Geschiedenis herschrijft zichzelf voortdurend. Wat valt er nog meer te ontdekken over Johannes Vermeer, de zeventiende-eeuwse wereldberoemde schilder? Amper zevenendertig kunstwerken worden aan hem toegeschreven. Maar nieuw wetenschappelijk onderzoek werpt nieuw licht op het geniale talent. Bijvoorbeeld dat een vrouw dé mecenas van Vermeer was en dat zij – vermoedelijk – meer dan de helft van zijn oeuvre kocht: Maria de Knuijt!
Een kunstenaar kan niet overleven zonder ‘klanten’. Wie waren de kopers van Vermeer? Vaak zijn beschermheren moeilijk te achterhalen. Bronnen ontbreken en er wordt meestal van uitgegaan dat mannen de kunstkopers zijn. Mis Poes! Ongeveer twintig schilderijen van Johannes Vermeer (1632-1675) werden aangekocht door Maria Simonsdr de Knuijt, een ‘buurmeisje’ uit Delft.

Bij dat erfgoed behoorden onder meer de nu wereldberoemde schilderijen: Het Melkmeisje, Meisje met de Parel, Zicht op Delft, Vrouw met weegschaal, De gitaarspeelster, Vrouw met parelsnoer, De Kantwerkster, Vrouw aan het virginaal…
Tot voor kort werd aangenomen dat Pieter van Ruijven dé grote verzamelaar van Vermeer was. Het argument was een teruggevonden document waarin van Ruijven in 1657 aan Vermeer een ‘lening’ van tweehonderd gulden toekende. Het was mogelijks een voorschot op een schilderij.

Vrouwen, kunst en cultuur
De rol van vrouwen in de kunstmarkt werd – tot hier toe – veronachtzaamd: de man had het geld. Dus hij kocht. Dacht men. Dat zou in dit geval – en in nog andere families – wel eens anders kunnen zijn.

In die wettelijke bepalingen stipuleert Maria haar wensen. Dat een vrouw zelf kon beschikken over haar eigen centen en bezittingen, is uitzonderlijk in het zeventiende-eeuwse Europa. Maar in de Nederlandse Republiek beschikten gehuwde vrouwen over het wettelijk recht op hun eigen bezittingen.
In haar testament van 9 juni 1664 stipuleert Maria dat ze – benevens een schenking van een schilderij naar keuze aan de advocaat Nicolaes van Assendelft – een schenking van een geldsom van vijfhonderd gulden aan Johannes Vermeer overdraagt bij haar overlijden.
Aen Johannes Vermeer schilder ende bij sijn vooroverlijden niet sijn kinderen noch descendenten eens de somme van vijfhonderd gulden. – Leiden, Erfgoed Leiden en omstreken, Notarieel Archief, notaris Claes Dircksz Verruyt, inventaris 722, akte 64
Die verzuchting hernam ze in een codicil van 19 oktober 1665, die niet uitgevoerd werd want Maria overleed in 1681, zes jaar na Vermeer. Maria’s wens om bij overlijden haar favoriete kunstenaar nog een geldsom toe te stoppen, is vermoedelijk ingegeven door haar bekommernis om Vermeer niet plots ‘werkloos’ en/of in geldnood te verwikkelen bij haar dood.
Vrouwelijke mecenas
Doordat ze niet alleen een grote afnemer van Vermeers productie was, heeft ze hem ook de kans gegeven zich artistiek te ontwikkelen. Als Vermeer niet haastig-haastig om den brode moest werken, maar rustig de tijd kon nemen om een werk nauwgezet en overdacht te schilderen, is dat eveneens dankzij Maria de Knuijt. Het is bekend dat Vermeer soms een paneeltje liet staan en pas lang achteraf – zelf op verf met craquelures – nog retouches of extra verflagen aanbracht.
Aanvankelijk schilderde Vermeer traditionele, religieuze prenten. Maar op zijn vijfentwintigste, rond 1657, begon hij zijn ‘typische’ verstilde vrouwen in burgerlijke kamers te schilderen. Rond die periode startte Maria haar verzameling.
Het project The Female Impact: Women, the Art Market and Household Consumption in the Dutch Republic 1580-1720 (met als belangrijkste onderzoeker dr. Judith Noorman) bevorderde de aandacht voor het aandeel van vrouwen in de kunstmarkt en -geschiedenis.

Vrouwen waren immers verantwoordelijk voor het ‘huis-houden’. Dat omvatte ook de decoratie van de echtelijke woning. In een publicatie De tien delicatessen des huwelijks (1678), een vrije bewerking van een oude vijftiende-eeuwse Franse satirische tekst, beeldt Petrus de Vernoegde twee winkelende dames bij een schilderijen/prentenhandel uit. Prenten verfraaiden immers de leefsfeer én de status van de bewoners. Die ‘consumptiegoederen’ behoorden tot het domein van de vrouw des huizes.
In zijn versie van dezelfde roman (1683) beschrijft Hieronymus Sweerts smalend de decoratieve zoektocht van de kersverse echtgenote:
Want je Bekje praat erover om grote Venetiaanse Spiegels, Indisch Kraakporselein, Fluwelen Stoelen, Turkse Tapijten, Amsterdams Goudleer Behang, kostbare Schilderijen, Zilveren Servies, een Sakkerdaan houten Kast, een Ebbenhouten Tafel, een apart Kabinet en een Luierkastje, diverse webben Servetten en Tafellakens, fijn en grof linnen, kostbare kanten en duizend andere spullen en prullen te kopen, te lang om te verhalen. Want ook de dingen die de huiselijke pronk aangaan, worden alle dagen opnieuw en grootser gesmeed in de hersenen van dat lieve en voorzichtige Vrouwtje.

Meer Vermeer
Internationaal en multidisciplinair wetenschappelijk onderzoek, al dan niet naar aanleiding van een grote overzichtstentoonstelling, brengt vaak nieuwe inzichten. Een lijvig boek met verbazende beelden licht nog een paar tipjes van de sluier: gebruikte Vermeer daadwerkelijk optische instrumenten? Welke pigmenten verkoos hij? Hoe slaagde Vermeer erin om voorwerpen – keukengerei, porselein, glazen, kledij, landkaarten – in zijn interieurs zo’n magische glans te geven? Hoe kwam hij op ideeën en hoe vertaalde hij ze in verfstroken?

Al die wetenswaardigheden brengen Vermeer dichter bij ons. Maar het belangrijkste daarbij is dat die wetenschap aan een breed publiek wordt aangeboden.
Gaius Cilnius Maecenas – De eerste ‘mecenas’
Een schilderij van Johannes Vermeer of niet?
Dit zag Vermeer toen hij zijn ‘Gezicht op Delft’ maakte