Leopold II was ongetwijfeld de meest opvallende en meest omstredene onder de Belgische koningen. Maar wellicht ook de meest intelligente, de meest sluwe, de meest ijverige onder hen, de enige die bekend is door straffe uitspraken en one-liners. Hij is zelfs een van de meest merkwaardige monarchen uit de recente wereldgeschiedenis. Hij was constitutioneel staatshoofd met zeer beperkte macht in zijn eigen land om los daarvan als een absolute despoot over een groot stuk van Afrika te heersen. Wat er onder zijn bewind in Congo gebeurde, was voor sommigen aanleiding om hem te vergelijken met Dzjengis Chan of zelfs Hitler.

Fysiek was hij niet aantrekkelijk, zeker niet vanwege zijn opvallende neus. Zelfs zijn moeder vond hem lelijk. Zoals veel leden van het Belgische koningshuis was hij opvallend groot – 1,90 meter. Door heupjicht geplaagd ging hij al vroeg mank lopen.
Leopold werd streng opgevoed door huisleraars en militaire gouverneurs. Toen hij achttien jaar werd, mocht hij als kroonprins zetelen in de Senaat, wat hij als meer dan een erefunctie beschouwde, want hij hield er geregeld toespraken over onderwerpen die hem boeiden, zoals stedenbouw en economische expansie.
Huwelijk en grote reizen
Nog op zijn achttiende trouwde hij met aartshertogin Maria Hendrika van Oostenrijk – zij was net geen zeventien. Het huwelijk met een telg van de machtige Habsburgse dynastie was door zijn vader gearrangeerd. Bruid en bruidegom voelden niets voor elkaar en hadden niets gemeen. De Oostenrijkse aristocrate Pauline von Metternich sprak van het huwelijk tussen een palfrenier en een non, waarbij ze met de non de hertog van Brabant bedoelde. Maria Hendrika was inderdaad dol op paardrijden, terwijl de sombere en strenge Leopold zich door zijn gebrek nauwelijks op een paard kon rechthouden.

De bruiloft werd gevolgd door een grote huwelijksreis, naar Egypte, Palestina, Syrië, Griekenland en Italië. Latere reizen zou Leopold zonder echtgenote maken. In 1857 reisde hij door de Balkan, in 1862 bezocht hij Spanje, Algerije, Tunesië en opnieuw Egypte, en in 1864-65 maakte hij een grote rondreis door het Verre Oosten, tot in Nederlands-Indië, waarbij hij de koloniale exploitatiemethoden bestudeerde.
Net als zijn vader was hij gevoelig voor geld en eigendommen. Bij een bezoek aan de Franse keizer Napoleon III aarzelde de hertog van Brabant niet – tot wanhoop van de Belgische diplomaten die de toorn van de keizer vreesden – te herinneren aan de in beslag genomen eigendommen van de verdreven Franse koninklijke familie, waar hij als erfgenaam van zijn Franse moeder recht op had.
Kinderen
Leopolds relatie met zijn vrouw was vanaf het begin problematisch. Zijn familie begon zich zorgen te maken toen er na een paar jaar nog geen zwangerschap was. Zijn volle nicht, de Britse koningin Victoria, die met dit probleem erg begaan was, kwam te weten dat Leopold minder instruït was dan Maria Hendrika. Victoria zond haar eigen echtgenoot prins Albert naar hem voor de nodige instructie. In 1858 werd dan toch een dochter, Louise, geboren. In 1859 volgde een zoon, die ook de naam Leopold kreeg. Nog eens vijf jaar later kwam er nog een dochter, Stefanie.
Die geboorten brachten het echtpaar niet dichterbij. Leopold was intussen een buitenechtelijke affaire begonnen met de actrice Aimée Desclée. Als reactie wilde Maria Hendrika hem verlaten, maar ze werd streng op haar plichten gewezen.

Koning
Op 10 december 1865 overleed Leopold I. Zeven dagen later legde de hertog van Brabant de eed af als koning Leopold II (hij stond erop om tot aan zijn eedaflegging niet als koning te worden betiteld, wat sindsdien geldt voor alle Belgische koningen). Het enthousiasme voor de eerste Belgische monarch die in België geboren was – zeker sinds keizer Karel V – was in het begin vrij groot.

Intelligente mensen zijn over het algemeen egoïstisch en toegewijde mensen zijn vaak niet erg intelligent.
Na het verlies van zijn zoon zocht Leopold toenadering tot de even bedroefde Maria Hendrika, met de bedoeling om voor verder mannelijk nageslacht te zorgen. Enkel mannen konden immers de troon erven. Maar toen de koningin in 1872 opnieuw beviel van een dochter, Clementine, gedroeg de teleurgestelde koning zich zo grof tegenover haar, dat de breuk definitief werd.
Grondwettelijk staatshoofd
Intussen speelde Leopold II de rol van een echt grondwettelijk staatshoofd. Hij gedroeg zich heel wat soepeler tegenover de politici dan zijn autoritaire vader. Hij pleegde veel overleg met zijn ministers en toonde begrip en belangstelling voor hun werk. Die belangstelling was deels reëel, deels uit sluwheid, om sympathie te winnen. Leopold II begreep dat, indien hij als vorst nog politieke macht wilde uitoefenen, dit op een meer indirecte manier moest gebeuren. Hij respecteerde scrupuleus de grondwet, maar handelde zeker niet als een marionet van de ministers. Hij maakte regelmatig opmerkingen over de wetten en besluiten die hem werden voorgelegd.

In de steeds heftiger wordende politieke strijd tussen de liberale en de katholieke partij stelde de koning zich neutraal op, een neutraliteit die hem niet altijd in dank werd afgenomen. Toen een door de liberalen gedomineerd parlement in 1879 een wet goedkeurde die het openbaar onderwijs bevorderde ten nadele van de katholieke scholen, riepen de katholieken de koning op om die “ongelukswet” te verwerpen, maar Leopold ging daar niet op in en zette er zijn handtekening onder. Vijf jaar later waren de rollen omgekeerd: een katholieke meerderheid joeg een voor haar gunstige schoolwet door het parlement. Daarop stapte een delegatie prominente liberalen naar de koning om hem te vragen de wet niet te bekrachtigen. Leopold antwoordde:
Mijn houding zal zijn zoals in 1879.
Overigens heeft Leopold II in twee andere gevallen een door het parlement goedgekeurd wetsontwerp afgewezen. Maar die unieke toepassingen van het koninklijk vetorecht kwamen er wel op voorstel en met instemming van de regering, die er de verantwoordelijkheid voor droeg.
Militaire hervormingen
Leopold II had intussen zijn eigen politieke agenda. Net als zijn vader drong hij aan op een sterk leger opdat België zijn neutraliteit zou kunnen verdedigen tegenover de machtige buurlanden. Hij benadrukte militaire hervormingen, waarvan er twee op tegenstand botsten: de versterking van de fortengordel rond Antwerpen en de vervanging van het stelsel van rekrutering door loting door een algemene dienstplicht. De eerste hervorming was zeker in Antwerpen zeer impopulair, de tweede stootte op verzet van de hogere burgerij, omdat zonen van rijke families zich tegen betaling konden laten vervangen als de loting hen voor militaire dienst aanwees. Langs katholieke zijde vreesde men bovendien dat de legerdienst een slechte invloed had op de zeden van de jongelui.

Sinds 1884 had de katholieke partij voortdurend de meerderheid in beide Kamers. Leopold moest het grootste deel van zijn regeerperiode ministers uit die partij benoemen, maar hij wees nog altijd een formateur van zijn keuze aan. Hij had een goede band met de de gematigde katholieke regeringsleider Auguste Beernaert, die tien jaar lang (1884-1894) aanbleef.
Het koninklijk referendum en algemeen kiesrecht
Toen er vanaf 1890 ernstig gepraat werd over een grondwetsherziening, speelde de koning daar een actieve rol in. Het ging vooral om de verruiming van het kiesrecht, die Beernaert onvermijdelijk achtte (er waren toen nog geen 200.000 kiezers op bijna 6 miljoen Belgen). Leopold, hoewel sociaal conservatief, aanvaardde dit, maar omdat algemeen stemrecht volgens hem de macht van het parlement zeer zou versterken ten opzichte van de uitvoerende macht, eiste hij als compensatie dat de koning het recht zou krijgen om wetsontwerpen via een referendum aan het volk voor te leggen. Dit voorstel voor een “koninklijk referendum” kreeg de steun van Beernaert maar haalde niet de noodzakelijke 2/3-meerderheid in de Kamer.
Uiteindelijk kwam er algemeen kiesrecht voor mannen, zij het dat bevoorrechte burgers één of twee stemmen extra kregen. De hervorming was er gekomen onder druk van grote stakingen, georganiseerd door de socialistische arbeidersbeweging. Voor de socialisten had Leopold een grondige afkeer – die wederzijds was: zij zagen de monarch als het symbool van een door kapitalisten gedomineerde staat die de arbeiders onderdrukte. Toen de koning in 1894 een troonrede hield voor de nieuwe verkozen Kamers, kon hij zich nauwelijks laten verstaan, want de de socialisten, die dank zij het nieuwe kiesrecht toen voor het eerst in het parlement zetelden, maakten kabaal. Sindsdien zag Leopold II af van het houden van een troonrede, die in België dan ook niet meer tot de politieke gewoonten behoort. Hij noemde het parlementsgebouw – dat recht tegenover het Koninklijk Paleis ligt smalend – “de barak van de overkant”.
Leopold kon het niet verkroppen dat ook de progressieve priester Adolf Daens met zijn Christene Volkspartij in de Kamer was verkozen. Hij drong bij de bisschoppen en zelfs bij de paus aan om de priester te dwarsbomen, wat dezen zeer ongepast vonden.
Onder Leopold II werd België officieel een tweetalig land. Hij was dan ook de eerste koning die toespraken in het Nederlands hield. Maar zijn kennis van die taal was beperkt: hij kon er nauwelijks in converseren. Zelfs voor zijn redevoering bij de onthulling van het standbeeld van de Vlaamse helden Breydel en De Coninck in Brugge, verkoos hij Frans te spreken: hij wilde zich toen zo goed mogelijk uitdrukken, want hij had het bij die gelegenheid opnieuw over de landsverdediging.
De koning-bouwheer
Leopolds culturele belangstelling was beperkt. Zijn vrouw schilderde, speelde diverse muziekinstrumenten en componeerde zelf muziek. Hij daarentegen verkocht schilderijen die zijn vader had verzameld en omschreef muziek als “duur lawaai”. Daarentegen was hij bezeten door architectuur en stedenbouw. Hij had de bedoeling zijn koninkrijk, en in de eerste plaats de hoofdstad, meer aanzien te geven door grootse bouwplannen. De vele parken in Brussel, net als de keten van lanen en boulevards die door de stad lopen, zijn voor een groot deel aan hem te danken.

Het is niet overdreven te zeggen dat Leopold II in zijn tijd de enige was die iets deed voor de ruimtelijke ordening in zijn land, niet zozeer als koning, maar als privé-financier. Soms schonk hij – vaak discreet – geld voor de aanleg van parken. Tegelijk kocht hij ook gronden aan om er groene ruimten van te maken. Dat gold in de eerste plaats voor de omgeving van het Kasteel van Laken, de voornaamste koninklijke residentie. Door aankoop van gronden – vaak via tussenpersonen, omdat de verkopers een hogere prijs zouden vragen als ze winsten wie de koper was – verdubbelde hij de oppervlakte van het Park van Laken. Hij liet er ook de enorme koninklijke serres aanleggen, die nog altijd een unieke attractie vormen.
Het Koninklijk Paleis in Brussel werd op zijn aandringen grondig verbouwd, zodat de totale ruimte verdubbelde. Toen het Kasteel van Laken in 1890 door een brand werd verwoest, liet hij het herbouwen, met forse uitbreidingen. Hij wilde van het kasteel een nationale ontmoetingsplaats voor feesten en congressen maken, maar door zijn overlijden kwam daar niets van terecht.

Leopolds bouwwoede trof ook de kust, in de eerste plaats Oostende, die hij tot de “koningin der badsteden” maakte. Hij zette er, naast een houten chalet voor zichzelf, parken en gaanderijen neer en steunde de aanleg van het Thermenpaleis en de renbaan. In de Ardennen kocht hij enkele kastelen en breidde hij de jachtterreinen die hij van zijn vader had geërfd, fel uit tot één aaneensluitend bosgebied. Hij liet het koninklijk jachtpaviljoen in Houyet ombouwen tot het Château royal d’Ardenne, een luxehotel waarmee hij het toerisme in de Ardennen wilde aanmoedigen.
Soeverein van Congo
Leopold II had al voor zijn troonsbestijging, onder meer in toespraken tot de Senaat, ervoor gepleit dat België een kolonie kreeg. Dat was voor hem onontbeerlijk voor de economische expansie en ook voor het prestige van het land. De meeste Belgische politici voelden daar weinig voor, al was het om spanningen met de grote mogendheden te vermijden die in een koloniale wedloop waren verzeild.

Toen in 1885 in Berlijn een internationale conferentie werd gehouden om Afrika onder de koloniserende mogendheden te verdelen, bekwam Leopold met veel lef en handigheid dat het gezag van zijn vereniging over grootste deel van het Congobekken werd erkend. Meteen daarop werd het gebied omgevormd tot de Onafhankelijke Staat Congo (ook Congo-Vrijstaat genoemd), met Leopold II als “soeverein”. In feite was deze staat – bijna tachtig maal zo groot als België – een privé-kolonie van Leopold, die vanuit een bijgebouw van het Koninklijk Paleis in Brussel werd bestuurd. Leopold zou zelf nooit een voet in Afrika zetten.

Zijn gezag als soeverein van Congo stond los van die van koning der Belgen en de Belgische regering bemoeide zich er niet mee. De regering Beernaert had wel gezorgd voor Belgische diplomatieke steun op de Conferentie van Berlijn en het parlement had Leopold bijna unaniem de grondwettelijk vereiste toestemming gegeven om om hoofd te worden van een andere staat. Een groter probleem was geld te vinden om het enorme gebied te ontwikkelen, in de eerste plaats door de aanleg van een spoorlijn. Toen een lening via de beurs geen succes werd, wist de koning van Beernaert te bekomen dat de Belgische Staat forse bedragen aan Congo leende. Daarvoor diende hij wel op goede voet te staan met de katholieke meerderheid in het parlement, zodat hij zijn plannen inzake dienstplicht in de koelkast moest zetten.

De jonge staat zat diep in de schulden en moest dringend inkomsten genereren. Een groot deel van het Congolese grondgebied werd een “kroondomein”, waarvan de inkomsten rechtstreeks naar Leopold gingen. Buitenlanders mochten er geen handel drijven, wat tegen de afspraken van de Conferentie van Berlijn was. Andere delen werden in concessie aan grote maatschappijen gegeven.
Rubber
Aanvankelijk leverde de handel in ivoor behoorlijk wat op, maar doordat de Congolese olifanten met dat doel massaal waren afgeslacht, daalden deze inkomsten snel. Echt renderen deed Congo pas vanaf het einde van de negentiende eeuw, toen de opkomende bandenindustrie de vraag naar rubber geweldig deed stijgen. De verkoop van rubber leverde snel fabelachtige inkomsten op maar de manier waarop de inboorlingen gedwongen werden rubber te verzamelen zorgde voor ongekende wantoestanden. Buitenlandse zendelingen en diplomaten maakten gruwelen bekend. Berichten over strafexpedities die hele dorpen verwoestten en foto’s van Congolezen met afgehakte handen bereikten de pers.

Afgehakte handen? Maar dat is idioot!… Ik zou hen wel al de rest kunnen afhakken, maar niet de handen! Dat is het enige dat ik in Congo nodig heb.
Wat er met de enorme bedragen gebeurde die Leopold uit Congo haalde, was nog onduidelijker dan de toestand in Congo zelf. Een groot deel investeerde de “koning-zakenman” elders in de wereld, met de bedoeling ook daar invloed te krijgen. Vrijwel overal waren Leopolds agenten, meestal in naam van de Congostaat, actief op zoek naar mogelijkheden voor grote investeringen. In China legde een Belgische onderneming met Leopolds geld de 1200 kilometer lange spoorweg Peking-Hankow aan, maar pogingen om nog meer invloed in China te verwerven, mislukten. Verder werd een fors bedrag uit het kroondomein gebruikt om in 1905 de triomfboog van het Jubelpark in Brussel te voltooien, toen de Belgische overheden onvoldoende geld bleken te hebben voor dit project waar Leopold erg op had aangedrongen. De socialistische leider Emile Vandervelde sprak dan ook van “de triomfboog van de afgehakte handen”…

Leopold vergat ook zichzelf niet. In Villefranche-sur-Mer, aan de Côte d’Azur tussen Nice en Monaco, liet hij de uiterst weelderige Villa Leopolda bouwen. Later kwam er nog een tweede villa in het naburige schiereiland Saint-Jean-Cap-Ferrat, waar hij de meeste gronden had opgekocht.
Vanaf het begin had Leopold gezegd dat hij Congo ooit aan België zou schenken, maar hoe en wanneer was niet duidelijk. Hij was met de Belgische regering overeengekomen dat dit kon gebeuren als de toegekende leningen niet werden terugbetaald. Dat was al sinds 1890 mogelijk, maar veel politici waren daar nog altijd tegen en toen Congo kort daarop echt begon te renderen wilde Leopold er niet meer van weten. In 1901 stelden enkele katholieke Kamerleden, waaronder oud-premier Beernaert, die zich toen veel kritischer tegenover Leopold was gaan opstellen, voor om toch tot annexatie over te gaan, maar na zwaar protest van de koning trokken ze hun voorstel in.

In 1903 eiste de Britse regering, onder druk van de eigen publieke opinie, dat er iets moest worden gedaan tegen de gruwelen in Congo. Leopold beet van zich af door een door hem benoemde onderzoekscommissie naar Congo te sturen, die echter in 1905 een aantal misbruiken bevestigde. Voor de meeste Belgische politici was het nu duidelijk dat alleen de overname van Congo als Belgische kolonie de toestand kon verbeteren, ook al bleef de linkse oppositie zich daartegen verzetten.
In 1906 toonde de koning zich dan toch bereid Congo aan België af te staan, maar eiste wel dat zijn kroondomein zou blijven. Met de opbrengsten daarvan wilde hij grote werken in België en Congo financieren. Voor de Belgische regering was dit onaanvaardbaar: het kroondomein zou een staat in de staat vormen. In 1908 zwichtte Leopold en eind dat jaar werd de Onafhankelijke Staat Congo omgevormd tot de kolonie Belgisch-Congo. De koning behield op papier een groot gezag over de kolonie, maar onder verantwoordelijkheid van een minister van Koloniën. Als troostprijs kreeg Leopold nog wel de beschikking over een bijzonder fonds om de ontwikkeling van Congo te financieren, maar door zijn overlijden het jaar daarop zou hij er nauwelijks gebruik van maken.

Omstreden privéleven
Men kan moeilijk zeggen dat Leopold II een gelukkig gezinsleven leidde. Met de koningin, die hem spottend “de grote neus” noemde, had hij niets meer te maken. Zijn drie dochters kregen een Spartaanse opvoeding: ze moesten in onverwarmde kamers slapen, om vijf uur ‘s morgens opstaan en zwijgen tijdens het eten.

Behalve door de Congo-gruwelen kwam Leopold II vooral in de kijker door zijn druk buitenechtelijk liefdesleven. De Belgische koning kwam regelmatig in de roddelpers wegens zijn ontelbare escapades in binnen- en (vooral) buitenland. Rond de tijd dat hij de macht kreeg in Congo, werd hij genoemd in een zaak van Londense kinderprostitutie, een schandaal waarin ook de latere Britse koning Edward VII – zijn achterneef – betrokken was. Daarnaast had hij omgang met de duurste Parijse courtisanes, zoals La Belle Otero. Het is omstreden hoe ver zijn relatie met de beeldschone Franse actrice Cléo de Mérode ging, hij kreeg wel de spotnaam “Cléopold”.
Op zijn 65ste begon hij een vaste verhouding met de 48 jaar jongere Franse luxeprostituee Blanche Delacroix, die hij in een Parijs hotel had leren kennen. Sindsdien vormden Leopold en “Caroline”, zoals Delacroix zich meestal noemde, een vrijwel onafscheidelijk koppel, al verliep dat in het begin nog discreet. Nadat de koningin in 1902 plots was gestorven – Leopold vernam het overlijden toen hij met Caroline in een Frans kuuroord verbleef – werd de relatie veel opener en een vast onderwerp voor de daarin gespecialiseerde pers. Om zijn jonge minnares wat meer aanzien te geven, schonk hij haar de niet-officiële adellijke titel (een zogenaamde titre de courtoisie of hoffelijkheidstitel) van “barones de Vaughan”. Voor haar liet hij een villa in het park van Laken bouwen en kocht hij een villa in Oostende, die door een onderaardse gang met de koninklijke chalet was verbonden. Hij verbleef met haar vooral in Frankrijk, in een kasteel bij Parijs of zijn villa in Saint-Jean-Cap-Ferrat. Daar schonk ze in 1906 het leven aan een zoon, het jaar daarop gevolgd door een tweede zoon. Leopold zou de twee nooit als zijn kinderen erkennen, maar ze toch hoffelijkheidstitels toekennen: respectievelijk “hertog van Tervuren” en “graaf van Ravenstein”.

In België was er naast de verontwaardiging over deze verhouding, waar Leopold zich niets van aantrok, het probleem dat de koning nog nauwelijks in zijn land vertoefde. Op aandringen van de regering moest hij beloven een minimumtijd in België door de brengen.
Eind 1909 ging zijn gezondheidstoestand achteruit. Toen hij besefte dat zijn dagen geteld waren, sloot hij met Caroline een louter kerkelijk huwelijk “in het aanschijn van de dood” (“Heren, mag ik u mijn weduwe voorstellen”, zij hij toen tegen de hovelingen die als getuigen optraden). Op zijn sterfbed kon hij nog meemaken dat zijn laatste handtekening werd gezet onder een wet die het lotelingenstelsel afschafte, de hervorming waarop hij zo lang had aangedrongen.
Leopold II overleed op 17 december 1909, de 44ste verjaardag van zijn troonsbestijging. Geen enkele Belgische koning heeft zolang geregeerd.

Erfenis
Leopolds erfenis zou vooral voor zijn drie dochters een pijnlijke zaak worden. De meeste van zijn onroerende eigendommen in België, waaronder de parken en bossen die hij zo ijverig had aangekocht, had hij in 1903 aan de Belgische Staat geschonken, onder voorwaarde dat ze niet zouden worden verkocht en dat hun bestemming bewaard zou blijven. Deze Koninklijke Schenking bestaat nog steeds. De koning redeneerde dat hij die gekocht had met geld uit zijn Civiele Lijst (de dotatie die hij uit de staatskas kreeg) en dat ze dus “het land” toebehoorden. Wat voor zijn dochters overbleef, bedroeg evenveel als hijzelf van zijn ouders had geërfd. Vooral voor de oudste dochter Louise, die diep in de schulden zat, kwam dit hard aan. Barones de Vaughan was vlak na Leopolds overlijden met een koffer vol geld en waardepapieren naar Frankrijk vertrokken. Louise zou een proces tegen haar beginnen, en verliezen.

In die erfenis zaten geen opbrengsten uit Congo. Zelf had Leopold beweerd dat hij aan Congo niets had verdiend. Maar na zijn dood werd duidelijk dat hij de tegoeden van het vroegere kroondomein had ondergebracht in een obscure stichting, gevestigd in Schloss Niederfüllbach, een kasteel in het Duitse hertogdom Saksen-Coburg dat hij nog van zijn vader had geërfd. Het was zijn bedoeling dat de latere Belgische koningen van dit enorme fortuin zouden profiteren.
Onder druk van de Belgische regering, die aantoonde dat dit ging om eigendommen van de vroegere Congostaat, moest deze Niederfüllbacher Stiftung het overgrote deel van dat fortuin – vooral waardepapieren maar ook de villa’s aan de Côte d’Azur – afstaan aan de Belgische Staat. Samen meer dan een miljard toenmalige marken. Met Leopolds dochters kwam het tot een regeling waardoor ze een relatief klein deel hiervan ontvingen.
Op te merken valt dat de huidige Belgische koninklijke familie, die afstamt van de broer van Leopold II, niets van hem heeft geërfd, hoewel ze nog altijd gebruik kan maken van enkele residenties die tot de Koninklijke Schenking behoren.

Controversieel
Zowel door de schandalen van Congo als door zijn losbandig privé-leven was Leopold II zeer omstreden in binnen – en buitenland. De populariteit van de monarchie bereikte op het einde van zijn regering een dieptepunt, maar populariteit had hem nooit geïnteresseerd (“Populariteit is als de golven op zee: ze komt en gaat”, zei hij). Hij was ervan overtuigd grootse dingen te hebben gedaan voor zijn land, dat onder hem een van de sterkste industrielanden ter wereld was geworden. Over de inwoners van zijn land was hij minder tevreden:
De ergste vijanden van België zijn de Belgen. België is een land van minachting. Er wordt te veel geruzied. Er is geen patriottisme.
Na zijn dood vervaagde de kritiek. Bij de Duitse aanval op België in 1914 werd het duidelijk hoe belangrijk zijn plannen voor een sterke defensie waren geweest. In een sfeer van nationale trots werd Leopold II vereerd als de geniale vorst die zijn land een kolonie had geschonken en zo werd hij ook in de geschiedenisboekjes voorgesteld. In royalistische en koloniale kringen ontstond een heuse Leopold II-cultus. Koning Boudewijn had zo’n bewondering voor zijn voorganger dat hij nog op de dag van de Congolese onafhankelijkheid in 1960 hulde aan hem bracht.

Pas nadat de koloniale periode voorgoed voorbij was, stak de kritiek de kop op. Toen er in recente jaren overal sprake was van “dekolonisering”, kwam er ook kritiek op de vele straatnamen en standbeelden die in België aan Leopold II zijn geweid. Een aantal standbeelden werden toen besmeurd of beschadigd, sommige weggehaald, maar de meeste bleven staan, soms met een aangepast opschrift. Zelfs in Congo is de herinnering aan Leopold II niet verdwenen. Een groot ruiterstandbeeld in het centrum van de Congolese hoofdstad werd in 1967 verwijderd op bevel van de toenmalige dictator Mobutu, die de herinnering aan het koloniale verleden wilde uitwissen (een jaar eerder had Mobutu de naam van de hoofdstad Leopoldstad al gewijzigd in Kinshasa). Het beeld staat nu ongeschonden in het park van het Nationaal Museum van Kinshasa.

De precieze omvang van het drama in Congo en de persoonlijke betrokkenheid van Leopold II zullen wellicht nooit helemaal duidelijk worden, ook al omdat hij de archieven heeft laten verdwijnen. Hoe dan ook draagt hij een verpletterende verantwoordelijkheid voor wat er in zijn naam in Congo gebeurde. Het is vrijwel ondenkbaar dat Leopold niet op de hoogte was van de mistoestanden. Anderzijds is het nogal overdreven om hem met Dzjengis Chan of Hitler te vergelijken, als iemand die miljoenen mensen deed afslachten. Het aantal inwoners van Congo was in zijn tijd zelfs niet bij benadering bekend en massale sterftes waren eerder het gevolg van hongersnood en epidemieën. Leopolds ambities waren typisch voor het imperialisme van zijn tijd. De gevolgen waren verschrikkelijk maar ook in andere kolonies gebeurden er weinig fraaie dingen. En een gewetenloze massamoordenaar was hij zeker niet: hij was er trots op dat onder zijn regering in België niet één doodstraf werd uitgevoerd.
De bastaardzonen van koning Leopold II
De Koninklijke serres te Laken
Jubelpark in Brussel: geschiedenis, beelden en musea
Gennaro Rubino en de mislukte moordaanslag op koning Leopold II