Christelijke keizers en koningen
Of Keizer Constantijn de Petrusbasiliek ooit bezocht, is de vraag. Zeker weten we dat de Frankenkoning Karel, bijgenaamd ‘de Grote’ (r. 768-814), zich op de eerste Kerstdag van het jaar 800 in Rome door Paus Leo in Godsnaam liet zalven, kronen en uitroepen tot ‘keizer die het rijk van de Romeinen bestuurt’: daarmee bedoelde hij duidelijk heel zuid- en west-Europa, maar ook de gebieden die hij, nu met goedvinden van de paus, verder voor het Roomse christendom zou veroveren. Deze plechtigheid vond naar alle waarschijnlijkheid plaats op de trappen vóór de basiliek, zodat het verzamelde volk hem kon toejuichen en zo zijn keizerschap kon bevestigen, zoals al in de Romeinse keizertijd gebruikelijk was. Daarna is Karel de kerk binnen gegaan om te bidden vóór het hoogaltaar, boven Petrus’ graf.

In de loop van de eeuwen groeide het complex van de St Pieter verder uit: er kwamen tal van zijkapellen, het met arcades omzoomde atrium kreeg een fontein, en ook een voorportaal, en bovendien, naast de eveneens latere klokkentoren, een loggia van waaruit de pausen de zegen konden geven aan het op de stenen trappen en de verder zanderige ruimte ervoor verzamelde gelovige volk.
De verklaring voor het ontstaan en de uitbreiding van wat het grootste heiligdom van de katholieke christenheid werd, ligt in de veranderingen die Europa sedert Constantijns regering had ondergaan.

Het begon met de macht die de bisschoppen van Rome vestigden over de stad die zij de hunne gingen noemen, zeker toen Constantijn uiteindelijk zijn residentie verplaatste naar Constantinopel en daarna, in de loop van de vierde en vijfde eeuw, ook andere steden de functie van hoofdstad kregen: de keizers zetelden soms in Milaan en in Ravenna. In Rome rivaliseerde vervolgens eeuwenlang de stadsbisschop – de paus – met de stadsadel maar werd daarin dikwijls gesteund door de christelijke vorsten van Europa.

In dit proces speelde Karel de Grote een doorslaggevende rol. Zijn voorvaderen hadden de troon van “Francia” genomen, en een begin gemaakt met de uitbreiding van hun rijk in contreien die eeuwen tevoren tot het Romeinse imperium hadden behoord: het zuidwesten van het latere Frankrijk, Noord-Italië, de Nederlanden.

Karel zelf echter veroverde in een reeks veldtochten ook de uitgestrekte Germaanse gebieden ten oosten van de Rijn, tot aan de Elbe. Daarbij steunde hij op de Kerk: missionarissen trokken naar deze ‘heidense’ streken om die te bekeren, en plaveiden zo de weg voor Karels soldaten, en voor de onderwerping van deze regio aan het geestelijk gezag van de pausen. Maar bij het besturen van de zeer uiteenlopende werelden die tenslotte zijn rijk vormden, had de Koning Keizer de Kerk ook structureel hard nodig: alleen de mannen van de clerus boden hem de traditie van taal en cultuur die hij behoefde om zijn wereld een zekere eenheid te geven, en zo blijvend te kunnen controleren.

Erfgenaam van Rome, vader van Europa
De kerstening van vroegmiddeleeuws West-Europa
Karel de Grote – De ‘Vader van Europa’
Acht verhalen over hoop en vrees in de Middeleeuwen
Lingua franca – Betekenis en voorbeelden