Witte stranden aan een kalme, blauwe Stille Oceaan in het westen, verstikkend hete oerwouden doorsneden door tropische rivierdelta’s aan de oostelijke, Caribische kust en daartussen vulkanen omzoomd door weelderige bossen en grote meren, met aan de oevers steden uit de Spaanse koloniale tijd. Koffievelden in de hooglanden en bananenplantages in de oostelijke laaglanden, waar je na zonsondergang in de verte brulapen hoort krijsen onder een volle maan en bij zonsopgang de diepe bromtoon van miljoenen muggen. Als je later op de dag op een klein bootje over een rivier in het oerwoud tuft, hoor je de schildpadden geschrokken vanaf het drijfhout in het water plonzen: dit is Nicaragua.
Het land maakte vanaf 1524 deel uit van het Spaanse koloniale rijk. Rond 1820 verloor Spanje bijna al zijn kolonies in Amerika, met uitzondering van Cuba en Puerto Rico. Nicaragua vormde tot 1838 samen met Guatemala, El Salvador, Honduras en Costa Rica de Federale Republiek Centraal-Amerika. Deze viel uiteen als gevolg van gewapende conflicten tussen voor- en tegenstanders van onafhankelijkheid, liberalen en conservatieven.
Nicaragua werd een onafhankelijke republiek, die vanaf het begin van zijn bestaan werd verscheurd door spanningen tussen een kleine groep rijke, conservatieve landeigenaren, een grote groep landloze armen en de opkomende stedelijke, liberale, middenklasse. De centrale regering was zwak.

Conflicten tussen liberalen en conservatieven deden zich sinds de negentiende eeuw in veel Latijns-Amerikaanse landen voor. De conservatieve leiders waren meestal machtige katholieke grootgrondbezitters, tegenstanders van vrijhandel en buitenlandse invloeden en voorstanders van een federaal systeem waarin de staat zich niet al te veel met de provincies bemoeide. De liberalen, meestal stadsbewoners, streefden naar modernisering: een centralistische, min of meer democratische staatsinrichting, vermindering van de invloed van de katholieke kerk, vrije pers en vrijhandel.
Afrikanen, Britten en Spanjaarden
De bevolking van Nicaragua bestaat voor een groot deel uit afstammelingen van de Europese, vooral Spaanse, kolonisatoren en de zeven inheemse volkeren die Nicaragua voor de Spaanse kolonisatie bewoonden. Zo’n 10 procent van de bevolking is van Afrikaanse afkomst. Hun voorouders, die vooral uit West-Afrika kwamen, zijn tijdens de koloniale tijd als slaven naar het land gebracht om te werken op de Spaanse haciënda’s, in de mijnen en op de plantages. Niet alleen de Spanjaarden brachten Afrikanen naar Nicaragua, de Engelsen deden dit ook, om ze als slaven te laten werken in de suiker- en indigoplantages rondom de Caribische kuststad Bluefields.

De Britse periode heeft een stempel gedrukt op de achtergestelde oostelijke kustregio’s, die tegenwoordig een autonome status hebben binnen Nicaragua. Er wordt nu nog steeds een vorm van Caribisch Engels gesproken. Spaans hoor je daar veel minder. De culturele tweedeling van het land en het wantrouwen van de Caribische kustbevolking jegens de Spaanstalige mestiezen uit het hoogland speelde veel later een rol toen een deel van de Miskito en twee andere inheemse volkeren aan de oostkust zich aansloten bij de contra’s, de door de Verenigde Staten gefinancierde, getrainde en uitgeruste troepen die zich verzetten tegen de sandinistische machtsovername in 1979.
Sandino en Somoza
Maar eerst terug naar het einde van de negentiende eeuw. In 1895 en 1896 werden in Nicaragua twee mannen geboren die een grote stempel zouden drukken op de moderne geschiedenis van het land: Augusto Sandino en Anastasio ‘Tacho’ Somoza.

Intussen had Nicaragua een vooruitstrevende, hoewel dictatoriale, regering onder leiding van president Zelaya (1893-1909), die allerlei moderniseringen doorvoerde: gratis openbaar basisonderwijs, het burgerlijk huwelijk, goede post- en telegraafdiensten, spoorverbindingen en nationalisering van kerkelijke bezittingen. Nicaragua werd het rijkste land in Midden-Amerika. Rond 1909 weigerde Zelaya de ongunstige voorwaarden te accepteren van leningen die New Yorkse bankiers het land wilden opdringen. Hij weigerde ook de voorwaarden van de Amerikanen voor de aanleg van een interoceanisch kanaal. Tegelijkertijd liepen de binnenlandse spanningen op tussen de regering Zelaya en de conservatieve eigenaars van plantages en mijnen. De conservatieven kwamen vanuit Bluefields, aan de Caribische kust, in opstand. De Amerikaanse regering van Theodore Roosevelt kwam ze te hulp met mariniers. Zo werd een conservatieve regering geïnstalleerd met steun van de VS. Bij de bevolking ontstond een sterke aversie tegen de VS.
‘Manifest destiny’
De Amerikaanse president Monroe verklaarde in 1823 dat Europese landen niets te zoeken hadden op het Amerikaanse continent. De ‘vrije en onafhankelijke’ landen van het Amerikaanse continent waren niet gediend van Europese bemoeienis, zei hij. In de praktijk was het echter de VS die zich steeds intensiever begon te bemoeien met Latijns-Amerika, in naam van de manifest destiny: de overtuiging dat de Verenigde Staten en het Angelsaksische ras waren voorbestemd om beschaving te brengen in andere landen in de wereld.
Meer prozaïsche redenen waren de commerciële en strategische belangen van de VS in de regio, zoals mijnbouwbedrijven en de plantages van de United Fruit Company, het gigantische fruitbedrijf dat opereerde van Colombia tot Guatemala en dat nog steeds bananen verkoopt onder de naam Chiquita. Bovendien wilde de VS een kanaal graven tussen de oceanen om het transport tussen de Amerikaanse Oost- en Westkust te vergemakkelijken.

De jonge Sandino zag in 1912 met eigen ogen hoe de liberale leider en generaal Benjamín Zeledón werd gedood door Amerikaanse mariniers. Dit beeld was bepalend voor de rest van zijn leven. Toen hij in 1926 terugkeerde in Nicaragua, zag hij dat het moment was gekomen om zijn eigen revolutie te beginnen. De Amerikaanse troepen hadden het land weer verlaten en er was net weer een opstand uitgebroken tegen de conservatieve regering onder president Díaz. Sandino sloot zich aan bij de liberalen, maar niet veel later begon hij zijn eigen militie, die uiteindelijk 800 man te paard telde. Hij boekte militaire successen tegen de conservatieve troepen.
De VS was ontstemd over de chaos in het land en intervenieerde in 1927 opnieuw met mariniers. Sandino verloor zijn eerste slag tegen de Amerikanen. Hij had zich met 300 man verschanst in het noordwestelijke stadje Ocotal, dicht bij de grens met Honduras, maar moest het afleggen tegen de beter bewapende en getrainde Amerikanen en de door hen opgerichte Nicaraguaanse Nationale Garde, die overigens samen minder dan 100 man telden. Het stadje werd, volgens sommige bronnen als eerste stad in de wereldgeschiedenis, het slachtoffer van een luchtbombardement, uitgevoerd door vijf Amerikaanse vliegtuigen die honderden doden en gewonden veroorzaakten onder de militie van Sandino en de burgerbevolking.

Hierna ontwikkelde Sandino zijn beroemde guerrillatactieken. Hij boekte steeds meer militaire successen tegen de Amerikaanse en de conservatieve troepen. De bevelhebber van de liberalen sloot echter een pact met de Amerikaanse commandant en legde zich neer bij het voortbestaan van de conservatieve regering tot de verkiezingen van 1928. Sandino accepteerde het akkoord niet en trok zich met zijn militie terug in het noorden van het land.
In 1931 trokken de Amerikanen hun troepen terug. De Grote Depressie van 1929 eiste de aandacht van de VS op en militaire avonturen in het buitenland konden thuis op minder steun van de bevolking rekenen. Toch bleven de conservatieven met Amerikaanse steun aan de macht. In 1934 werd Sandino tijdens vredesonderhandelingen onder onduidelijke omstandigheden vermoord door de Nationale Garde onder bevel van Anastasio ‘Tacho’ Somoza. Tacho ruimde zijn andere tegenstanders ook uit de weg en liet zich in 1937 in frauduleuze verkiezingen verkiezen tot president. Daarmee begon de Somoza-dynastie, die het land tot 1979 in een ijzeren greep zou houden.
De Somoza-dynastie
Anastasio Somoza, een intelligente man en een politiek dier, was opgeleid in de VS en sprak voortreffelijk Engels. Hij was de zetbaas van de VS. De familie Somoza wist veel industriële en landbouwbedrijven in handen te krijgen en concentreerde zo militaire, politieke én economische macht. Anastasio ‘Tacho’ Somoza werd in 1956, drie jaar na het uitbreken van de Cubaanse Revolutie, vermoord door Rigoberto López, een bekende dichter en componist. Tacho werd opgevolgd door zijn zoon Luis Somoza.

De situatie in Nicaragua werd ook beïnvloed door de Cubaanse revolutie, die was begonnen in 1953. De Cubaanse communistische leiders wilden hun revolutie exporteren naar andere landen in Latijns-Amerika. Linkse intellectuelen op het hele continent lazen al sinds de jaren twintig de teksten van Marx en Lenin. Velen namen het socialistische gedachtegoed over, een voor de hand liggende ideologische onderbouwing van de strijd tegen de imperialistische Verenigde Staten, het schoolvoorbeeld van een kapitalistische samenleving.
Zo werd de strijd tegen de VS minder een kwestie van nationale verdediging tegen koloniale uitbuiting en meer een socialistische strijd tegen het internationale kapitalisme. Linkse bewegingen in Latijns-Amerika werden al vanaf 1922 gesteund door de Sovjet-Unie. De Koude Oorlog breidde zich dus uit naar Latijns-Amerika. De VS verleende financiële en militaire steun aan verschillende repressieve regimes in de regio in ruil voor bestrijding van linkse maatschappelijke en politieke bewegingen, die werden gezien als actoren van Russische invloed in de regio. In 1953 kreeg de Nicaraguaanse regering daarvoor nog 1 miljoen dollar per jaar van de Amerikanen. In 1975 was dit opgelopen tot 17,3 miljoen per jaar.

Het bewind van Luis Somoza en Anastasio Somoza junior
Tijdens het bewind van Luis Somoza breidde de Nationale Garde haar invloed verder uit naar vrijwel alle sectoren van de economie en de overheid. De familie Somoza zelf had vooral profijt van haar netwerk van gokhallen en bordelen. De gardisten werden beloond met persoonlijke cadeaus. Na het overlijden van Luis in 1967 werd zijn broer Anastasio Somoza (junior) president. Anastasio junior beschikte over veel minder politiek vernuft dan zijn vader en zijn broer. Hij nam daarom vaker zijn toevlucht tot geweld en repressie. De Nationale Garde pleegde massamoorden op het platteland en martelde leden van de politieke oppositie. De weerzin tegen het geweld van de Nationale Garde groeide, zowel bij de arme boeren als in de stedelijke middenklasse.

De politieke oppositie had zich inmiddels ook verenigd in een brede coalitie die zich verzette tegen de dictatuur van de familie Somoza: in 1966 werd de Nationale Unie van Oppositiepartijen (Unión Nacional Opositora, UNO) opgericht, waar conservatieven, liberalen, christendemocraten, socialisten en communisten aan deelnamen. De spreekbuis van deze coalitie was de oppositiekrant La Prensa, waarvan Pedro Joaquín Chamorro de hoofdredacteur was. Op zondag 22 januari 1967 riep La Prensa op tot een grote demonstratie tegen het regime in Managua. De Nationale Garde opende het vuur op de demonstranten. Er vielen tussen de 1000 en 1500 doden en de leiders van de politieke partijen werden gearresteerd.
In het FSLN waren intussen haarscheurtjes ontstaan. De ideologie bleef overwegend communistisch, maar er ontstonden meningsverschillen over de aanpak van de strijd tegen de dictatuur. Eén van de drie facties die zo ontstonden, werd geleid door de broers Daniel en Humberto Ortega. Fonseca keerde in 1975 terug uit Cuba om de scheuringen te lijmen, maar liep in een hinderlaag van de Nationale Garde, raakte gewond en werd geëxecuteerd.

Eindspel
In februari 1978 voerde de FSLN-factie van de Ortega’s een ongekende commandoactie uit: ze gijzelden het parlement in Managua. Somoza was verrast, betaalde een enorm losgeld voor de honderden prominente gijzelaars en liet politieke gevangenen vrij. Alle drie de facties van het FSLN riepen daarna op tot een landelijke opstand, die daadwerkelijk uitbrak. Het regime antwoordde met keiharde repressie, waarbij duizenden mensen, vooral burgers, het leven lieten.

In 1980 wist een commando-eenheid van de linkse Argentijnse verzetsbeweging Revolutionair Volksleger (Ejército Revolucionario del Pueblo, ERP) Anastasio Somoza vlak bij zijn huis in de Paraguayaanse hoofdstad Asunción te vermoorden. De aanslag werd uitgevoerd met een raketwerper en was het eindresultaat van een professioneel uitgevoerde inlichtingenoperatie, waarbij de eenheid een krantenkiosk gebruikte als observatiepost.
– Lawrence Clayton e.a., A New History of Modern Latin America, 2017
– David Francois, Nicaragua, 1961-1990: Volume 1: The Downfall of the Somoza Dictatorship, 2019
– Harvey F. Kline e.a. (ed.), Latin American Politics and Development, 2017
– Richard S. Hillman e.a. (ed.), Understanding Contemporary Latin America, 2011
– H. Vogel, Geschiedenis van Latijns-Amerika, 1997
– Edwin Williamson, The Penguin History of Latin America, 1992
Nicaragua na de revolutie: van hoop naar dictatuur
Amerika’s debuut op het wereldtoneel
Dekolonisatie van Amerika, Azië en Afrika (1776-1975)
Geert Heijmeijer, de ‘founding father’ van Holambra
Alberto Santos-Dumont, een Braziliaanse luchtvaartpionier
Tupac Amarú II – Indiaanse vrijheidsstrijder uit Peru