Geschiedenis van Jordanië: van Transjordanië tot koninkrijk

9 minuten leestijd
Jordaanvallei - cc
Jordaanvallei - cc

Over Jordanië – dat destijds nog Transjordanië heette – heeft Winston Churchill eens opgemerkt dat het was geschapen met een enkele pennenstreek op een zondagmiddag in 1921. Dat klinkt leuk maar is complete onzin. Het land is beslist niet in één klap ontstaan toen de Britten en Fransen na de Eerste Wereldoorlog wat grenzen tussen de diverse mandaatgebieden aan het trekken waren. Zoveel wordt wel duidelijk bij lezing van The Modern History of Jordan van Kamal Salibi, een historicus die lange tijd was verbonden aan de American University of Beirut.

The Modern History of Jordan van Kamal Salibi
The Modern History of Jordan van Kamal Salibi
Het boek bestaat in wezen uit een beschrijving van de regering van Abdullah I, die het koninkrijk vormde, en van Hussein, die in het Westen vooral bekend is als de goedlachse gentleman die in 1993 een vredesverdrag sloot met Israël. Dat vormt het eindpunt van het boek. De regering van de huidige koning Abdullah II komt dus niet aan bod.

Wat wél aan bod komt, is de voorgeschiedenis: een ingewikkeld verhaal over de Ottomaanse periode, waarin het gebied ten oosten van de rivier de Jordaan niet zo belangrijk was, maar waaraan wel aandacht moet worden besteed omdat toen in Mekka een dynastie van plaatselijke leiders ontstond, de Hashemieten. Dat is de familie waartoe de koningen Abdullah I en Hussein behoren, maar Salibi gaat wel érg gedetailleerd in op de voorgeschiedenis.

Het is beslist interessant, maar in feite niet ter zake. Het illustreert een zwakte die ook aanwezig is in Salibi’s boek over de geschiedenis van Libanon, A House of Many Mansions: de auteur beschrijft alles wat hij heeft ontdekt en biedt zo andere (meer) informatie dan de lezer nodig heeft. Het is geschiedvorsing gebleven en geen geschiedschrijving geworden.

Zoals bekend benutten de Arabieren de Eerste Wereldoorlog om zich onafhankelijk van de Ottomanen te maken. Het idee van de opstand was van Abdullah, die echter wat op de achtergrond bleef; het was zijn broer Feisal die als commandant van de Arabische troepen de haven van Akaba en de beoogde hoofdstad Damascus innam.

Arabische Opstand

Abdullah I van Jordanië
Abdullah I van Jordanië
Beide broers – en ook hun vader Hussein – presenteerden zich graag als Arabieren, maar kenden ook hun weg in Constantinopel en Alexandrië, en hadden allerlei contacten met de Britten. Het beeld van een puur-Arabische opstand is onjuist, maar er zijn altijd partijen geweest die er profijt van hadden het te herhalen: de Hashemieten zelf, die immers een nationale, panarabische opstand leidden; de Britten, die liever verborgen dat ze de Arabieren hadden verraden, en daarom de vele contacten wat verborgen; en later Hollywood, dat liever exotische woestijnkrijgers in lange gewaden toonde dan mannen in westerse kledij.

De Arabische Opstand had succes, maar de Britten hadden de aan de Arabieren beloofde gebieden ook beloofd aan de Fransen, die Feisal verdreven uit Syrië. Vader Hussein speelde met de gedachte zichzelf uit te roepen tot kalief, wat leidde tot grote verontwaardiging en belette dat hij in Mekka de macht kon blijven uitoefenen. In deze verwarde situatie kwam Abdullah aan in Transjordanië, waar hij vier half-functionerende districtsbesturen aantrof, die schoorvoetend het gezag erkenden van de nieuwkomer. De reden was dat de stammen ooit trouw hadden beloofd aan de Hashemitische familie. De stammen trokken zich er weinig van aan dat Hussein van Mekka er niet blij mee was dat zijn ene zoon voor zichzelf begon op het moment dat de andere zoon Syrië verspeelde.

De Britten erkenden Abdullah – Churchills pennenstreek op een zondagmiddag – maar wilden hem klein houden. De nieuwe emir was slim genoeg om de feitelijke machthebbers niet tegen de haren te strijken, mee te buigen en ondertussen zijn eigen plan te trekken. Zijn kleinzoon Hussein zou hetzelfde doen ten opzichte van Israël, het Egypte van president Nasser en uiteindelijk de Verenigde Staten, wat overigens ernstige conflicten niet uitsloot.

Oost-Arabië

Amin al-Husseini
Amin al-Husseini
Salibi’s hoofdstuk “Putting the Country Together” vond ik het boeiendst. Het behandelt de wijze waarop Abdullah langzaam maar zeker iedereen voor zich won. Zijn ambities waren groter dan Transjordanië: hij duidde zijn land aan als “Oost-Arabië”, noemde zijn leger het “Arabische Legioen” en wilde Damascus als hoofdstad. Zo hield hij de panarabische ideeën van de Opstand levend, maar de ambitie maakte Abdullah ook kwetsbaar voor nationalistische verwijten dat hij te weinig deed voor de Arabieren en te veel voor de Britten. Omgekeerd verdachten de Britten de emir van al te grote Arabische sympathieën.

Eén van de kwesties waarin dit tot uiting kwam, was de relatie tot de Arabieren die leefden in het Mandaatgebied Palestina. Omdat Abdullah zijn panarabische claim nooit heeft laten varen, was hij – naar keuze – óf verantwoordelijk voor de aangelegenheden op de westelijke Jordaanoever óf een ergerlijke bemoeial die zich inliet met zaken in andermans mandaatgebied. De Arabieren in Palestina waren verdeeld, waarbij nog kwam dat Abdullah een tegenspeler kreeg in de persoon van Amin al-Husseini, de grootmoefti van Jeruzalem. Door nauwelijks te vermelden dat deze sympathiseerde met het nationaalsocialisme, schetst Salibi een te vriendelijk portret van de Palestijnse nationalist.

Het is dan weer te prijzen dat Salibi ruime aandacht besteedt aan de rol van het Arabische Legioen in de Tweede Wereldoorlog. In 1941 zag het er slecht uit voor de Geallieerden, maar in mei van dat jaar werden de tot dan toe onoverwinnelijke As-mogendheden verslagen in Irak, in een campagne waaraan zowel de Britten als de Transjordaanse troepen deelnamen. De inname van Bagdad verhinderde dat de Arabische wereld gemene zaak ging maken met de Duitsers en garandeerde dat de Geallieerden olie hadden. Ik kende deze analyse niet maar denk dat Salibi gelijk heeft.

De beloning volgde: Abdullah werd erkend als koning van een soevereine staat, Jordanië, die in 1948 werd vergroot door de annexatie van de westelijke Jordaanoever (die in het VN-delingsverdrag aan de Palestijnse Arabieren was toegewezen) en de inname van Jeruzalem (dat onder internationaal gezag zou komen). De symboolwaarde van de verovering van Jeruzalem is nauwelijks te overschatten: het is voor moslims de heiligste stad na Mekka en Medina.

Salibi kon, toen hij The Modern History of Jordan schreef, niet weten dat Abdullah in november 1947 een ontmoeting heeft gehad met Golda Meir, en dat er een overeenkomst lag waarin de twee partijen elkaars belangen erkenden. Niemand wilde een Palestijnse staat onder Amin al-Husseini: de joden niet, de supermogendheden niet en de Arabische leiders niet. (Over de oorlog van 1948 is het boek van Bennie Morris recenter, uitgebreider en – zo krijg ik de indruk – beter.)

Amman, Jordanië - cc
Amman, Jordanië – cc

Deel 2

Abdullah maakte serieus werk van de integratie van de westelijke Jordaanoever in zijn koninkrijk en was elke vrijdag in Jeruzalem voor het middaggebed. De voorspelbaarheid van zijn aanwezigheid werd zijn dood: hij werd in 1950 opgewacht en vermoord.

Talal van Jordanië
Talal van Jordanië
Het illustreert de groeiende stabiliteit van de door hem gecreëerde staat dat hij zonder problemen werd opgevolgd door zijn zoon Talal en dat deze, toen hij geestesziek bleek te zijn, al even probleemloos werd vervangen door de jonge koning Hussein.

Hij erfde een koninkrijk met anderhalf miljoen inwoners. 500.000 daarvan woonden vanouds in Transjordanië, waar ook zo’n 100.000 vluchtelingen uit Palestina leefden. De andere 900.000 leefden op de Westelijke Jordaanoever, en daarvan woonde ruim de helft op de plaats waar ze altijd hadden gewoond, terwijl de rest daar in de oorlog van 1948 door Israël naartoe was verdreven. Dat het koninkrijk Jordanië, met een ongekend vluchtelingenprobleem, betrekkelijk stabiel was, mag een wonder heten.

De situatie was nog ingewikkelder toen in Egypte Nasser aan de macht kwam, die de panarabische claim van de Hashemitische dynastie kaapte en waanzinnig populair was. Dit werd verergerd doordat het Jordaanse leger een Britse commandant had, John Glubb, die liever geen Arabische officieren in zijn leger zag. Nassers beschuldigingen dat Jordanië de Arabische zaak slechts halfhartig was toegedaan, konden hierdoor geloofwaardig klinken. Hussein ontsloeg Glubb, zegde het Brits-Jordaanse verdrag op en vond voor de hierdoor gedorven subsidies een vervangende sponsor in Saoedi-Arabië. De inkt van deze overeenkomst was nog niet droog toen in Irak, waar een andere tak van het Hashemitische huis aan de macht was, revolutie uitbrak (1958).

Oorlog 1967

Iedereen verwachtte een soortgelijke gebeurtenis in Jordanië, maar de rijke families en het leger waren op de hand van Hussein, de inlichtingendienst functioneerde en er was betrekkelijk weinig corruptie, waardoor efficiënt kon worden omgegaan met de staatsfinanciën, de middelen van het bedrijfsleven en het geld dat gastarbeiders vanuit de Golfstaten naar huis stuurden. De democratische organen verloren echter aan betekenis en tot overmaat van ramp was Jordanië speelbal in een complex diplomatiek spel. Toen Syrië en Egypte bijvoorbeeld in 1967 ten strijde wilden trekken tegen Israël, kon Jordanië, dat geen enkel belang had bij deze oorlog, zich er niet aan onttrekken. Dat wil overigens niet zeggen dat Jordanië een willoos slachtoffer was: de onmiddellijke aanleiding van de oorlog, dat Egypte Israëls vrije vaart door de Rode Zee afsneed, was een idee uit Amman.

Ik weet niet zeker of ik Salibi’s analyse kan volgen dat de Jordaanse beslissing om in 1967 deel te nemen aan de oorlog tegen Israël, rationeel was.

Was it better for Jordan to join Egypt and Syria in a defensive war against Israel, and share defeat with them? Or was it more prudent for Jordan to keep out such a war, no doubt to pay a much heavier price if it did so?

Ik waag te betwijfelen dat het verlies van de westelijke Jordaanoever, de aankomst van tienduizenden Palestijnse vluchtelingen en de destabilisatie van het koninkrijk door de PLO werkelijk minder erg waren dan het alternatief: neutraliteit en een tijdelijke status als paria onder de Arabische landen, die zonder twijfel zou zijn gecompenseerd door steun vanuit de Verenigde Staten en een vredesverdrag met Israël, dat dan Jordaniës bezit van Jeruzalem en de westelijke Jordaanoever zou erkennen.

The Modern History of Jordan van Kamal Salibi
The Modern History of Jordan van Kamal Salibi
Hoe dit ook zij: Jordanië behoorde tot de verliezers van de Zesdaagse Oorlog, kreeg enorme vluchtelingenstromen te verwerken en dreigde te worden overgenomen door de PLO. Salibi’s hoofdstuk “Two Sovereignties in Conflict” is het boeiendste deel van de tweede helft van The Modern History of Jordan. Het beschrijft in groot detail de aanloop naar de Zwarte September en de uiteindelijke crisis. Het had nauwelijks anders kunnen lopen omdat de PLO een complex samenwerkingsverband was, waarin Yasser Arafat, die tot elke prijs de eenheid wilde bewaren, meer dan eens moest handelen tegen zijn betere oordeel in.

In feite is het boek met het Jordaans-Palestijnse conflict ten einde. Na 1970 lagen de Jordaanse grenzen vast en was het vluchtelingenvraagstuk geschapen. De verdreven Palestijnen kregen het Jordaanse burgerrecht, maar de kiesdistricten zijn zó gevormd dat de aloude Transjordaniërs een grotere stem hebben in het parlement (voor zover dat überhaupt een stem heeft in het koninkrijk). Salibi had daaraan mogen toevoegen dat ook de sjiieten in Jordanië bij de vorming van de kiesdistricten zijn achtergesteld.

Tegelijk was Jordanië na de Zwarte September een duidelijkere eenheid. Als er al kritiek was op de monarchie, werd deze niet al te hardop geuit. Zeker nadat Hussein zijn aanspraak op de westelijke Jordaanoever had laten vallen en de PLO had erkend als enige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk, was er een basis om in Jordanië het parlementaire leven weer te hervatten. Althans volgens Salibi, die misschien iets eerlijker was geweest als hij had gezegd dat de invloed van de volksvertegenwoordiging niet zó groot is dat we van een volwaardige democratie mogen spreken.

Publieke opinie

Toch is het ook weer niet zo dat er helemaal geen volksinvloed is. Zoals bekend nam Jordanië, toen de oude president Bush met een brede coalitie van Arabische landen besloot Irak aan te vallen om zo Koeweit te bevrijden, daaraan geen deel. Salibi meent dat dit is omdat de Amerikaanse campagne door vrijwel alle Arabieren werd ervaren als een hervatting van de Kruistochten. Dictatoriaal bestuurde landen als Syrië en Saoedi-Arabië konden de publieke opinie negeren, maar Jordanië niet. Dit gold volgens Salibi des te meer omdat het zijn panarabische appèl niet wilde kwijtraken.

Misschien is dat waar. Ik weet het niet. Wat ik wel denk te weten, is dat Salibi zich te veel heeft vereenzelvigd met zijn onderwerp, en dan met name met de Hashemitische monarchie. Het voorwoord noemt als een van Salibi’s informatiebronnen prins Hassan, de broer van Hussein, die enkele dagen voor diens dood als kroonprins werd vervangen door Husseins zoon Abdullah II. Onaardig gezegd is de auteur van The Modern History of Jordan in feite de spreekbuis van de Jordaanse monarchie.

Vriendelijker gezegd: het kan geen kwaad kennis te nemen van Jordaniës eigen visie op het recente verleden. Al is het maar omdat Jordanië, althans volgens Salibi, nog steeds panarabische ambities heeft en zich momenteel mengt in het conflict in Syrië. Het is niet uit te sluiten dat het Hashemitische koninkrijk in de van ISIS bevrijde gebieden een invloedssfeer zal willen creëren.

Gepubliceerd in maart 2015

×