Een eiland midden in de Atlantische Oceaan, met spookachtige kratervormen, talloze grotten en grillige gangenstelsels waarin men zich goed verbergen kan. Lanzarote, het meest oostelijk gelegen Canarische Eiland, heeft alles wat een piratenoord ooit nodig had. Voordat het door het toerisme werd veroverd, viel het eiland regelmatig in handen van piraten. In de zestiende- en zeventiende eeuw teisterden de gevreesde Barbarijse zeerovers het eiland regelmatig.
De kapers uit Noord-Afrika hadden het hier niet op kostbare schatten voorzien, maar op de bewoners zelf. Twee eeuwen lang leefden de mensen hier in voortdurende angst om gevangen genomen te worden en als slaaf verkocht te worden. Ook vandaag de dag luidt op Lanzarote nog een gevleugeld gezegde ‘Geen Moren aan de kust’, wat betekent dat er niemand is die je in de gaten houdt. De uitdrukking stamt uit deze tijd, toen men op het eiland voortdurend waakzaam moest zijn voor op de loer liggende piraten van de Algerijnse- en Marokkaanse kusten.
De gewelddadige geschiedenis tussen Lanzarote en de Barbarijse zeerovers begon in de zestiende eeuw op het midden van het eiland. Daar bevond zich de toenmalige hoofdstad Teguise. Haar ligging was niet toevallig zo gekozen. De eerste kolonisten wilden zich zo beschermen tegen de gevaren die vanuit zee dreigden en vestigden daarom hun stad zover mogelijk van de kusten.

De eerste Castilliaanse heren waren overigens zelf niet geheel onschuldig aan de aanvallen van kapers. Ze hadden namelijk zelf de eerste klap uitgedeeld. De kolonisten hadden behoefte aan arbeidskrachten, want ze waren van oorsprong militair en hadden geen ervaring met landbouw. Er bevonden zich amper honderd boeren in hun gelederen en daarom gingen ze slaven halen langs de Afrikaanse kust. Nadat ze enkele van dergelijke tochten ondernomen hadden volgden er echter represailles. De Afrikanen kwamen op hun beurt naar het eiland om wraak te nemen, wat het begin markeerde van de piratenaanvallen.
Lanzarote was aan haar lot overgeleverd omdat de Spaanse regering geen belangstelling toonde voor de veiligheid van deze verre uithoek van haar rijk. In 1569 moest Lanzarote zich enkel met een burgermilitie verdedigen tegen de eerste grote aanval. Juist op dat moment werd er feest gevierd vanwege een huwelijk dat was ingezegend in de kerk van het Franciscanenklooster. De piraten namen de gasten van het feest zonder enige moeite gevangen.
Gewelddadige jaren
De vijftig jaren die volgden behoorden tot de gewelddadigste uit de geschiedenis van Lanzarote en de bloedigste overval vond plaats in 1618. Er woonden toen nog geen tweeduizend mensen op het eiland. Deze werden aangevallen door zesentwintig schepen met aan boord ruim zesduizend piraten. Samen met de andere overvallen uit deze periode werden er zestienhonderd eilanders afgevoerd naar het Afrikaanse vasteland. Daar werden ze lang niet allemaal verkocht op de slavenmarkten, omdat er met losgeldbetalingen veel meer te verdienen viel.

Eeuwenlang moesten de eilandbewoners vrezen voor gevangenschap en dat terwijl Teguise over een natuurlijke uitkijktoren beschikte: de Montaña Guanapay, een voormalige vulkaan, die slecht enkele honderden meters van de stad verwijderd ligt. Vanaf dit vierhonderdvijftig meter hoge uitkijkpunt kon men de oceaan in alle richtingen afspeuren. Als de wachters ’s nachts de lichten van schepen waarnamen, gaven ze de eerste waarschuwing af. Daarna werden de klokken geluid, grote vuren aangestoken en verzamelde de burgermilitie zich op het marktplein.
Lanzarote was juist zo kwetsbaar voor aanvallen omdat de zeerovers er al snel een ideale ankerplaats hadden ontdekt: het eilandje La Graciosa, dat er door een zeestraat van slechts één kilometer breedte van gescheiden wordt. Ook nu nog maakt dit oord een desolate indruk, met zijn stoffige weggetjes, verlaten stranden en één enkel dorpje. La Graciosa en de omliggende eilandjes vormen als het ware een archipel binnen de archipel. De wateren rondom zijn zo rustig dat ze een zee te midden van de oceaan lijken en daarmee een geschikte uitvalsbasis waren voor de piraten.
Hier konden ze zich voorbereiden op de aanval, bijvoorbeeld door tijdelijk lading achter te laten, waardoor hun schepen lichter en daarmee wendbaarder waren. Nadeel was echter dat ze hier vanuit Lanzarote goed te zien waren, zodat het verrassingseffect verloren ging. Het gaf de Lanzaroteños de gelegenheid zich te verbergen. De ruwe, rotsachtige heuvels van het eiland leenden zich daar goed voor, maar de grillig gevormde grotten nog veel beter.

Ze liggen vooral in het noorden van het eiland, gevormd door de vulkaan Monte Corona. Bij haar laatste uitbarsting, zo’n drieduizend jaar geleden, ontstonden lavavelden die tot aan de kust reiken en nog altijd moeilijk begaanbaar zijn. Daaronder liggen natuurlijke tunnels waarin de eilandbewoners zich konden verstoppen. De Cueva de los Verdes behoort met zijn lengte van zes kilometer tot de meest uitgestrekte lavagangenstelsels ter wereld en leidt vanaf de voet van de krater helemaal tot aan de kust. De lava heeft er allerlei bizarre vormen en holtes aangenomen, waardoor een onoverzichtelijk labyrint is ontstaan.
Via dit natuurlijke gangenstelsel vluchtten de Lanzaroteños naar een grot die enkel met touwen bereikt kon worden. Dit ‘refugio’ was voorzien van een borstwering, waarachter ze zich konden verdedigen als de piraten onverhoopt toch binnen gedrongen waren. Voor die gelegenheid lagen stapels lavablokken klaar waarmee ze hun belagers konden bekogelen. Niet alleen deze munitievoorraad, maar ook de proviand die was opgeslagen in grote aardewerken kruiken getuigde van het organisatievermogen van de eilandbewoners. Bovendien namen ze op het laatste moment nog kippen en geiten mee de grot in om te kunnen slachten als ze zich lang verborgen moesten houden. In 1618 ging het echter mis. Door verraad raakten de piraten op de hoogte van de schuilplaats en namen er negenhonderd mannen, vrouwen en kinderen gevangen.

Eind zestiende eeuw begon men zich in Madrid eindelijk te bekommeren om de kwetsbaarheid van Lanzarote en werd gegeven voor de bouw van een fort op de plaats waar later Arrecife, de huidige hoofdstad, ontstond. Het ontwerp hiervoor werd geleverd door de Italiaanse architect Leonardo Torriani (1560-1628), die toen al adviseerde om er ook meteen het bestuurlijk centrum van het eiland te vestigen. Toch zou nog tot halverwege de negentiende eeuw Teguise deze rol blijven vervullen.
Dit zal ook zeker te maken hebben gehad met het feit dat de bouw van het Castillo de San Gabriel door de voortdurende aanvallen sterk vertraagd werd en daardoor pas eind zeventiende eeuw voltooid kon worden. Toen was de piraterij overigens al sterk teruggelopen, hoewel het fort nog lang een rol bleef spelen in de ontwikkeling van de stad. Dankzij deze versterking groeide Arrecife uit tot de belangrijkste havenstad van het eiland, met handelsverkeer dat vanaf de negentiende eeuw voor niet onaanzienlijke inkomsten zorgde. Er verrezen toen zelfs koopmanswoningen en pakhuizen langs de waterkant.

Dromedarissen
Tegenwoordig komen er hoofdzakelijk toeristen naar de Canarische Eilanden om er hun vakantie te vieren. Twee miljoen van hen bezoeken er jaarlijks het nationale park Timanfaya. Het is een schraal en onbarmhartig gebied van vijfduizend hectare in het zuidwesten van het eiland met ruim dertig vulkaankegels. Ook vandaag de dag heeft het vuur uit de aarde het er nog voor het zeggen. Het is op het eerste gezicht niet te zien, maar het magma dat op slechts enkele meters diepte onder het oppervlak vloeit kan zich ieder moment weer een weg naar buiten zoeken. Aan de rand van het park bevinden zich de halve-cirkelvormige muren van La Geria, het grootste wijnbouwgebied van de Canarische Eilanden. Maar het meest opmerkelijke verhaal van Timanfaya is wel verbonden met het zoogdier dat een onmisbare bijdrage heeft geleverd aan de exploitatie van deze streek.
Toen de Spanjaarden begin vijftiende eeuw het eiland veroverden brachten ze de oorspronkelijke bevolking vrijwel volledig om het leven. Aan de Afrikaanse kust, die honderdveertig kilometer oostelijker ligt, werden vervolgens niet alleen slaven gehaald, maar ook dromedarissen waarmee het nieuw verworven land in cultuur gebracht moest worden. Deze dromedarissen werden vastgebonden aan kleine bootjes, die op hun beurt weer door grote schepen werden voortgesleept. Maar als de zee onrustig was konden de beesten de volledige afstand niet in een keer overbruggen en werden dan aan boord genomen om op adem te komen.
Naast geoefende zwemmers waren de dromedarissen echter ook onvermoeibare lastdieren. Een ezel zou op Lanzarote met zijn hoeven wegzakken in de zachte vulkanische bodem, terwijl de brede hoeven van de dromedarissen de werking van sneeuwschoenen hadden. De volgzame en gemoedelijke beesten pasten zich snel aan hun nieuwe omgeving aan en hielpen de boeren van Lanzarote bij het ploegen en oogsten. Want op het eiland werd uitzonderlijk veel landbouw bedreven, wat het tot de graanschuur van de Canarische Eilanden maakte. Vóór het tijdperk van het toerisme werden alle granen en veldvruchten voor de archipelbewoners door de Lanzaroteños geleverd.

Landbouw
Op 1 september 1730 beleefde Lanzarote haar zwaarste vulkaanuitbarsting uit de moderne geschiedenis. Gedurende zes jaren bleef toen een kwart van het eiland onder lavastromen begraven, waaronder ook een groot deel van het landbouwareaal. De boeren lieten zich door deze catastrofe echter niet ontmoedigen. Ze stelden vast dat de bodem onder de lava nog genoeg vocht behouden had om hem te kunnen bewerken. Het kwam er alleen op aan voldoende diep te graven om deze bloot te leggen en wederom speelden de krachtige dromedarissen hier een belangrijke rol bij.
Dankzij hen was het mogelijk om La Geria weer opnieuw te ontginnen. Men creëerde cirkelvormige bouwlandjes waarvan de randen ter stabilisatie met een muurtje van lavablokken was afgezet, waarin vervolgens druiven, vijgen en bramen werden geteeld. De dromedarissen werden overigens niet alleen voor landbouwdoeleinden ingezet. Ze maakten tot halverwege de jaren vijftig gewoon deel uit van het dagelijks leven door post en water te vervoeren, of als ambulance of taxi dienst te doen. In de negentiende eeuw leefden er op Lanzarote vijftienduizend mensen en achtduizend dromedarissen, die bij honderden families een vertrouwde werkkracht waren.

Door de eeuwen heen fokte men een ras met kortere benen en bredere heupen, waardoor ze weliswaar minder grote afstanden konden afleggen, maar als lastdier des te krachtiger waren. De boeren hadden veel geld over voor een sterk exemplaar en zorgden er daarom goed voor. Ze kregen het blad- en stengelafval van granen te eten, dat veel eiwitten bevat en hen sterke spieren bezorgde. Ze hadden een dusdanig goede reputatie dat in 1840 een Engels schip enkele beesten aan boord nam om ze naar Australië te transporteren. Uitgezonderd een mannetje met de naam ‘Harry’ overleefden echter geen van hen de overtocht en de Engelsen grepen weer terug op Arabische dromedarissen. Het schip had echter niet alleen dieren aan boord, maar ook enkele families van de Canarische Eilanden, die in Australië tientallen dromedarisdrijvers voortbrachten.
Een Nederlandse invasie op Gran Canaria in 1599
Gerçuria en het voedende vet van de kameel
Verboden eilanden, bizarre experimenten en utopische dorpen
Olivares (1587-1645) – Vertrouweling van Filips IV
Don Quichote de La Mancha rijdt in Brussel
Stieren en bolwerken van Pamplona