Nicaragua na de revolutie: van hoop naar dictatuur

Speelbal van grootmachten
12 minuten leestijd
Satellietfoto van Managua, met ten noordwesten de vulkaan Apoyeque
Satellietfoto van Managua, met ten noordwesten de vulkaan Apoyeque (CC BY-SA 4.0 - Axelspace Corporation - wiki)
Vorige maand verscheen op Historiek een overzicht van de geschiedenis van Nicaragua tot het einde van de Somoza-dictatuur. In dit nieuwe artikel schetst Roemer Leushuis hoe het na de revolutie van 1979 verder is gegaan.

Op 19 juli 1979, na 43 jaar dictatuur van de Somoza-dynastie, trokken troepen van het Sandinistische Nationale Bevrijdingsfront (FSLN) zegevierend de Nicaraguaanse hoofdstad Managua binnen. De overwinnaars stelden een overgangsregering in die tot 1985 regeerde: de Junta voor Nationale Wederopbouw. Die bestond uit de sandinistische commandanten Daniel Ortega (president) en Moisés Hassan, de journalist Violeta Barrios (weduwe van de door Somoza vermoorde journalist en oppositieleider Joaquín Chamorro, zie vorige artikel) en de sociaaldemocraten Sergio Ramírez (schrijver en intellectueel) en Alfonso Robelo (zakenman).

Deze regering werd door de internationale gemeenschap officieel erkend. De regering garandeerde het recht op privé-eigendom en verklaarde dat ze van plan was een onafhankelijke politieke koers te varen, zonder naar de pijpen van de Sovjet-Unie of van de Verenigde Staten te dansen.

Verbeteringen van de sociale omstandigheden

In de eerste jaren na de revolutie concentreerde de regering zich op de wederopbouw van het land en de verbetering van de volksgezondheid en de economische situatie van de bevolking. Op het platteland werden klinieken ingericht, er kwamen inentingscampagnes en de pre- en postnatale zorg werd aanzienlijk verbeterd. Er werd een breedschalige alfabetiseringscampagne opgezet. Het analfabetisme daalde volgens officiële cijfers binnen korte tijd van 50% naar 30%.

Het meest ingrijpend was de herverdeling van het grondbezit. De grote landerijen van de familie Somoza en enkele andere machtige families werden genationaliseerd en verdeeld onder arme en landloze boeren. Cuba en de Sovjet-Unie steunden de sociale programma’s en zorgden voor training en bewapening van het leger. Daarmee vergrootten deze landen natuurlijk ook hun invloed in de regio, die door de VS nog steeds werd steeds beschouwd als zijn achtertuin.

De Contra’s

In de VS werd de Democratische president Jimmy Carter begin 1981 opgevolgd door de Republikein Ronald Reagan. Deze stelde economische sancties in tegen Nicaragua en begon met het financieren van groepen die een gewapende strijd voerden tegen het regeringsleger van de FSLN: de contrarevolutionairen of contra’s, officieel genaamd Resistencia Nicaragüense (RN, het Nicaraguaanse Verzet).

Logo van de FMLN (CC BY-SA 4.0 – Ivan Ch RU – wiki)
De contra’s waren militair nooit sterk genoeg om het voortbestaan van de sandinistische regering serieus in gevaar te brengen. Ze werden vaak getraind door het leger van El Salvador. In dat land had de VS ook een ‘conflict van lage intensiteit’ (low intensity conflict) op gang gebracht tegen een grote linkse guerrillabeweging, het Frente Farabundo Martí de Liberación Nacional (Front voor Nationale Bevrijding Farabundo Martí, FMLN), zodat het leger ervaring had met bestrijding van rebellie (zogenaamde counterinsurgency).

De contrabeweging bestond uit verschillende groepen. Ten eerste waren er de voormalige leden van de gehate Nationale Garde van de Somoza’s. Een tweede groep bestond uit tegenstanders van het economische beleid van de nieuwe regering. Die beperkte namelijk de speelruimte van particuliere bedrijven en probeerde een centraal geleide economie te ontwikkelen.

Een derde groep contra’s bestond uit leden van inheemse gemeenschappen als de Miskito, die in het noordoosten de confrontatie zochten met het regeringsleger. Ze waren ontevreden dat de regering in Managua weinig deed om de oostelijke kustregio tot ontwikkeling te brengen en infrastructuur aan te leggen in het gebied. Daar kwam bij dat de revolutie in de Caribische kustregio had geleid tot het vertrek van Amerikaanse bedrijven als de United Fruit Company, zodat de werkloosheid er was toegenomen.

Ook speelde een rol dat de bevolking aan de oostkust, die een vorm van Caribisch Engels spreekt, traditioneel meer gericht is op het Verenigd Koninkrijk en het Caribisch Gebied en minder opheeft met de dominante Spaanstalige overheid in het midden en westen van het land. Het inheemse verzet tegen de regering in Managua kreeg een impuls door de gedwongen verplaatsing, in december 1981, van 43 Miskito-gemeenschappen naar het binnenland, om te voorkomen dat ze de contra’s logistiek ondersteunden. Dit leidde ook tot protesten van de Katholieke Kerk en de Amerikaanse ambassade. In 1987 verkreeg de Caribische kustregio een zekere mate van regionale autonomie.

Een vierde bloedgroep van de contra’s bestond uit teleurgestelde sandinisten, aangevoerd door Edén Pastora. Hij was lid geweest van de democratische oppositie en vervolgens van het FSLN. Daar vertrok hij na toenemende onenigheid met de broers Daniel en Humberto Ortega over hun toenadering tot Cuba en de Sovjet-Unie. Hij richtte een eigen militie op die het sandinistische leger jarenlang aan bleef vallen aan de zuidgrens, vanaf bases in Costa Rica. Zowel de contra’s als het FSLN maakten zich tijdens dit binnenlandse conflict schuldig aan schendingen van de mensenrechten.

In 1984 werden presidentsverkiezingen gehouden. De oppositie boycotte de verkiezingen met het argument dat ze te weinig voorbereidingstijd had gehad. Daniel Ortega werd president. In datzelfde jaar diende Nicaragua bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag een klacht in tegen de VS vanwege de financiering van de contra’s, herhaalde schendingen van het Nicaraguaanse luchtruim en blokkades van de havens met zeemijnen. In 1986 werd Nicaragua door het Hof in het gelijk gesteld, maar de VS hield vol dat het Hof in deze zaak onbevoegd was en respecteerde de uitspraak niet.

Daniel Ortega in 1989
Daniel Ortega in 1989

De invloed van de Amerikaanse inval in Grenada

In het kleine Caribische eilandstaatje Grenada, onderdeel van het Britse Gemenebest, kwam in 1979, vijf jaar na de onafhankelijkheid van het VK, een socialistische regering aan het bewind door middel van een revolutie zonder bloedvergieten. In oktober 1983 werd deze op haar beurt afgezet in een militaire staatsgreep en vervangen door een militair bestuur van communistische snit. Enkele dagen later viel de VS het land binnen, naar eigen zeggen om te voorkomen dat Amerikaanse studenten door het militaire regime zouden worden gegijzeld.

Een andere reden voor de inval was de Amerikaanse vrees dat de Sovjet-Unie na Cuba en Nicaragua een derde vazalstaat zou weten te vestigen in de regio. Als argument werd aangevoerd dat er een nieuw vliegveld werd gebouwd waar zware Russische transportvliegtuigen zouden kunnen landen. De Amerikaanse interventie werd veroordeeld door het VK en door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

Na deze Amerikaanse invasie in Grenada intensiveerde de regering Reagan zijn anticommunistische beleid in de regio en de low intensity war in Nicaragua. De bestrijding van het communisme kreeg meer prioriteit en het FSLN in Nicaragua werd als een directe bedreiging van de VS gezien. De steun aan de contra’s werd versterkt met meer wapenleveranties en trainingen in Honduras en Costa Rica. De VS koos deze strategie om hetzelfde effect te bereiken als in Grenada zonder inzet van Amerikaanse troepen. De CIA nam de strategische planning op zich.

Als gevolg van de inval in Grenada nam in Europa de verontwaardiging over het Amerikaanse imperialisme in de regio toe. De solidariteit met Nicaragua in Europese landen groeide en enthousiaste linkse jongeren trokken, ook vanuit Nederland, naar het land om hun steentje bij te dragen door koffie te plukken of mee te helpen bij de bouw van klinieken en scholen.

Het Iran-Contraschandaal

Op 5 oktober 1986 schoot het Nicaraguaanse regeringsleger een transportvliegtuig van het type C-123 van de Salvadoraanse luchtmacht neer, dat in het Nicaraguaanse luchtruim vloog met bevoorrading voor de contra’s. Vrijwel de hele bemanning bleek uit Amerikanen te bestaan. De enige overlevende verklaarde dat hij werkte voor de CIA. De VS ontkende meteen.

Politiefoto van Oliver North
Politiefoto van Oliver North
Een maand later onthulde een Libanese krant dat de VS in het geheim wapens verkocht aan Iran, dat in oorlog was met Irak. Officieel steunde de VS in deze oorlog Irak, dus de regering Reagan wilde deze wapenverkopen geheim houden. Korte tijd later moest Reagan echter toegeven dat er een verband was tussen het neergehaalde Salvadoraanse vliegtuig en de onthulling van de Libanese krant. Het bleek dat de VS in het geheim wapens verkocht aan de Iraanse ayatollahs in ruil voor de vrijlating van Amerikaanse gijzelaars van het pro-Iraanse Hezbollah in Libanon. De opbrengsten werden via ingewikkelde financiële constructies bij Zwitserse banken doorgesluisd naar de contra’s.

De constructie kwam aan het licht toen er een fout werd gemaakt bij een overschrijving. Een Zwitserse zakenman ontdekte dat hij 10 miljoen dollar rijker was en stapte naar de autoriteiten. Het Amerikaanse congres had de officiële militaire steun aan de contra’s sterk beperkt, dus zo werden twee vliegen in één klap geslagen: Amerikaanse gijzelaars vrij én geheime steun aan de contra’s buiten het Congres om. Het plan was grotendeels bedacht door kolonel Oliver North van de Nationale Veiligheidsraad (National Security Council).

Reportage over het Iran-Contraschandaal

Perestrojka en de verkiezingen van 1990

Het geopolitieke krachtenveld was inmiddels aan het verschuiven. In Rusland begon Gorbatsjov in 1986 met zijn perestrojka. Hij stuurde aan op verbetering van de relatie met de VS. De Sovjet-Unie was economisch steeds zwakker geworden. Het gevolg was dat het sandinistische bewind minder Russische en Cubaanse steun ontving. Daarnaast viel het politieke en economische rolmodel van de sandinisten weg. De militaire en economische druk van de VS hield echter aan en de oorlog tegen de contra’s duurde voort. Tussen 1980 en 1990 vielen er zo’n 30.000 tot 50.000 doden. Het conflict verdeelde dorpen en families en leidde tot een aanzienlijke oorlogsmoeheid bij de bevolking.

De economie was zwaar in het slop geraakt als gevolg van de oorlog, sabotage door de CIA en het slechte economische beleid van de regering: particuliere bedrijven mochten weliswaar blijven bestaan, maar kregen te maken met intensieve staatsbemoeienis. Het aantal ambtenaren groeide sterk. Gewone mensen stonden in de rij voor hun pakket rijst, bonen en suiker, terwijl de partijelite en hun familieleden genoten van luxe producten die moeilijk verkrijgbaar waren. De economie stagneerde en inflatie werd een steeds groter probleem.

In 1988 introduceerde de Nicaraguaanse regering daarom economische hervormingen waarbij het marktmechanisme terugkeerde en de economische rol van de staat afnam. Daarmee gaf de regering toe aan druk van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), die deze hervormingen als voorwaarde stelde voor nieuwe leningen. In de optiek van veel mensen werden de basisbehoeften van de bevolking ondergeschikt gemaakt aan de eisen van het IMF om de overheidsfinanciën te saneren.

In het kader van een breder vredesproces voor de hele regio (ook andere Centraal-Amerikaanse staten als Guatemala en El Salvador hadden geleden onder binnenlandse conflicten die onder meer terug te voeren waren op de Koude Oorlog) zegden de sandinisten bovendien toe in 1990 democratische verkiezingen te zullen organiseren.

Violeta Barrios de Chamorro
Violeta Barrios de Chamorro
De presidentsverkiezingen van 1990 werden gewonnen door Violeta Barrios de Chamorro, kandidaat van de verenigde oppositiepartijen. Barrios had haar overwinning te danken aan de oorlogsmoeheid en de frustratie over de slechte economische situatie. Ze was al een jaar na de revolutie uit de regering gestapt omdat ze besefte dat ze weinig tot niets te zeggen had over het regeringsbeleid, dat in de praktijk bepaald werd door het FSLN. Haar positie in de regering was uitsluitend bedoeld om de indruk te geven dat ook gematigd rechts vertegenwoordigd was.

Demobilisatie

Na de verkiezingen van 1990 ontstond een gespannen situatie en dreigde een nieuwe burgeroorlog omdat veel sandinisten weigerden hun machtsposities op te geven. Mede dankzij Jimmy Carter werd echter een akkoord gesloten voor een vreedzame machtsoverdracht. De contra’s werden gedemobiliseerd en deels geïntegreerd in de politie. Ook een aanzienlijk aantal militairen van het sandinistische leger werd gedemobiliseerd. Deze demobilisatie slaagde niet helemaal. Ontevreden sandinisten en contra’s richtten kleine milities op die het platteland onveilig maakten. De regering sloot daarop allerlei kleine vredesakkoorden en deelde stukjes land uit aan oud-strijders.

De economische uitdagingen voor de regering van Violeta Barrios de Chamorro waren groot. Meer dan de helft van de mensen leefde onder de armoedegrens en het bruto binnenlands product was 400 dollar per hoofd van de bevolking. De buitenlandse schuld en de inflatie waren enorm, terwijl de export was ingestort. Het land werd sterk afhankelijk van buitenlandse hulp en moest dus voldoen aan strenge eisen van het IMF. De regering privatiseerde de door de sandinisten opgerichte staatsboerderijen en ontsloeg massa’s ambtenaren. Dat leidde tot nóg hogere werkloosheid. De armoede verminderde uiteraard niet.

Arnoldo Alemán in 1998
Arnoldo Alemán in 1998 (CC BY 3.0 – Marvin Jiménez/Agencia Conexiones – wiki)
Tijdens de volgende regering, onder leiding van Arnoldo Alemán van de liberale partij Partido Liberal Constitucionalista (Liberaal-Constitutionalistische Partij, PLC, 1997-2002) werd de corruptie weer net zo ernstig als tijdens de Somoza-dictatuur. In 1998 leefde volgens de Verenigde Naties 72% van de Nicaraguanen in armoede. In oktober van dat jaar werd Nicaragua bovendien zwaar getroffen door orkaan Mitch.

De liberale partij sloot in 1999 een akkoord met het FSLN onder leiding van Daniel Ortega, waarin onderlinge afspraken werden gemaakt om de politieke invloed in belangrijke instanties als de Kiesraad en het Hooggerechtshof te verdelen. Er werden ook afspraken gemaakt over de afwikkeling van de zogenaamde Piñata: onroerend goed en bedrijven die enkele sandinistische leiders zich na de verkiezingsnederlaag van 1990 hadden toegeëigend. Dit had geleid tot talloze rechtszaken van de oorspronkelijke eigenaren tegen de betreffende sandinisten.

Terug naar de dictatuur

In 2006, na zestien jaar liberale en conservatieve regeringen, werd Daniel Ortega wederom tot president gekozen, ditmaal met 38 procent van de stemmen. Hij had zijn overwinning onder meer te danken aan verdeeldheid bij de rechtse oppositie. Economische steun uit Venezuela, waar sinds 1999 Hugo Chávez aan de macht was, stelde Ortega in staat onderwijs en gezondheidszorg gratis te maken. Maar de herverkiezing van Ortega luidde een nieuwe autocratische periode in.

De president is zich sindsdien steeds autoritairder gaan opstellen. Hij werd herkozen in 2011, 2016 en 2021. Hij liet in 2014 de grondwet wijzigen om onbeperkte herverkiezingen mogelijk te maken. Bij geen van deze verkiezingen werden neutrale internationale waarnemers toegelaten. Bij de verkiezingen van 2021, door internationale organisaties als een electorale farce betiteld, werden de meeste presidentskandidaten opgepakt voordat ze konden worden verkozen. Andere kandidaten moesten vluchten naar het buitenland. Democratische instellingen als de Kiesraad zijn nu feitelijk in handen van de regering.

In 2018 probeerde de regering het financiële tekort van de sociale verzekeringen te repareren door onder meer hogere sociale premies te heffen op de toch al karige salarissen, en door pensioenen te korten. De bevolking reageerde met grootschalige protesten die zwaar werden onderdrukt door de ordetroepen. Daarbij kwamen circa 325 mensen om het leven. Ortega beweerde dat er sprake was van een poging tot staatsgreep en stelde censuur in tegen media die verslag deden van de protesten. Ortega liet het papier en de inkt bestemd voor de oppositiekrant La Prensa vasthouden door de douane, zodat deze geen kranten meer konden drukken, een truc die bijna gelijktijdig werd toegepast in het toenemend autocratische Venezuela van president Maduro.

Journalisten, demonstranten en kritische sandinistische leiders werden gevangen gezet en soms veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. Leiders van maatschappelijke bewegingen werden veroordeeld tot honderden jaren gevangenisstraf. De prominente sandinist en rechter van het hooggerechtshof Rafael Solís, die eerder had meegewerkt aan de grondwetswijziging om de onbeperkte herverkiezing van Ortega mogelijk te maken, trad af omdat hij geen verantwoordelijkheid meer wilde dragen voor de repressie en vluchtte naar Costa Rica.

De regering bemoeilijkt, net als in Venezuela en Rusland, het functioneren van ngo’s met extra controles als ze financiering ontvangen uit het buitenland. De Spaanstalige versie van CNN werd in 2022 uit de lucht gehaald. In 2023 deed de regering iets wat maar weinig dictaturen doen: 222 politieke gevangenen, waaronder FSLN-leden, werden uitgezet naar de VS. De Nicaraguaanse nationaliteit werd ze afgenomen.

Daniel Ortega in 2017
Daniel Ortega in 2017 (CC BY 2.0 – 總統府 – wiki)
Verschillende Latijns-Amerikaanse landen boden aan die te vervangen met hun nationaliteit. De VS en de EU hebben sancties opgelegd aan de leden van de regering en aan Laureano Ortega Murillo, de zoon van Ortega en Murillo, die belast is met het sluiten van economische akkoorden met Rusland, Wit-Rusland en China. Die akkoorden zijn van essentieel belang voor het voortbestaan van het regime, nu de economische steun uit Venezuela is weggevallen. De afgelopen drie jaar heeft China zeventien mijnbouwconcessies in het land verkregen en in 2023 heeft het uitrustingen gedoneerd aan de oproerpolitie van Ortega.

In 2025 werd op aanwijzing van Ortega de zoveelste grondwetswijziging doorgevoerd sinds 2007: de functie van co-president werd ingesteld en zijn echtgenote Rosario Murillo werd op die functie benoemd. In feite regeerde Ortega al sinds 2017 samen met Murillo. Verder werd de scheiding der machten, die al grotendeels fictief was geworden, afgeschaft.

Speelbal van de grootmachten

Helaas is het de Nicaraguanen tot nu toe nauwelijks gegeven een welvarend, vreedzaam bestaan te leiden in een democratische rechtsstaat. Het land heeft een hoge prijs betaald voor zijn verzet tegen het imperialisme van de VS en heeft zwaar geleden onder autoritaire regeringen, natuurrampen en inmenging van mondiale en regionale grootmachten: vooral de VS, in mindere mate Cuba, Rusland en Venezuela, en tegenwoordig ook China.

Literatuur

– Charles River Editors, The Sandinistas, 2020
– Lawrence Clayton e.a., A New History of Modern Latin America, 2017
– David Francois, Nicaragua, 1961-1990: Volume 1: The Downfall of the Somoza Dictatorship, 2019
– Harvey F. Kline e.a. (ed.), Latin American Politics and Development, 2017
– Richard S. Hillman e.a. (ed.), Understanding Contemporary Latin America, 2011
– H. Vogel, Geschiedenis van Latijns-Amerika, 1997
– Edwin Williamson, The Penguin History of Latin America, 1992

Lees meer over

Zuid-Amerika

Meld u aan voor onze gratis nieuwsbrief

×