

verdeling nieuw guinea 1885
In 1885 afgesproken verdeling van Nieuw-Guinea: het westen voor Nederland, van het oosten de noordkant voor Duitsland en de zuidkant voor de Britten. (CC BY-SA 3.0 – Cartol – wiki)
Berlijn liet het Duitse gebied beheren door een particulier bedrijf, de Neuguinea-Kompagnie. Toen die bankroet dreigde te gaan nam de Duitse staat de zaken in oktober 1898 over. Precies zoiets was een eeuw eerder aan Nederlandse kant gebeurd. De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) moest de zeilen strijken, waarna de overheid de boel ter hand nam en de koloniale staat Nederlandsch-Indië in het leven riep.

Nieuwe Duitse koloniale ambities

Na de Eerste Wereldoorlog werd Duitsland krachtens het Verdrag van Versailles (1919) ontdaan van zijn koloniale bezit. Dat lag vooral in Afrika, maar dus ook in het Verre Oosten/de Pacific. Al deze gebieden vielen toe aan de net opgerichte Volkenbond. Die bracht ze onder bij mandatarissen: landen die de voormalige Duitse koloniën moesten beheren namens de Volkenbond en daarover verslag uitbrengen. Het ging om Engeland, Frankrijk, België, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland. Van voormalig Duits Nieuw-Guinea werd Australië de mandataris.

Nadat hij in januari 1933 aan de macht was gekomen roerde Hitler zich niet alleen in Europa, zijn regiem wilde ook de afgenomen koloniën terug. Maar Hitler wilde nog een forse stap verder gaan. Dat laatste valt te lezen in een opvallende notitie die de Amerikaanse ambassadeur in Berlijn, William E. Dodd, op dinsdag 29 december 1936 maakte in zijn dagboek. Hitler wilde ook de Nederlandse helft van Nieuw-Guinea hebben. Berlijn meende dat Nederland wel akkoord zou gaan.

Dodd hoorde het op 29 december 1936 ’s avonds van Hjalmar Schacht, Duits minister van Economische Zaken en president van de centrale bank, de Reichsbank. Dat Dodd de boodschap niet goed verstaan of begrepen zou hebben, valt uit te sluiten. De Amerikaanse president Roosevelt had juist hem als ambassadeur naar Berlijn gestuurd vanwege zijn bijzondere geschiktheid. Dodd was geen carrièrediplomaat, maar hoogleraar geschiedenis aan de University of Chicago. Hij was in 1900 gepromoveerd aan de Universität Leipzig, sprak Duits en kende de Duitse literatuur, geschiedenis en politiek.

Deutsch-Neuguinea
Nog vol goede hoop over de wereldoorlog. Reservisten op Duits Nieuw-Guinea in 1914.
Eerder en scherper dan veel anderen in het ‘corps diplomatique’ zag Dodd hoezeer de opstelling van Duitsland, Italië en Japan de vrede bedreigde. Geen wonder dat hij Schacht die avond aan de tand voelde. Wat dacht de Duitse bewindsman bijvoorbeeld over de rede die de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Cordell Hull, kort daarvoor had gehouden in Buenos Aires?

Anders dan de Amerikaanse president Donald Trump anno 2026 zat Hull op de lijn dat landen zich niet moeten mengen in elkaars binnenlandse aangelegenheden en dat vrije handel, zonder tolmuren en andere restricties, in ieders voordeel is. In die zin had hij zich ook uitgesproken in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires, waar eenentwintig Noord-, Midden- en Zuid-Amerikaanse landen hun onderlinge betrekkingen van 1 tot 23 december 1936 bespraken. “Als de plechtige rechten en plichten tussen naties licht worden opgevat of aan de kant geveegd, zullen de naties van de wereld afstevenen op internationale anarchie en chaos’’, had Hull op 5 december gewaarschuwd.

William E. Dodd
Net benoemd tot Amerikaans ambassadeur in Berlijn: William E. Dodd.
Wat vond Schacht daarvan, en zou Duitsland willen deelnemen aan een vredesconferentie?, wilde ambassadeur Dodd weten. “Ik ben er zeker van dat wereldvrede de eerste voorwaarde is voor (economisch, red.) herstel en ik ben er zeker van dat Hitler met zo’n vrede zal instemmen”, antwoordde Schacht, “maar eerst moet Duitsland haar koloniën hebben.” Vlak daarvoor had hij al gezegd dat teruggave van de in 1919 afgenomen koloniën niet genoeg was. Volgens Dodd verklaarde Schacht die avond tot driemaal toe: “Nieuw-Guinea moet aan ons worden gegeven”. Dodds opmerking dat de helft van dat eiland Nederlands was, schoof Schacht terzijde:

De Nederlanders zullen erin toestemmen hun deel aan ons te geven.

Een stuk tropisch Nederland

Nederlands Nieuw-Guinea besloeg de westelijke helft van het eiland. Binnen Nederlands-Indië was het een buitenbeentje. Het koloniale gezag had er nooit echt aandacht aan besteed, het hing er een beetje bij. In de jaren twintig en dertig groeide wel het besef dat andere mogendheden, ook Japan, voor dit stuk tropisch Nederland wellicht ongezonde belangstelling konden hebben, zeker als er geen effectief Nederlands bestuur was. Behalve twee aan rivier de Digoel gelegen interneringskampen voor politiek gevaarlijk geachte Indonesiërs stelde de Nederlandse aanwezigheid bar weinig voor.

Op kleine schaal werden daarom alsnog initiatieven genomen. In een van de Indische delen van zijn seriewerk over de Tweede Wereldoorlog schetst historicus Loe de Jong hoe futiel het was.

Er was daar in de jaren ’30 een afdeling Noord-Nieuw-Guinea met onderafdelingen o.m. in de hoofdplaats Manokwari en in het hemelsbreed 550 km meer oostelijk gelegen Sarmi. ‘De bestuursambtenaar die in 1936 in Sarmi geplaatst werd, vond’, aldus Jan van Eechoud, in die tijd afdelingscommandant van de Veldpolitie in Manokwari, ‘geen afsluitbare deuren in zijn huis; moest zich in het donker uitkleden, aangezien men vrijelijk door de talloze reten naar binnen kon kijken en werd de eerste nacht uit zijn bed geregend’.

Boven-Digoel geinterneerden
Indonesische geïnterneerden in kamp Tanah Tinggi aan de Digoel in Nieuw-Guinea. De foto is gemaakt rond 1928. (KITLV 153792)

Pogingen tot (landbouw)kolonisatie dan? De Jong: “De kolonisatie op Nieuw-Guinea werd een fiasco (…) Ze begon in ’28-’30 – in ’34 was er bij Manokwari een kolonie van circa tweehonderdvijftig zielen en was hier ca. 80 ha. beplant, bij de tweede plaats, Hollandia, was er een kolonie van ca. honderd zielen, maar hier was na al die tijd slecht 5 ha. beplant. (. . .) In ’38 waren er bij Hollandia nog maar vier kolonisten over, bij Manokwari waren het bijna tweehonderdzeventig geworden.’’

Grondstoffen en internationale belangstelling

Maar er was in Nederlands Nieuw-Guinea meer: belangrijke grondstoffen. Zo waren er in 1936 grote voorraden goud en koper aangetroffen. Tot grootschalige exploitatie kwam het overigens pas drie decennia later toen de Grasbergmijn werd geopend, de rijkste goudmijn ter wereld en de op twee na rijkste kopermijn. De exploitant was toen PT Freeport Indonesia, een joint venture van de Indonesische overheid (lange tijd voor krap 10 procent eigenaar) en het Amerikaanse bedrijf Freeport McMoRan (lang ruim 90 procent). In 1941 werd ook olie ontdekt, namelijk bij Babo op de zogenoemde Vogelkop van Nieuw-Guinea. Het ging volgens Loe de Jong om olie ‘van zulk een uitstekende kwaliteit dat zij, zonder geraffineerd te zijn, als stookolie gebruikt kon worden’. Aan winning van de olie begon de Nederlandsche Nieuw-Guinea Petroleum Maatschappij, een dochterbedrijf van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, die weer een dochter was van Koninklijke/Shell.

Eind 1936 konden de Duitse autoriteiten van dat grondstoffenverhaal op zijn best een deel op het netvlies hebben. Wel staat vast dat er toen al sterke vermoedens waren over grote grondstoffenvoorraden op Nederlands Nieuw-Guinea. Dat plús wantrouwen over mogelijke Duitse en Japanse belangstelling voor het gebied bracht sinds 1934 pennen in beweging in Nederlandse en Indische media. Zo noteerde het Soerabaiasch Handelsblad begin dat jaar dat Japan belangstelling had voor ‘petroleumconcessies’ op Nieuw-Guinea.

Grasbergmijn Nieuw Guinea
Overzicht van de Grasbergmijn in 2009. (CC BY-SA 2.0 – Richard Jones – wiki)

Op geheel eigen wijze schreef NSB-weekblad Volk en Vaderland erover. “In de Japansche pers wordt openlijk op economische en militaire verovering onzer koloniën aangedrongen”, aldus het blad. Het verweet de kranten Algemeen Handelsblad en de Telegraaf hierover ‘struisvogelpolitiek’ en betichtte minister van Buitenlandse Zaken De Graeff van aanhoudend ‘zwijgen’. Hoog tijd, aldus het NSB-blad…

…dat wij dit beschimmelde slaapmutsensysteem kunnen opbergen en Indië kunnen redden.

Van ‘bepaalde bedoelingen’ van Japan met Nieuw-Guinea is absoluut geen sprake, verklaarde Kazaje Koewasjima in maart 1937 in Batavia. Hij was in Indië op ‘studiereis’ alvorens in mei aan te treden als Japans gezant in Den Haag. Al in januari had Hitler bezworen dat er voor een land als Nederland niets aan de hand was. Hij deed dat in een toespraak tot de Rijksdag. “Duitschland heeft jegens de landen, die het geen koloniën hebben afgenomen, geen koloniale eischen”, viel uit Hitlers mond in Nederlandse kranten te lezen.

Ruim anderhalf jaar later zag de Indische Courant nog steeds geen reden voor ongerustheid. De krant snapte best dat Duitsland zijn oude koloniën terug wilde ‘in verband met de aanwezigheid van de noodige grondstoffen’. Het dagblad vond het zelfs ‘van het grootste belang voor den wereldvrede, dat Duitschland zijn voormalige koloniën terugkrijgt’. Maar Nederlands Nieuw-Guinea?

De gedachte dat Nederlandsche koloniën ter bevrediging van het Duitsche verlangen zouden moeten worden afgestaan, is absurd en mist elken grond…

Hjalmar Schacht
Hjalmar Schacht in 1931 (Bundesarchiv, Bild 102-12733 / CC-BY-SA 3.0)
…aldus de Indische Courant, die daaraan toevoegde: “Het is niet aan te nemen, dat Duitschland hieraan zou denken’’. Goed vertrouwen dus. De Indische Courant kon ook niet weten wat de Duitse minister Schacht eind 1936 binnenskamers tegen de Amerikaanse ambassadeur had gezegd: we moeten Nederlands Nieuw-Guinea hebben!

Een vergeten voetnoot

Zoals bekend is het er nooit van gekomen. Vanaf 10 mei 1940 liepen Duitse troepen Nederland onder de voet, vanaf 8 maart 1942 maakte Japan de dienst uit in Nederland-Indië. Op 7 mei 1945 tekende generaal Jodl in Reims de capitulatie van alle Duitse troepen in Europa, op 15 augustus strekten de Japanners de wapens in Azië. Na een mislukte oorlog om de Gordel van Smaragd weer in handen te krijgen droeg Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over aan Indonesië. Wel werd de westelijke helft van Nieuw-Guinea achtergehouden. Het vergde nog enkele politieke en diplomatieke crises en wapengekletter voor het gebied op 1 mei 1963 bij Indonesië werd gevoegd, wat, na nieuw getouwtrek, op 19 november 1969 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd bevestigd.

Met dat alles is de Duitse claim op Nederlands Nieuw-Guinea uit de jaren dertig als een voetnoot in de geschiedenis verdwenen. Wel een voetnoot overigens die typeert hoe westerse mogendheden destijds meenden te kunnen omgaan met landen in met name Azië en Afrika: wij beslissen over u en zonder u.

Bronnen

– Duitschland en koloniën (II). Indische Courant, 6 oktober 1938.
– Mr. dr. E. Jaspar: Duitschland’s eisch inzake koloniën, 1. Het begrip mandaatgebied. Utrechtsche Courant, 2 april 1937.
– Ambassador Dodd’s Diary 1933-1938, Edited by William E. Dodd Jr. and Martha Dodd (London 1945).
– Office of the Historian: Inter-American Conference for the Maintenance of Peace held at Buenos Aires, December 1-23, 1936, Adress Delivered by the Secretary of State at Buenos Aires, December 5, 1936.
– Dr. L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11a, Nederlands-Indië eerste helft (’s-Gravenhage 1984).
– Greg Poulgrain: Blood and Silence. The Hidden Tragedy 1965 (Jakarta 2026).
– Dr. L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 9, Londen tweede helft (’s-Gravenhave 1979).
– Dr. L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11a, Nederlands-Indië tweede helft (’s-Gravenhage 1984).
– Positie van Indië in Oost-Azië. Een Duitsch oordeel. Soerabaiasch Handelsblad, 17 januari 1934.
– Het gele gevaar. Japan loert op onze koloniën. Struisvogelpolitiek der pers. Regeering doet niets en kan ook niets. Volk en Vaderland, 12 oktober 1935.
– De nieuwe Japanse gezant over Indië. Japan heeft geen bedoelingen ten opzichte van Nieuw-Guinea. De Volkskrant, 22 maart 1937.
– Hitler sprak tot de wereld. Duitschland wil loyaal meewerken aan de oplossing van alle Europeesche problemen. Utrechtsche Courant, 1 februari 1937.
– Wikipedia: German New Guinea, Deutsch-Neuguinea, Hjalmar Schacht, Tambang Grasberg.
×